Deelraden

In zijn kroniek van 17 september stelt Marc Chavannes dat Deelraden een typisch project zijn uit de school van het dwangmatig participatie optimisme en dat zij in praktijk vooral dure werkgelegenheid bieden aan politici van beperkte uitstraling.

Over de laatste kwalificatie onthoud ik mij wegens directe betrokkenheid van een oordeel; als de politici in Harderwijk en Heemstede (gemeenten van vergelijkbare omvang) beter zijn dan wil ik dat graag aannemen.

Duur zijn deelraden echter niet. Nog onlangs liet wethouder van financiën, Frank de Grave weten dat de instelling van de zestien deelraden Amsterdam zo'n negentig miljoen per jaar oplevert. Let wel, ná aftrek van de uitgaven voor nieuwe kantoren en politici.

De besparing, die tot stand is gekomen door normering van uitgaven (iets dat de gemeente Amsterdam zelf niet lukte), vormde net zo'n belangrijk argument voor de instelling van deelraden als het idee dat op die manier ook het bestuur dichter bij de burgers zou kunnen worden gebracht.

Chavannes heeft gelijk als hij meent dat omtrent dat laatste niet teveel illusies mogen bestaan. Maar of die afstand er nu groter op is geworden? Bewoners die bijvoorbeeld protesteren tegen de toename van verkeer in hun straat hebben nu hun "eigen' politici.

Een verklaring voor het feit dat Deelraden niet "populair' zijn, is misschien gelegen in het imago van dorpspolitiek waarmee zij - terecht - worden getooid. Wie zo'n gegeven negatief of achterlijk vindt, vergeet dat de Gemeenteraad drukker dan ooit bezig is De Wereldstad Amsterdam te besturen. Als die echter ambitieuze plannen heeft (IJ-oevers) dan moeten we van dezelfde tegenstanders vooral niet vergeten "dat Amsterdam maar een dorp is'.