De anti-corporatisten laten weer van zich horen

Je weet niet waar het vandaan het virus van het (neo)corporatisme. Het eerste slachtoffer was Wolfson, die in de Sociaal Economische Raad - nota bene bij de bespreking van het advies over de uitvoering van de werknemersverzekeringen - de zaak aankaartte. In zijn columns in NRC Handelsblad blaast hij enthousiast in dat vuurtje zoals hij ook deed in zijn artikel over Prinsjesdag. Dat de feiten in zijn bijdragen wel eens wat worden gekreukeld heeft voorzitter W. Fase van de Sociale Verzekeringsraad in zijn ingezonden brief van 19 september al naar voren gebracht.

Vooral de bedrijfsverenigingen - die overigens een frisse wind best kunnen gebruiken en die zich zelf maar moeten verdedigen - zijn het mikpunt van de anti-corporatisten. Wat vinden deze verdedigers van de staatsmacht er overigens van dat het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid een afkeurende accountantsverklaring heeft gekregen voor zijn beheer van de bijstandsgelden? Toch wel een opsteker voor de bedrijfsverenigingen.

Maar wat is corporatisme nu eigenlijk? Volgens Van Dale: een staatsordening op grondslag van samenwerkende corporaties. En "staatsorde' is de "wijze van staatsbestuur'. Hier staat in principe het beheer over en de aanwending van sociale premiegelden - als een bestemmingsheffing opgebracht door het bedrijfsleven; géén belastinggeld - los van. Dit is ook door de politiek erkend toen ondanks verzet van de vorige minister van sociale zaken, De Koning de werknemers bij de uitvoeringsorganen juist op grond van dit argument uit de WAGGS (Wet arbeidsvoorwaarden gepremieerde en gesubsidieerde sector) werden gezet.

De feitelijke ontwikkeling is dat de rijksoverheid, onder meer onder invloed van de recessie in het begin van de jaren tachtig zijn invloed op het beheer en de aanwending van premiegelden en dus op het gehele stelsel, heeft uitgebreid. Of, zoals de secretaris-generaal van de Association de la Sécurité Sociale het in 1983 al omschreef: “Een van de meest negatieve gevolgen van de huidige economische recessie in bepaalde landen is de verzwakking van de onafhankelijke positie van het stelsel van sociale zekerheid. In die landen spelen de ministeries van financiën en andere niet bij de toepassing van de sociale bescherming betrokken departementen, een steeds belangrijker rol in de politieke beleidsvoering inzake de sociale zekerheid”. Hoe actueel deze opmerking nog steeds is, blijkt wel uit de voornemens van het kabinet voor de Ziektewet en de WAO.

Overigens heeft de Tweede Kamer bij de behandeling van de stelselherziening in 1986 een reeks amendementen aangenomen die de beoogde zeggenschap van de minister overhevelde naar de Sociale Verzekeringsraad. Het woord "corporatisme' is toen - terecht - niet uitgesproken. We mogen bovendien niet uit het oog verliezen dat sociale verzekeringen in oorsprong een particulier initiatief zijn en dat wetgeving tot doel had het financiële draagvlak te vergroten en risico's te verevenen. Hierbij kwam de toenmalige opvatting over de onmondige werkman.

Wie in dit alles wèl corporatisme ziet, zet de zaak op zijn kop. Er is eerder sprake van anti-corporatistische ontwikkelingen; van een "staatsgreep' naar vreemde macht en andermans geld. Enkele voorbeelden.

In de werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidswetten staat dat het premiepercentage door de fondsbesturen wordt vastgesteld, “onder goedkeuring van de minister en gehoord de Sociale Verzekeringsraad”.

De minister (staatssecretaris) keurt al vele jaren de percentages af, en hij mag ze dan zelf vaststellen. Daarbij moeten de financiële aspecten vaak wijken voor bijvoorbeeld inkomenspolitieke motieven. Vandaar overschotten in het werkloosheidsfonds en tekorten in het arbeidsongeschiktheidsfonds.

Nog een voorbeeld: de laatste jaren worden gelden uit de sociale fondsen aangewend voor aan het verzekeringsstelsel oneigenlijke doeleinden, bijvoorbeeld om loonkostenreductie en arbeidspools mede te financieren. Men betaalt zijn AWBZ-premie toch om zich tegen ziekte te verzekeren en niet om de werkgelegenheid een duwtje in de rug te geven. “Slobberen uit de sociale fondsen” wordt het wel genoemd.

Ten slotte: tegen de afspraak in wordt de rijksbijdrage voor de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet niet geïndexeerd. De opbrengst als gevolg van deze "contractbreuk' wordt gebruikt om het financieringstekort kleiner te maken. Een nobel doel, maar een oneigenlijke weg omdat de premie als gevolg hiervan moet worden verhoogd. En dat màg toch niet? Zie de WAO.

Wie dit alles - en nog meer - op een rijtje zet moet bijna tot de verzuchting komen: zaten er maar meer corporatistische elementen in onze sociale verzekeringen.

Straks worden misschien de bovenminimale uitkeringen afgeschoven naar de sociale partners of naar de particuliere verzekeringen. Spreken we dan in het eerste geval van corporatisme (= slecht) en in het tweede van privatisering (= goed)?