De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Maandagochtend vroeg. Er is genoeg licht om de guldens te zien liggen en te weinig wandelaars om ze op te rapen.

Ik doe mijn stille omgang langs de goten van de slapende stad. De laatste tijd is het aantal hondedrollen in de goot aanzienlijk gestegen. Hoeveel geldstukken zullen daardoor bedekt worden? Of schijt een hond liever niet op mijn grote hoop? Eenmaal trof mij het getwinkel van een zilveren duppie bovenop een, gelukkig al hardgebakken, krakeling.

Wat ligt daar? Daar ligt een kredietkaart. Een van de wonderlijkste voorwerpen ooit op aarde in omloop gebracht. Een rechthoekig plat plastic kaartje met ronde hoekjes van acht bij vijf centimeter, waar een nummer en een naam in blindenschrift op zijn aangebracht. Koning Midas zou er zijn lippen bij aflikken. Want zie hoe dit eenvoudige visitekaartje van de onuitputtelijke schatkist werkt.

Je stapt er een winkel mee binnen. De winkelier maakt een afdruk van nummer en naam - eindelijk: de gelddrukpers in je achterzak. Je imiteert de handtekening die op de kaart staat. De winkelier doet alsof het papiertje met de handtekening geld is. Je verlaat de winkel met je aankoop en je, in niets gewijzigde, kaartje.

Na de uitvinding van het buskruit was een lichte verbazing op zijn plaats dat er nog enig mens bleef in leven. Na de uitvinding van de auto is er verbazing dat er nog enig mens gaat ter voet. Maar na de uitvinding van de kredietkaart is de verbazing mondgapend dat er nooit een mens met die kaart alles en alles en alles koopt en koopt en koopt. Bij elke nieuwe uitvinding blijkt de mens bescheidener, beschaafder, beschetener.

Wat doe ik met mijn vondst? Er staat geen foto op. Waarom zou ik niet C. Cruys zijn met nummer 4.413.300.235.752.663? Op het kaartje staat niet hoeveel geld C. Cruys nog heeft. Een winkelier die wantrouwig is, kan de kaartenfabriek opbellen en vragen of de kaart als verloren is opgegeven en of er nog wel genoeg geld is. Ik kan dus niet zomaar auto's en vliegtuigkaartjes gaan kopen.

Bij welk bedrag zal een winkelier wantrouwig worden? Daar kan ik alleen achter komen door een medeplichtige, met een echte, eerlijke, ongevonden kaart. Die moet eerst de winkel in en een broek kopen. Is dat gelukt, dan kan ik met mijn oneerlijke, gevonden kaart net zo'n broek kopen. We hebben dan twee broeken voor de prijs van één. Mocht de broekenverkoper de kaartenfabriek bellen, dan zegt mijn medeplichtige: “O, nee, die broek zit me toch niet goed” of “staat me toch niet goed” of “ligt me toch niet”.

Dat wordt te ingewikkeld. Als je geld hebt, dan kan je veel geld verdienen, eerlijk of oneerlijk, dat weet ik wel maar daar heb ik niks aan. Ik ben een illegale armoezaaier en illegale armoe is wat ik oogst. Ik moet deze draagbare bankbiljettenpers voor een geeltje verkopen aan Odevio, een boef die ik ken. Odevio is niets slimmer of dapper dan ik, maar hij is gedoogd en gezoogd in Nederland, dus kan hij beter de Midaskaart als geldstukkenschijtend ezeltje berijden.

Ik kom langs mijn stamcafé. Dicht natuurlijk. Maar er brandt licht. Een meisje maakt de boel schoon. Ik tik op het raam. Ellie heet ze en “Wàt een rotzooi, dat krijg ik nooit schoon vóór achten en ik moet nog een proefwerk leren, en dat voor een armzalig geeltje,” zegt ze. “Een geeltje? Daar doe ik het graag voor! Geef mij zwabber en emmer maar.”

Ik zwabber en emmer en veeg en smeer en poets en doek en schuier en bezem. Tegen achten is de vloer blinkend, de bar stralend en alle tafeltjes glimmend.

“Smeer hem gauw”, zegt Ellie. “Want zo komt de baas en die denkt niet dat mannen kunnen schoonmaken. Dat geeltje geef ik je vanavond, als je hier komt.”

In één ochtend twee geeltjes verdiend, dat is achttien miel in het jaar, daarmee kan ik naar Amerika. Of moet ik mijn vriend Oko geloven die uit Moskou belt met de boodschap dat daar iedereen en alles omkoopbaar en te koop is? Voor iemand met ons talent, zei hij, is Rusland een paradijs. “En de rijen?” vraag ik. “Die zijn er binnenkort ook niet meer, want dan is er niks meer te koop.”

Wordt vervolgd