Vanuit een hangmap

De godganse dag probeer ik mijn knipsels te ordenen, maar overal komen ze weer onder vandaan. Achter elk kussen blijkt een voornaam essay te schuilen, die uiterst gewichtige reeks over de neergang van een partij ligt in een schoenendoos te vergelen en de ordner Jeltsin knapt uit zijn overspannen voegen. Mijn hangmappen liggen en zijn een toonbeeld van de chaos die buiten heerst. De knipsels stijgen me tot aan de lippen, eerdaags verzuip ik in de historische beschouwingen. Knipt u maar, ik geloof het wel.

Een gevoel van lichte vervreemding kan ik maar niet van me afschudden. Terwijl aan de horizon het laatste wereldrijk uiteenvalt, verkeert om de hoek een bijna honderd jaar oude partij in doodsnood. Het wemelt van de partijleiders die dreigen op te stappen en je struikelt over de interviews met partij-ideologen onder snerpende koppen als: "Hervormers finaal opgebruikt door de partij'. Je denkt dat het een drama in Moskou of St. Petersburg betreft, maar dan blijkt het weer in de Amsterdamse partijburelen te spelen.

Van de ene crisis naar de andere, de beelden schuiven in elkaar en dat is niet helemaal toevallig. Wie in het Oosten is geweest kan bij terugkeer niet anders dan met een innige tevredenheid de deur van het vaderland achter zich dichttrekken. De smurrie van de vervallen hoofdsteden als Praag of Warschau kleeft nog aan de jaspanden en we denken: een nog betere samenleving dan die waarin we nu leven? Hoe komen we erbij om zoiets vermetels te willen? Zijn we op ons achterhoofd gevallen? Wat wil een partij die zegt met beide benen in het onbehagen te staan?

Niet lang geleden voerde ik in Boedapest een merkwaardig gesprek met twee Bulgaarse ex-communisten. Ook nadat we alle miniatuur-flesjes uit de ijskast van de hotelkamer hadden weggewerkt bleven ze zonder enige aarzeling bij hun oordeel: Nederland is het eerste verwezenlijkte paradijs op aarde. Er zijn nog net genoeg problemen om niet helemaal tot inertie te vervallen, maar voor het overige, zoiets hadden ze nog nooit gezien.

Ik probeerde nog iets in de trant van problemen met minderheden, maar een wegwerpend handgebaar was mijn deel. Met sombere ogen staarde mijn gesprekspartners naar het miniatuur slagveld op de tafel en staken van wal over de schrikbarende tekorten in Sofia. Geen wc-papier, fruit, benzine niks, echt helemaal niks. Of wij ons daar in het paradijs iets bij konden voorstellen? Nee, hun verhalen gingen mijn fantasie te boven.

De generaties van na de wederopbouw hebben geen flauw benul van een onbeschermd leven. Wat ons rest, is een spoortje herinnering aan een met vele pakken zout en zeep volgestouwde gangkast tijdens de Cuba-crisis. Voor het overige kunnen we ons geen voorstelling maken van een bestaan zonder garanties. Nederland was min of meer af toen we om ons heen begonnen te kijken. Wat zeur ik, zelfs Groen Links heeft nu in zijn programma geschreven dat het goed toeven is in Nederland.

De roep om een andere samenleving wordt nog door een enkeling gehoord. Op die ontnuchtering valt weinig af te dingen, maar hoe kunnen we hartstocht voor de gematigdheid opbrengen, hoe kan worden geloofd in de optelsom van kleine aanpassingen? Want vertel me niet, dat de taal van de zakelijkheid de burgers van dit land nog tot enige morele onrust kan inspireren. Ik weet het werkelijk niet.

Mijn ziel gaat gebukt onder een leven zonder veel wanklank. Als een muilezel tors ik mijn tevredenheid bergopwaarts. Het kan niet op. Hoe vaak heb ik niet gedacht: sta op en werp je in het tumult. Maar ik bleef zitten en telde de vetlagen die zich als jaarringen rond mijn middel vormen.

Slechts één angst voor het bestaan zit me stevig in de botten en daar heb ik dan ook geen woorden voor. Dat de dood tegenwoordig onder het donsdek schuilt, gaat er maar moeilijk in. We zijn opgegroeid met de vaste overtuiging dat het bed een veilig territorium is. Plotseling sloop de angst tussen de lakens en is niet meer weggegaan. Laatst schreven ze zelfs dat je al van zoenen de gevreesde ziekte kunt oplopen. Kom nou, dat kan toch niet niet waar zijn! Maar waarom schrijven ze het dan?

De hele ochtend zit ik al in de zon op de grond tussen mijn boeken en weet dat de kans dat het nog beter wordt wel zeer klein is. Een verschrikkelijke gedachte, die als je er over nadenkt heel veel nare emoties oproept en dat was nu juist niet de bedoeling op deze ochtend waar tevredenheid mijn deel is. Het zal wel door mijn studieverlof komen. Even los van de wereld ga je zomaar zitten nadenken en voor je het weet, zit je in de puree.

Grote woorden voor kleine gedachten, zo gaat het bijna altijd. Vaak denk ik aan Renate Rubinstein, die had meestal kleine woorden voor grote gedachten. Schijnbaar moeiteloos trok ze de scheidslijn tussen goed en kwaad en geloofde er zelf zichtbaar in. Elke week opnieuw. Ik niet: aarzelen is mijn lotsbestemming. Elke dag opnieuw. Nog nooit ben ik over één nacht ijs gegaan, altijd wikken en wegen. Meestal wachtte ik verstandig totdat het allemaal te laat was. Dan ging ik opgelucht naar huis, tenminste niets ondoordachts op mijn geweten.

Probeert u zich eens een gezelschap van vier oudere jongeren voor te stellen dat een meeslepend debat wil organiseren over "de verwoesting van de verzorgingsstaat'. Al gauw is wat eerst een mooi overzichtelijke aanklacht leek, vergruizeld tot een eindeloos gedelibereer over de uitvoeringsregelingen van de sociale zekerheid, de bijdrage van de burgers aan deze teloorgang en wat te denken van de arrogantie der vakbonden? Nu we het er toch over hebben, is het niet overdreven om over "verwoesting' te spreken? Het valt toch allemaal reuze mee? Kijk eens over de grenzen, hoe zou het daar zijn?

Het is maar een vraag en toch valt er een diepe stilte. Gemengde gevoelens is alles wat we nog over hebben en daar vul je geen zaal mee.

Lubbers schijnt tegen Havel te hebben gezegd dat het probleem in Nederland is dat de mensen niet meer weten wat de zin van het leven is. Hij is echt niet de enige die daarmee worstelt, hoewel ik bang ben dat hij terugverlangt naar de karige moraal van de wederopbouw. De hele natie schaart zich rond het vuurtje van de publieke zaak. Toch zou het kunnen zijn dat rusteloosheid temidden vanovervloed meer vergt dan het vooruitgangsgeloof van na de oorlog.

Ik had u gewaarschuwd. Ik heb een voorspoedige jeugd gehad. Van mij hoeft u geen wenken voor de jongste dag te verwachten. Ik ben even afgedraaid door alle opwinding.