Alders wil tuinders geleidelijk uitroken

In NRC Handelsblad van 29 augustus bestreden de burgemeesters van Vleuten-De Meern en Wateringen het "bouwen op glas' in de Randstad. Zij legden de nadruk op de buitengewoon hoge kosten die met de sloop van kassenbedrijven gepaard gaan. P.L. Dauvellier van het ministerie van van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening meende daarop (5 september) dat de hoge kosten onvermijdelijk en verantwoord zijn. Burgemeester Westra van Vleuten-De Meern is echter nog niet overtuigd.

De meerwaarde van een hoge ruimtelijke kwaliteit in de Randstad weegt ruimschoots op tegen de kosten. Dat schreef Dauvellier, topadviseur van minister Alders in antwoord op onze waarschuwing dat deze minister de gemeenschap met zijn keus van bouwlocaties op onnodig hoge kosten jaagt. Mijn collega en ik legden in ons artikel de nadruk op de financiële invalshoek omdat wij dachten dat een meevaller van een half miljard wel van pas zou komen. Noodlijdende steden als Den Haag en Utrecht zouden er vast wel een bestemming voor weten. Maar nee. Dauvellier meent dat de meerwaarde ruimschoots opweegt tegen de kosten.

Wat moet je met zo'n bewering? Het gaat om kosten die men in volle omvang op de begroting terugvindt, maar baten die zo diffuus zijn dat je er geen berekening op los kunt laten. Sterker nog: andere deskundigen kunnen vol overtuiging aantonen dat het welzijn van de toekomstige bewoners met de keuze van onze alternatieve locaties het meest is gediend. Bovendien kan het bij de minister onmogelijk diep zitten. Onze alternatieve locaties zijn bij hem toch ook reserve-locaties voor een volgend decennium. Zullen we het dan toch nog maar eens langs budgettaire weg proberen?

Toegegeven, zegt Dauvellier, de gekozen locaties zijn ongeveer tien keer zo duur als de alternatieve. Maar de ruimtelijke meerwaarde is groot genoeg om deze meerprijs te betalen. En kennelijk ook groot genoeg om er enkele honderden tuinbouwbedrijven mee in moeilijkheden te brengen. Ik vind dat nogal wat. De gezinnen hebben zich daar gevestigd omdat andere "ruimtelijke ordenaars' dat de aangewezen plek achtten. En nu zouden ze moeten opkrassen.

Maar goed, niemand zal ontkennen dat een minister de koers kan verleggen. De vraag is dan of hij ook bereid is de prijs te betalen die daarop staat? Dat blijkt niet het geval. In het gewest Utrecht betaalt de minister minder dan de helft van het bedrag dat op grond van berekeningen van specialisten nodig is om de bedrijven op een nette manier te ontmantelen en te verplaatsen. Het rijk weerlegt die berekeningen niet. Tijdens het bestuurlijke overleg kon er over deze cijfers niet eens worden gesproken. Dauvellier vertelt nu echter openhartig dat men bij VROM een eigen berekening hanteert. “Deze gaat uit van een gefaseerde verplaatsing, waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijvingstermijn van ongeveer vijftien jaar van kassen en met de noodzakelijke investeringen in bedrijfsontwikkeling. Verplaatsing van bedrijven zou zoveel mogelijk moeten samenvallen met dergelijke investeringen.”

Het klinkt zakelijk. Maar men moet zich eens voorstellen hoe zo'n benadering uitwerkt. Je begint met een florissant tuinbouwgebied en daar hang je een zwaard van Damocles boven. Investeringen blijven achter. Deze en gene laat zich uitkopen. Er komen lege plekken. De achterblijvers zien hun bedrijven geleidelijk aftakelen. Veiling en onderwijs krijgen met verlies aan draagvlak te kampen. Maar de opkoper blijft in de buurt voor het geval een tuinder het niet meer ziet zitten. Vleuten-De Meern schreef onlangs in een brochure dat men zich moeilijk voor kan stellen dat het kabinet de regio vraagt een vitale bedrijfstak geleidelijk uit te roken. Uit de beschrijving van Dauvellier blijkt dat het departement de minister blijkbaar wel in die zin adviseert. Als de minister deze lijn volgt, bewijst hij daarmee onze stelling dat hij zich zijn ruimtelijke opties financieel niet kan veroorloven.

Dauvellier schetst het verlies aan glas in Vleuten-De Meern als minder belangrijk, omdat het daar toch maar om "een beperkte ontwikkeling' gaat. Het is maar hoe je de dingen bekijkt. In de provincie Utrecht kijken wij er anders tegenaan.

Tenslotte wijs ik de suggestie dat ons alternatief het autoverkeer stimuleert, met kracht van de hand. Het openbaar vervoer krijgt in ons "provinciale model' de aandacht die het verdient. Het met een paar kilometer doortrekken van de Nieuwegeinlijn om de polder Rijnenburg te bedienen, kost slechts een fractie van de meerkosten van bouwen op glas. Bovendien verdraagt de uitgesproken voorkeur voor railverbindingen die het kabinet aan de dag legt zich ternauwernood met de bedragen die de minister van verkeer en waterstaat beschikbaar stelt.

Terwijl het kabinet zich beijvert om actuele budgettaire problemen het hoofd te bieden verdoezelt men bij VROM toekomstige tekorten met bezweringsformules over de meerwaarde van de ruimtelijke kwaliteit.