Festival geeft Musica Sacra liturgische functie deels terug; Hoe aards zijn de vreugdetonen?

Concerten: Musica Sacra. Gehoord: 20 t-m 22-9 op diverse locaties in Maastricht. Radio: De KRO zendt komende tijd verschillende concerten uit op Radio 4.

Op 't aardrijk juiche een vreugdetoon,- Een lofzang klinke in 's hemels woon;- De glorie der apostelschaar- zingt hemel nu en aard' te gaar.

Met deze hymne, gezongen door het Utrechts Studenten Gregoriaans Koor, begon vrijdagmiddag het eerste "concert' van het festival Musica Sacra in Maastricht. Concert mag ik eigenlijk niet zeggen, want de gregoriaanse melodieën werden gezongen tijdens de vespers, het namiddaggebed, in de Onze Lieve Vrouwe Basiliek.

De "concerten' van Musica Sacra zijn, een beetje naar het model van het Utrechtse Festival Oude Muziek, verdeeld over tweeëneenhalve dag van 's ochtends tot 's avonds laat. Net als in Utrecht wordt de muziek uitgevoerd in kerken, locaties die zelden voor concerten worden gebruikt. Maar in tegenstelling tot Utrecht krijgt een deel van de muziek zijn authentieke functie in de liturgie terug (een van de redenen dat alle concerten gratis toegankelijk zijn). Zo werden gisterochtend de vier delen van de Missa Brevis van Bernstein in de St. Servaasbasiliek (zonder Credo, want geloven in die betekenis deed Bernstein niet) afgewisseld door gebeden en preek.

Aardse vreugdetonen en hemelse lofzangen - daarover gaat het sfeervolle Maastrichtse festival, dat geheel gewijd is aan sacrale muziek. Gregoriaanse gezangen en Russische kerkmuziek worden afgewisseld met missen van Strawinsky en Britten, muziek op religieuze teksten van Petrassi en rituele dansen uit Ghana en Tibet.

Hoe aards zijn de vreugdetonen, hoe hemels de lofzangen? Het is een vraag die onherroepelijk tijdens het festival opkomt. In de toelichting bij Liturgien (1990), een groots opgezet koorwerk van Mauricio Kagel dat zaterdag zijn Nederlandse première beleefde, vraagt de componist zich af: “Heeft het gebruik maken van bijbelteksten op componisten zo'n wonderlijke invloed, dat geestelijke muziek spontaan ontstaat? Zijn religieuze gevoelens esthetisch neutraal of zijn zij aan bepaalde modellen gebonden?”

Kagel probeert in zijn oratorium-achtige werk te bewijzen dat de ware sacrale muziek mensen ongeacht hun sociale, nationale of religieuze achtergrond kan aangrijpen. Hij koos zelf teksten uit ondermeer de katholieke, Hebreeuwse, Arabische en Griekse traditie - een wat ouderwets aandoende methode - en verdeelde die over een tenor, een bariton, een bas en twee koren, begeleid door een omvangrijk orkest. Het resultaat is, ondanks een degelijke uitvoering door het Brabants Orkest onder leiding van Reinbert de Leeuw, eerder bombastisch dan spiritueel. Het mist de relativering en het spel met muzikale tradities, die zo typerend zijn voor de Argentijns-Duitse componist.

Net als Kagel was ook Strawinsky geïnteresseerd in de pure klank van de religieuze taal, maar de manier waarop hij in zijn Mis (1948) de woorden gebruikte, is een andere. Door zich te concentreren op de fonetiek, bewaarde Strawinsky afstand tegenover de inhoud van de tekst, want juist die objectivering heeft volgens de componist de religieuze muziek in het verleden ervoor behoed "te vervallen tot sentimentaliteit en bij gevolg tot individualisme'.

Strawinsky geeft een criterium, waarmee de ware musica sacra beoordeeld kan worden. De scheidslijn is scherp. Componisten die zichzelf - zoals op bepaalde momenten Britten, Goeyvaerts en Bernstein in hun mis - nadrukkelijk op de voorgrond plaatsen, klinken ineens ijdel en kitscherig. Of zou het betekenen, dat de geschiedenis nog niet zijn objectiverende werk heeft gedaan, zoals met de middeleeuwse en renaissancistische gezangen?

Dat ook die ijdel kunnen worden uitgevoerd, bewees Iégor Reznikoff. Hij zette zaterdagnacht als een ware heilsprofeet in een vrijwel duistere O.L.V. Basiliek gregoriaanse gezangen naar zijn hand. Wat een wereld van verschil met de Benedictijnen uit Vaals. In de kerk die werd ontworpen door de onlangs overleden monnik Dom Hans van der Laan zingen zij dagelijks hun hemelse lofzangen, zonder opsmuk en met de vanzelfsprekendheid die past bij het ritueel.

Even ben ik het festival ontvlucht om de zaterdagse vespers in het klooster bij te wonen. Plotseling werd de rust doorbroken. Van buiten klonk een gestommel alsof er een beeldenstorm op komst was. Na afloop van de vespers stonden in het kleine, intieme atrium stoelen opgesteld, muziekstandaards en in de hoek een grote trom. De harmonie van het nabij gelegen Nijswiller gaf 's avonds zijn jaarlijkse concert. Vanaf de balustrade, boven langs het atrium, luisterden de monniken naar de aardse vreugdetonen. Misschien ligt de ware spiritualiteit toch gewoon op straat.