De Taal van De Kunst; Vies

Een beknopte spraakkunst van de Hedendaagse Galerie-speak:

Bohémien. In het vocabulaire van de moderne kunstenaar: foute boel. Want de moderne kunstenaar is aangepast, zakelijk, sociaal vaardig en ruikt naar Antheus, nét naar terpentijn. De nieuwe After Nature schilders daarentegen cultiveren de oude bohémien-stijl juist weer.

Cash. Kunst is cash als hij goed in de markt ligt, veel geld oplevert. Uitsluitend gebruiken tegenover post-moderne kunstenaars die zich er niet voor generen verkoopbaar werk te maken. Meer traditioneel werkende schilders spreken liever van "toegankelijk'.

Expo. Kunst-afko. Niet te vaak gebruiken, maar een enkele keer terloops er tussendoor gegooid duidt op regelmatig galerie- en-of museumbezoek.

Frontaal. Vaak een eufemisme voor "plat'. Het werk ontbeert diepte, neigt naar de illustratie, het decoratieve.

Gáán. “Ik vind het iets te frontaal”, zegt de galeriebezoeker. “Ja maar het gáát over frontaal”, zegt de galeriehouder, “dus dat kan nauwelijks een plastisch bezwaar zijn.”

Gebeuren. Liefst moet er iets in een kunstwerk gebéuren. Dit mag best een gebeurtenis naar iets toe zijn: “In dit werk gebeurt toch iets meer naar het schilderen zelf toe.”

Geil. Heeft niets met erotische kunst te maken. Postmoderne kwalificatie voor brutaal, uitdagend werk dat de hebzucht opwekt. (zie vies).

Gelaagd. Sinds Roland Barthes & Co mag kunst niet meer te letterlijk zijn. Poly-interpretabel, meerduidig, opgebouwd uit betekenislagen, associatieniveaus, allemaal gunstig.

Gelikt. Stond ooit voor "onoprecht', "oppervlakkig', "behaagziek'. Maar kunst moet concurreren met andere communicatievormen en aangezien die steeds gelikter worden - reclame, tv, film - moet de kunst mee.

Glad. Niet goed. Te veel vorm, te weinig inhoud. Vrijwel uitsluitend gebruikt in combinatie met te. Kunst mag wel letterlijk glad zijn (zie huid), maar niet figuurlijk.

Goede smaak. Niet over beginnen.

Handschrift. Vrij universeel gebruikte term voor het eigene van de kunstenaar, vooral wat betreft uitvoering en techniek. “Ik zie hier toch wel een authentiek eigen handschrift ontstaan.”

Huid. Omdat het zo moeilijk is geworden over inhoud te praten wordt in de beeldende kunst van nu veel belang gehecht aan de afwerking, de finish van een werk. De huid.

Integer. Ai. Kan zeer hatelijk bedoeld zijn. Als het de gunstigste kwalifiatie is die een schilder krijgt moet hij misschien een ander vak zoeken, want eigenlijk betekent het gewoon saai. Integriteit is niet waar het in de kunst van nu om gaat.

Mager. Ander woord voor teleurstellend, mislukt, slecht. Kan ook als werkwoord gebruikt worden: “Die blauwe serie is nog wel wát, daarna vermagert het toch wel sterk.”

Mooi. "Mooi' in de galerie is als "lekker' in een vier-sterrenrestaurant: te simpel. Er moet gepraat kunnen worden en met "mooi' is het gesprek te snel afgelopen. Als bondigheid vereist is wordt "mooi' vervangen door "sterk'. “Een sterk werk.” (Verwarrend genoeg is het alternatief van de foodies voor "lekker' juist "mooi'. Een "mooie' wijn.)

Plat. Pas op. Kan namelijk "oppervlakkig', "oninteressant' betekenen, maar toen Rob Scholte zei dat het "platte schilderen' volgens een "platte logica' juist de kracht van zijn werk was, werd het een soort geuzen-term.

Prikkelend. “Prikkelend werk met een breed spectrum aan sluimerende mogelijkheden.” Er gebeurt iets, de kijker wordt geprikkeld. Waartoe blijft in het midden. Het werkt. “En als het werkt dan is het iets.”

Star. ? “Er zijn misschien structuren van samenscholingen of clusters, lijnen van expedities en trek, incidentele optredens van individuen en stars.” (Wim Beeren, directeur Stedelijk Museum) “Zozeer zijn de visuele stimuli een amalgaam van hoogwaardige unica en populaire stars.' (idem).

Vies. "Een lekker vies werk'. Kan heel gunstig bedoeld zijn.

Volstrekt. ? “Tegelijkertijd bezit het een volstrektheid die het doet delen maar niet gelijk doet zijn aan de gestrengheid van Mondriaans werk.” (Wim Beeren). Informatielijn Stedelijk Museum: 020-5732737