Militaire dienstplicht kan ook variabel worden gemaakt

In zijn Arte della guerra onderscheidde Niccolo Machiavelli (1469-1527) drie politieke voordelen van de militaire dienstplicht. Allereerst zag hij daarin een ferm obstakel voor iedereen die de macht wil grijpen, een operatie waarvoor onbetrouwbare huurlegers zich wel degelijk leenden. Bovendien meende hij dat dienstplicht burgerzin kweekt; het zou mensen respect voor autoriteit bijbrengen en hun een gemeenschappelijk doel bieden. Ten slotte zou dienstplicht goedkoper zijn dan het handhaven van een beroepsleger.

Ook nu nog is het pleidooi voor behoud van de militaire dienstplicht voor een belangrijk deel gegrond op de argumenten die Machiavelli formuleerde. De dienstplicht voorkomt dat zich binnen de krijgsmacht anti-democratische krachten groeperen en hij biedt jongeren geestelijke en lichamelijke vorming. Bovendien hoeven de arbeidsvoorwaarden niet concurrerend te zijn, waardoor een dienstplichtige nog altijd veel goedkoper is dan een beroepsmilitair.

Toch staat het instituut hevig ter discussie. Zozeer zelfs dat minister van defensie Ter Beek doende is een studiecommissie te formeren om te laten onderzoeken of de dienstplicht in zijn huidige vorm moet worden gehandhaafd. Als resultaat van een Kamermotie is de taak overigens verbreed en wordt ook volledige afschaffing in het onderzoek betrokken.

Dat de dienstplichtdiscussie losbarst, vloeit maar ten dele voort uit aantasting van Machiavelli's argumenten. De ontwikkelingen die het draagvlak van de dienstplicht aantasten, zijn allereerst van internationaal-politieke aard. De veranderde veiligheidssituatie maakt massalegers overbodig. De Defensienota rept van de behoefte aan een "flexibele, mobiele en multi-functionele' krijgsmacht. Volgens sommigen is er binnen zo'n "gewapend brandweerkorps' geen plaats meer voor dienstplichtigen: ze zijn ongemotiveerd, hebben veel te weinig tijd om vertrouwd te raken met "smart weapons' en willen bovendien alleen op basis van vrijwilligheid naar brandhaarden worden uitgezonden.

Een tweede aantasting van het draagvlak vormt de als onrechtvaardig ervaren verdeling van de dienstplichtlast. Tegenover het "maatschappelijk nut' staat een onevenredig groot individueel offer. Slechts één op de drie jongens gaat werkelijk in dienst en meisjes hoeven helemaal niet. Terwijl een oud-studiegenoot de eerste treden op de carrièreladder beklimt, poetst de dienstplichtige nogmaals zijn pistool. In een maatschappij waarin het individu voorop staat en collectieve belangen ondergeschikt raken, wordt de vertraging door steeds meer jongeren als een onacceptabele last ervaren.

Het zijn vooral deze twee factoren die de roep om afschaffing van de dienstplicht en invoering van een beroepsleger veroorzaken. De invloed van het opportunisme van sommige beroepsmilitairen en hun belangenbehartigers die op deze wijze de gevolgen van de noodzakelijke inkrimping van de krijgsmacht willen afwentelen, onderschatten wij daarbij geenszins maar nemen wij niet au serieux.

Toch is er het een en ander op deze overigens valide argumenten af te dingen. Het gemiddeld zeer hoge opleidingsniveau van Nederlandse dienstplichtigen stelt hen uitstekend in staat ook ingewikkelde opleidingen te volgen. Bovendien kan de invulling van de beschikbare tijd aanzienlijk efficiënter geschieden. Ook nu de minimale diensttijd met twee maanden is verkort tot twaalf maanden is verveling niet uitgebannen. Mochten er desondanks knelpunten blijven bestaan, dan kan voor sommige functies een verlenging van de diensttijd worden overwogen. De invoering van zo'n "variabele dienstplicht' moet dan wel met variabele en verbeterde arbeidsvoorwaarden gepaard gaan om ook voor dienstplichtigen een aantrekkelijk alternatief te vormen. Voor de eenvoudige functies - die zijn er helaas het meest - kan een ultra-korte basisopleiding van een maand of vier voldoende zijn. Snelle roulatie zou bovendien tot de inzet van aanzienlijk meer jongens (of misschien zelfs meisjes) leiden en zo de last eerlijker verdelen.

Verder zijn dienstplichtigen wel degelijk geschikt voor uitzending in geval van crisissituaties. In Libanon en onlangs in Turkije is dat aangetoond. Een gedegen opleiding en een uitgebreide voorbereiding zijn echter noodzakelijk. Voor de vorming van een apart VN (of WEU?)-detachement zijn zonder enige twijfel voldoende vrijwilligers beschikbaar. De huidige methode van recrutering - namelijk op het allerlaatste moment en zonder fundamentele voorlichting - dient echter te worden veranderd.

De ongelijke verdeling van de lasten voor het individu kan nog op andere dan de reeds genoemde manieren worden verminderd. Naast gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden moet worden getracht de dienstplicht een "meerwaarde' te geven. Goede studie- en vrijetijdsvoorzieningen zijn een vereiste. Bovendien kunnen de keuzemogelijkheden worden verbreed: een interessante functie met hogere verdiensten vergt een wat langere opleidingstijd.

Dienstplicht is geen ideaal middel. Maar voor de instandhouding van een sterke binding tussen de werelden voor en achter de kazernepoort is hij een uiterst krachtig instrument. In de loop der jaren zijn letterlijk miljoenen mensen rechtstreeks bij de krijgsmacht betrokken geweest. Hun ervaringen waren zeker niet altijd positief, maar leidden er in ieder geval toe dat burgermaatschappij en militaire maatschappij één geheel vormden. Een alternatief hiervoor laat zich niet eenvoudig bedenken. De dienstplicht-commissie kan zich niet beperken tot het voorstellen van lichte aanpassingen van het huidige systeem. De aantasting van het draagvlak moet worden gestopt en de eerder aangebrachte schade hersteld. Een recent opinie-onderzoek leert dat nog maar vijfendertig procent van de Nederlanders de dienstplicht wil handhaven, terwijl vijftig procent voor een vrijwilligersleger is. Een fundamentele aanpak is dus noodzakelijk. Nog één keer Machiavelli in I Discorsi: “De meesten prefereren een middenkoers, hetgeen erg schadelijk is”.

Foto: Dienstplichtigen in de kantine (foto Leo Vogelzang)