Spaans communisme: hervorming èn Marx

MADRID, 23 SEPT. Vlak voor het Centrale Comité van de Spaanse Communistische Partij zaterdagavond het grote podium wilde betreden voor de serie toespraken die het hoogtepunt zouden worden van het jaarlijkse partijfeest, brak er een verschrikkelijk onweer los boven Madrid. Bliksemflitsen van oost naar west. Bakken water. Een gierende wind. Daar was het tijdelijke bouwwerk in het stadspark Casa de Campo niet op berekend. Eerst wankelde er een lichtmast. Toen scheurde er een spandoek. Daarna kwam met donderend geraas en in een werveling van lampen, planken, steigermateriaal, hamers en sikkels de hele constructie naar beneden.

De toespraak die de aan een ramp ontkomen voorzitter Julio Anguita met drie kwartier vertraging van negentig doorweekte velletjes voorlas, was een bevestiging van de identiteit van de in 1919 opgerichte Partido Communista de España. De Spaanse communisten zijn en blijven de erfgenamen van de “theoretische impuls” die Marx en Engels hebben gegeven. Hun geestverwanten in de Sovjet-Unie hebben ernstige fouten gemaakt doordat zij geen onderscheid tussen partij en staat wisten aan te brengen. Het mag dan ook geen wonder heten dat de Russische leiders, gewend aan het gebruik en misbruik van de macht als ze zijn, bij de eerste de beste aanvaring met de realiteit in een nieuw dogma vluchten: dat van de vrije markt en het ongeremde kapitalisme. Maar dat kapitalisme werkt alleen in West-Europa, waar het door een sterke arbeidersbeweging is "gevaccineerd', betoogde de man met de puntbaard, die burgemeester van Cordoba is geweest en daarom nog steeds "de rode kalief' wordt genoemd.

Tot slot van zijn redevoering pleitte Anguita vóór het voortbestaan van zijn PCE, zij het in een gerenoveerde vorm die niets van doen zou hebben met democratisch centralisme en die steeds meer open zou staan voor samenwerking met andere linkse groeperingen. Na het applaus en de toejuichingen, niet helemaal "stormachtig' maar wel luid, verspreidde de menigte zich over het feestterrein. Drie dagen lang werd daar muziek en propaganda gemaakt. Partijafdelingen uit de verschillende regio's van Spanje boden hun eigen culinaire specialiteiten aan. De communisten uit Libanon, Irak, Iran, de Filipijnen, Algerije, Koerdistan alsmede het ANC, de PLO, de FMLN, de FSLN, Polisario, de Tupamaro's en de Dwaze Moeders van het Plaza de Mayo stonden er met folders en handtekeningenlijsten. Tienduizenden bezochten ook dit jaar het grote feest van de PCE en alsof er niets was gebeurd dansten ze rond het ineengezakte podium met de rode vlaggen, dat zondagmiddag al door kraanwagens en hoogwerkers uitelkaar werd gehaald.

Symboliek te over?

Niet helemaal. De PCE mag zich namelijk de laatste jaren in een stabiele kiezersgunst verheugen, net als de zusterpartij in het buurland Portugal. Meer dan tien procent van de stemgerechtigden blijft trouw aan de communisten en volgens de meest recente opiniepeilingen ligt er eerder een verbetering dan een verslechtering in het verschiet. Anders dan de hardliners in Portugal, die er onder aanvoering van de bejaarde Alvaro Cunhal onlangs als de kippen bij waren om de couppoging in de Sovjet-Unie toe te juichen, proberen de Spanjaarden echter wel degelijk lessen uit de jongste geschiedenis te trekken.

Na de dood van generaal Franco en de legalisering van de PCE door premier Suarez in 1977 beleefde de partij een kortstondig hoogtepunt in haar populariteit: meer dan honderdduizend leden droegen het partijboekje en bij de verkiezingen van 1982 verwierf ze twee miljoen stemmen, goed voor 24 zetels in het 350 leden tellende Huis van afgevaardigden. Na een verpletterende nederlaag in 1986 (twintig zetels verlies) besloot de partijleiding het roer om te gooien en zich in de mantel te hullen van een coalitie met een aantal kleinere linkse groeperingen. Dat werkte. De zeventien afgevaardigden van het door de communisten geleide "Verenigd Links' tellen weer mee in het parlement.

De vraag is nu, of dit niet hèt moment is om de partij helemaal op te heffen en te laten opgaan in een eigentijdse, progressieve formatie die niet de last van het stalinistische verleden meesleurt. Prominente partijleden zoals de fractievoorzitter in het Huis van afgevaardigden Nicolas Sartorius en de leiders van de gewesten Madrid en Catalonië zijn er vóór. Naar zijn mening zou de PCE een “glorieus einde” aan haar eigen geschiedenis schrijven door zich tijdens het volgende partijcongres, in december, op te heffen en Verenigd Links om te vormen tot een echte partij. Zo denken ook de kleine coalitiegenoten erover.

Voor vele trouwe leden is het echter een onverdraaglijke gedachte dat een partij die in de loop van haar 72-jarig bestaan in belangrijke mate de politieke historie van Spanje heeft bepaald zijn eigen grafschrift zou schrijven. Zij zijn desnoods bereid te erkennen dat Lenin ongelijk had, toen hij voorspelde dat de Russische revolutie haar eerste voortzetting in Spanje zou vinden. Maar de Burgeroorlog weigeren zij te vergeten. “La Pasionaria lééft!”, meldde het omslag van het partijblad Mundo Obrero ("Arbeiderswereld') nog vorig jaar - en dat was niet slechts een nostalgisch eerbetoon aan het kort te voren overleden symbool van weerstand tijdens het conflict met de nationalisten. Belangrijke partijafdelingen als die van Andalusië weigeren over opheffing van de PCE te denken. Binnen het machtige en zeer goed georganiseerde communistische vakverbond Comisiones Obreras - één van de twee belangrijke vakcentrales in Spanje - is er ook geen meerderheid voor te vinden. Maar de voorzitter van deze organisatie, de jeugdige Antonio Gutierez, steunt dat idee juist weer wel, net als oud-partijvoorzitter Gerardo Iglesias. Dat geeft de verscheurdheid binnen de PCE wel zo ongeveer aan.

Julio Anguita, doorgaans een ferm en zelfverzekerd leider, spreekt zich slechts aarzelend over de kwestie uit. Hij meent enerzijds dat de politieke partij als organisatievorm een verouderd concept is, maar vindt aan de andere kant dat de PCE voorlopig als "georganiseerde stroming' binnen Verenigd Links moet blijven bestaan. Hij wil vernieuwen, maar zich op Marx blijven baseren. Wat zijn Italiaanse collega Achille Occhetto heeft gedaan, acht hij modieus en overhaast. Anguita wil het liefst pas een beslissing over de toekomst van de partij nemen als iedereen daar klaar voor is. Maar die tijd is hem niet gegund. Daarvoor is de factie die meent dat, in de woorden van Sartorius, “de partij al sinds 1982 obsoleet is” langzamerhand veel te groot. Wanneer hij kiest voor Verenigd Links, verliest hij een deel van zijn partij. Maar kiest hij voor zijn partij, dan kost dat honderdduizenden stemmen.

Wat dat betreft komt de situatie van de Spaanse communisten overeen met die van hun geloofsgenoten elders op het wereldtoneel. Terwijl zaterdagavond laat het onweer boven Madrid voortduurde en het door de Cubaanse ambassade aangeboden orkest de danslustigen alleen vanonder druipend zeildoek kon bedienen, zat in een klein restaurant elders in de stad een twintigtal buitenlandse gasten aan de maaltijd. Het restaurant heet naar zijn eigenaar Casa Pedro, maar wordt al jaren "De Communist' genoemd omdat het de plaats is waar al tijdens de jaren van de dictatuur ontelbare plannen zijn gesmeed. De wanden hangen er vol met gesigneerde foto's van progressieve helden uit alle windstreken en in een hoek staat in een boekenkastje met daarop een borstbeeld van Lenin. Omstreeks middernacht maakte Don Pedro bekend dat Fidel Castro hem ter gelegenheid van het partijfeest twee kisten oude rum had laten zenden. “Venceremos?" zei één van de gasten aarzelend, toen even later de glazen werden geheven. “Socialismo o muerte?” Don Pedro schudde het gegroefde gelaat. “Laten we op onze gezondheid drinken”, zei hij, alvorens een gepeperde rekening te presenteren.