Op zoek naar Uwe Johnsons Güstrow

De waard staat als een verweerde oude eik achter zijn tapkast. Traag maar zorgvuldig veegt hij het schuim van de kraag en zet het bier op het dienblad.

Zijn vrouw is klein en draagt windsels om haar voeten. Ze schuifelt moeizaam heen en weer tussen buffet en zware eikehouten stamtafel. Regensluiers hangen over het schiereiland Poel dat niet ver van de stad Wismar in de Lubecker Bucht ligt. Maar het gezelschap is vrolijk en luidruchtig. Die middag heeft voetbalploeg Hansa Rostock een huzarenstuk uitgehaald. Nota bene in Beieren is het gehate Bayern München onderuit gehaald. Het nieuwe Bundesland Mecklenburg-Vorpommern hoort er even echt bij. En daar wordt op geproost in dat Mecklenburgse dialect waar het Gronings doorheen schemert.

En dan valt plotseling tussen twee bestellingen door de naam Babendererde - wat zoveel betekent als "dicht bij de aarde' - en herinner ik me de schrijver Uwe Johnson die dezelfde stugheid had als de waard van "Die Insel' op het eiland Poel. Het vermoeden bestaat dat Johnson niet van voetbal hield. Ik ontmoette hem ooit in een kleine boekhandel in toen nog West-Berlijn. Een kolos van een man, beneveld en onbeholpen, tussen stapels boeken en bewonderaars. Zijn verschijning daar deed me onwillekeurig denken aan die van Heinrich Cressphall uit zijn debuutroman Mutmassungen über Jakob: “Heinrich Cressphall was een boom van een kerel met moeizame trage bewegingen, zijn hoofd een oude verweerde toren bedekt met kort grijs haar waardoor geen scheiding liep.” Een nieuw blad wordt naar het gezelschap gedragen. Nog een keer passeert de beslissende aanval de revue. De ook in Neerlands voetbalkringen niet bijster populaire libero Berthold laat zich de bal afsnoepen door invaller Babendererde die een medespeler aan het werk zet: 1:2 voor "die Werkselff' uit Rostock.

Het is laat geworden als de waard aanschuift aan mijn tafel. Hij likt aan het stompje potlood in zijn vuist en rekent op de pfennig precies af. Het tipgeld dat ik op tafel leg wijst hij stuurs van de hand. Ik dring niet aan. Zijn wereld, begrijp ik, is in zichzelf besloten en behoeft geen fooi. De volgende dag besluit ik een afsteker te maken naar Güstrow.

Ingrid Babendererde, Reifeprufung 1953 heet zijn postuum verschenen jeugdroman die zich afspeelt op de Middelbare School van het Mecklenburgse provinciestadje Güstrow. Na zijn eindexamen daar, op 18 juni 1952, studeerde Johnson Duits in Rostock en Leipzig en woonde hij achtereenvolgens in West-Berlijn, New York en Sheerness, Engeland. Daar werd hij op 12 maart 1984 dood aangetroffen in de parterre van zijn woning aan Marine Parade 26. In zijn werkbibliotheek in Sheerness “waar je nog de illusie kon hebben dat hier Mecklenburg ligt” stonden de archiefkasten met Mecklenburgiana, atlassen, naslagwerken, reisgidsen, spoorboeken, uittreksels uit de Lubecker Generalanzeiger, de complete jaargangen van Der Spiegel en het adressenboek van Güstrow waaruit Johnson de naam "Babendererde' had gehaald. Zijn bibliotheek, zijn tien meter lange werktafel en de achttiende-eeuwse landkaart van Mecklenburg die hij gebruikte voor zijn speurtocht naar het verloren land, staan nu in de kelders van het "Uwe Johnson-archief' in Frankfurt. Een Duitse academicus waakt er als een Cerberus over Johnsons nalatenschap.

De weg naar Güstrow - hij noemde het Jericho en situeerde het aan de veel zuidelijker gelegen Muritz See - is geplaveid met kinderkoppen. De mist hangt laag boven Johnsons geliefde Mecklenburg. Ik voeg de delen van zijn denkbeeldige landschap bij elkaar: een stadje, een meer, een zeilboot, wat bouwgrond en een spoorlijn. Een motorboot vaart door de ochtendnevel naar een klein stationnetje aan de overkant van het meer. Daar stopt twee keer per dag de sneltrein Rostock-Berlijn. Zo vluchtten Ingrid Babendererde en haar vriend kort voor het eindexamen naar het Westen. Ze sympathiseerden met de christelijk georiënteerde "Junge Gemeinde' en weigerden het blauwe tenue van de FDJ, de communistische jeugdorganisatie, te dragen. Zes jaar later vertrok ook Uwe Johnson. Hoewel hij zijn oversteek naar West-Berlijn geen emigratie of vlucht wilde noemen maar, fijntjes, “een verhuizing zonder toestemming van de Oostduitse autoriteiten”.

Alles lijkt zwaar in Güstrow. De beuken op het kerkplein, het meubilair en het bestek en de gebouwen - de kerk, de dom en de tegenover de dom liggende John Brinckmann-school - waar zich het conflict afspeelde dat Johnson in Ingrid Babendererde beschrijft - die van zware rode baksteen zijn opgetrokken. Zelfs de gipsen engelen aan het plafond van het slot van Güstrow dreigen elk moment neer te storten. Alles lijkt zwaar en in zichzelf opgesloten. Ook Ernst Barlachs De zwevende die als een zeppelin in het noordelijke schip van de dom hangt. Maar zo was ook Johnsons opus magnum, het vierdelige Jahrestage, over het leven van een Duitse vrouw in New York die haar dochter vertelt over haar jeugd in Mecklenburg, dat onbereikbaar is geworden.

Diezelfde autoriteiten die geen "toestemming' gaven voor zijn verhuizing zorgden ervoor dat zijn werk in de DDR lange tijd niet meer in druk zou verschijnen. Pas kort voor de "Wende' van 1989 verscheen bij Aufbau Verlag een bloemlezing. Eine Reise wegwohin is de titel. De plaatselijke boekhandels Kersting en Opitz hebben zijn boeken niet in voorraad. Hun etalages zijn gevuld met plaatjesboeken van verre landen en met herinneringen aan hoe het was in Oost-Pruisen. De Openbare Bibliotheek van Güstrow, gevestigd in een zijgebouw van het slot, heeft de Jahrestage, maar de bloemlezing vind ik in een kartonnen doos bij de restanten. Op het inlegvel staat geen uitleendatum. Alleen het stempel "ungultig'. Ik koop het boek voor een mark.