Reyn van der Lugt, promotor van de Nederlandse cultuur in New York: "Onze kunst is onbekend in VS'

Pogingen uit Nederland om de Amerikaanse kunstmarkt binnen te dringen werden tot voor kort door sommige Nederlanders in New York met een mengeling van leedvermaak en ergernis bekeken.

Schitterend, een groep Nederlandse kunstenaars in een galerie in SoHo! Maar niet in de zomer, als de door het consulaat opgetrommelde landgenoten vrijwel de enige kijkers zijn. En dan werd er vier jaar lang door WVC vierduizend dollar per maand betaald voor een tijdelijk onderkomen voor kunstenaars. Zelfs voor New York is dit een enorm bedrag. Deze "Loft' had weliswaar een schitterend uitzicht over Zuidwest Manhattan, maar er was geen muur om iets behoorlijk op te hangen om aan een eventuele galeriehouder te laten zien. Het gebrek aan privacy was aanleiding tot ruzies, en bovendien gingen er geruchten over wilde feesten en logeerpartijen van mensen die er niks te maken hadden.

Een jaar geleden besloot het ministerie van WVC Reyn van der Lugt - voorheen werkzaam voor de Rotterdamse Kunststichting - als "Director for Cultural Affairs in North America' voor een proefperiode van twee à drie jaar naar New York te sturen. We bespreken de voorlopige resultaten van een jaar Nederlandse cultuurpromotie in zijn loft in SoHo. Hier en vanuit zijn kantoortje op het Nederlands consulaat wijdt hij zich aan die typisch Amerikaanse bezigheid: networking, networking, networking.

Wat doet u hier wat vanuit Nederland niet zou lukken?

“Wat ik altijd slecht heb gevonden aan het Nederlandse cultuurbeleid is dat men in Nederland zelf wel dacht te kunnen bepalen wat het beste was voor export naar het buitenland. Het grote voordeel van mijn aanwezigheid hier is dat de projecten die nu van de grond gaan komen, gebaseerd zijn op Amerikaanse ideeën. Ik vorm daarbij de schakel tussen de Nederlandse en Amerikaanse kunstinstellingen. Tijdens een ontmoeting met een Amerikaanse museumdirecteur of festivalprogrammeur zeg ik nooit: dit of dat uit Nederland willen we graag kwijt. Ik vraag naar hún programmabeleid. Soms ga ik naar een bespreking met videobanden en catalogi in mijn tas en laat die daar dan rustig inzitten als het toch niet het juiste moment is om die op tafel te leggen.”

De aandacht hier lijkt vooral gericht op Oost-Europa en de Derde Wereld en de afgelopen twee jaar plotseling ook op minderheden in eigen land. Is er nog plaats voor Nederlanders?

“Het blijkt dat men hier afgezien van Van Gogh, Mondriaan en Appel, ontzettend weinig weet over de huidige Nederlandse cultuur. Als je met informatie komt, krijg je echt een aha-effect. Ik merk ook dat de galeries in New York nu toch weer zitten te wachten op iets nieuws. Er is grote belangstelling voor conceptuele kunst en site specific work. Daar passen een aantal Nederlanders in. De degelijkheid van onze opleidingen, met name die van schilders, wordt ook nog steeds geroemd.

Ze zien dat we nu kunstenaars hebben die afstappen van de nuchterheid en rechtlijnigheid, die humor en ironie gebruiken, en zeer barok werk maken.

Er staat een lang artikel in de "Art in America' van deze maand over het fenomeen van de Nationale Festivals van de laatste jaren. Regeringen of zakenmensen van verschillende landen, zoals Turkije, India, Mexico, Engeland of Indonesië hadden of hebben daar miljoenen voor over. Ze huren Amerikaanse public-relationsbureaus in, curatoren van belangrijke musea, zoals het Metropolitan Museum, werden ingeschakeld...

“Dat artikel beschrijft precies zoals ik het niet zou willen. Het gaat veel meer om de promotie van de economie van een land dan om de cultuur. Die is slechts het cement.

Het Nederlandse bedrijfsleven heeft al genoeg connecties in Amerika. Het is meer iets voor ontwikkelingslanden. Het effect van die grote projecten is ook dat ze als één groot incident de geschiedenis ingaan. Ik ben meer voorstander van in het klein stelselmatig te infiltreren.

Hoe bereikt u de juiste mensen?

“Ik heb bijvoorbeeld heel stelselmatig de programmeurs van alle theaters in New York bezocht. Van de grote, zoals de Brooklyn Academy of Music, tot de kleine als de Knitting Factory. Wat we onderschat hebben is dat Nederland al tientallen jaren heel goed geweest is voor Amerikaanse kunstenaars en theatermensen. Vaak hebben zij via Nederland een Europese doorbraak kunnen maken. Sommigen van die mensen zijn ons daar wel dankbaar voor en daar profiteren we nu van.”

Het is toch juist altijd de klacht geweest van Nederlandse beeldende kunstenaars dat met name het Stedelijk Museum zich veel meer inspande voor buitenlandse kunstenaars. Gaan het Stedelijk of Rudi Fuchs bijvoorbeeld, die in New York als heel belangrijk gezien worden, nu ook hun steentje bijdragen aan de verbeiding van de Nederlandse kunst?

“Ja, die besprekingen zijn geopend. Verder heb ik een werkbudget voor "deskundigheidsbevordering'. Daarmee stuur ik mensen naar Nederland. Ze moeten er zelf ook wat aan meebetalen, het is immers ook in hun belang. Zo zijn bijvoorbeeld in mei drie Newyorkse theaterdirecteuren naar het Springdance festival in Utrecht geweest. Die hebben ook nog een heleboel andere voorstellingen gezien, geselecteerd door het Nederlands Theater Instituut.

Ze hebben op een stuk of tien groepen uit het zogenaamde Shaffy-circuit opties genomen. Het plan is nu - en dat is echt gebaseerd op hun initiatief - om in de volgende drie seizoenen een aantal van deze groepen langs zes theaters in het land op tournee te laten gaan.

En een direct resultaat van die reis op korte termijn is dat dit seizoen al een aantal groepen naar New York komt. Dat zijn ondermeer Scapino, Krisztina de Châtel, Bewegingstheater Heggen en Poelstra, Michel Matthews. En in het blad de Village Voice verscheen een positief verslag over het Springdance Festival van anderhalve pagina. Twintig kopieën daarvan hebben we opgestuurd naar weer andere theaterdirecteuren. Het reisgeld komt er zo wel uit, als je bedenkt wat een advertentie in de Village Voice zou kosten.

Het Corcoran Museum in Washington brengt in het voorjaar '93 een retrospectieve tentoonstelling van Marinus Boezem. De curator Terry Sultan kende zijn werk van de Biennale in Sao Paulo in '89. Zij schrijft ook voor tijdschriften als Art in America en Artforum. Ik suggereerde dat als ze nu toch voor Boezem naar Nederland ging, dat het dan leuk zou zijn om ook wat andere kunstenaars te bezoeken, om eens wat recensies te schrijven.

Zij is twee keer hier bij mij thuis geweest en heeft op basis van mijn catalogi zo'n achttien mensen geselecteerd. Daar vloeit weer uit voort dat zij een paar van die andere mensen denkt te kunnen opnemen in een groepsshow. Wij helpen haar dan zo'n tentoonstelling mogelijk maken, maar dan zeg ik weer: dan moet jij mij helpen om nog zo'n twee à drie andere musea in Amerika te interesseren voor een tournee. Zo probeer ik aan bestaande initiatieven een groter effect te geven.

Heel veel kunstenaars komen naar New York en bellen mij op met de geijkte vraag, Reyn, we zitten hier voor een paar weken, kun je ons helpen aan een tentoonstelling. Zo werkt het in Nederland niet, en hier helemaal niet. Als ik tijd heb, en ik ken hun werk niet, maar bijvoorbeeld wel het circuit waar ze inzitten, dan vraag ik ze documentatie achter te laten. Het beste is een catalogus, dat is hier het statusmiddel bij uitstek om serieus te worden genomen. Die kan ik dan soms weer aan bepaalde mensen laten zien. Zo is daar een paar keer een Amerikaans studiobezoek uitgerold.

Als een Nederlandse kunstenaar contact met een galerie heeft - hetzij door mijn bemoeienis, hetzij door initiatieven van een galerie of kunstenaar zelf - bel ik zo'n galerie op, nodig mensen uit, probeer ze over de drempel te krijgen door zo'n kunstenaar in een bredere context te plaatsen. Deze herfst komen er een aantal tentoonstellingen in galeries in SoHo. Ondermeer Edwin Janssen, die opent de nieuwe galerie Arena; Jos Vulto, bij Sandra Gering; Han Schuil bij Germans van Eck en After Nature, bij Daniel Newburg. Zo'n galeriepresentatie grijpen we dan weer aan om te proberen Nederlanders in groepsshows van musea te krijgen en in het circuit van de verzamelaars en de museumaankopen.''