Cubanen verdienen vreedzame overgang naar democratie

Zeg wat je wilt van Fidel Castro, maar hij beschikt over een bewonderenswaardig retorisch talent. De Sovjet-Unie had nog niet te kennen gegeven haar troepen uit Cuba te zullen terugtrekken of hij kwam, vorige week zaterdag, met de eis dat de Amerikanen dan maar hetzelfde moeten doen. De marinebasis Guantanamo op de uiterste oostpunt van het eiland, die de VS zich na de oorlog met Spanje door een zelfbenoemde Cubaanse regering hebben laten verhuren, zou in hetzelfde tempo moeten worden ontruimd als de snelheid waarmee de Russen hun bommen, granaten en raketten weghalen.

Natuurlijk is deze eis in de eerste plaats een vernuftig politiek grapje van een machteloze leider. Maar in de tweede plaats is hij niet misplaatst. De Russen hadden niets te zoeken in Oost-Duitsland en Tsjechoslowakije. Daarom gaan ze nu ook weg. De Amerikanen hebben al evenmin iets op Cuba te maken. Verdwijnt met het vertrek van de naar schatting achtduizend Sovjet-adviseurs dan niet ook de raison voor de Amerikaanse bezetting van Cubaans grondgebied? Zijn de tweeduizend mariniers er niet even misplaatst als de Russen in Berlijn? Ik kan me niet voorstellen dat er in de Nieuwe Wereldorde plaats is voor het afkondigen van een economische blokkade tegen een land dat andere landen niet bedreigt. En er zijn vast geen serieuze militaire deskundigen te vinden die een nakende invasie van de Verenigde Staten door Cubaanse troepen voorzien. In dat geval breekt nood natuurlijk wet. In alle anderen gevallen heeft Castro, hoe vervelend we dat ook mogen vinden, gewoon gelijk.

Deze ene keer kunnen we hem dat ook best nog wel gunnen. Zijn dagen zijn immers geteld. De vraag is al geruime tijd niet meer of hij verdwijnt. Het gaat er nu alleen nog maar om hoe dat gebeurt, wanneer de omwenteling zich zal voltrekken en door welke nieuwe staatsvorm zijn grillige bewind zal worden vervangen. We kunnen ons bovendien afvragen welke rol het Westen in dat proces dient te spelen.

Wat de tien miljoen Cubanen verdienen, is een vreedzame overgang van dictatuur naar democratie volgens het model van Spanje, Chili of Tsjechoslowakije. Voor zover de buitenwereld dit soort overgangen positief heeft kunnen beïnvloeden, was het recept de laatste jaren ongeveer als volgt: geen totale isolatie van het te vervangen regime maar morele steun voor dissidenten, geen economische blokkade maar het vooruitzicht van economisch voordeel bij hervormingen, geen bijltjesdag maar de kans op een geruisloze aftocht voor de obsolete leiders. Het is een recept dat vooral door beleidsmakers in en om het Witte Huis die zichzelf politieke realisten achtten, steeds is verdedigd als de stick and carrot-methode. In het geval van Cuba lijkt het echter alsof Washington niets voelt voor een transitie maar alleen kan leven met een apocalyptisch einde van het huidige bewind. Cuba dient zich onvoorwaardelijk over te geven en als het hoofd van Fidel Castro op een zilveren schaal de Oval Room kan worden binnengedragen - dan ook graag dat nog, ja.

Op de één of andere manier wil het nooit helemaal lukken met het Amerikaanse beleid ten aanzien van de naaste buren. Misschien zijn ze gewoon te dichtbij en zijn de economische belangen er te groot of is er sprake van het gebrek aan respect dat nu eenmaal makkelijk ontstaat wanneer je de hele dag in iemands armoedige achtertuin kunt kijken en daar almaar de open vuilniszakken ziet staan. Zeker is in ieder geval dat Washington kan terugzien op een lange historie van ongelukkige en door weinig fraaie motieven ingegeven invasies (Guatemala, Grenada, Panama) en inmengingen (Chili, El Salvador, Nicaragua) in Latijns Amerika. Het is moeilijk vol te houden dat die bemoeienissen veel hebben bijgedragen aan het welzijn van de bevolking in de genoemde landen. In Grenada en Panama, om ons maar tot recente voorbeelden te beperken, wacht men nog steeds op de beloofde investeringen en op de Amerikaanse ontwikkelingshulp. Daarvan is men zich ten zuiden van El Paso over het algemeen heel goed bewust.

Onthullend in dit verband, en voor waarnemers uit Europa en de VS op het eerste gezicht maar moeilijk te begrijpen, is het enorme publieke enthousiasme dat Fidel Castro nog steeds ten deel valt als hij zich een keer op het vasteland vertoont. Vorig jaar in Brazilië en dit jaar tijdens de Ibero-Amerikaanse top was hij van alle verzamelde regeringsleider veruit degene die de meeste mensen op de been bracht. Ze kwamen niet om een bebaarde dinosaurus aan te gapen, maar om hem toe te juichen en op minutenlange ovaties te vergasten. Dat applaus was ongetwijfeld bedoeld voor de man die al meer dan dertig jaar dag in dag uit de machtigste staat ter wereld uitdaagt en er als enige in deze regio tot op heden in slaagt om dat waagstuk te overleven. Applaus voor een politieke schelm kortom.

Aan de andere kant heeft de nog steeds niet gedoofde sympathie voor het Cubaanse staatshoofd ook te maken met onvrede over de uitzichtloze alledaagse werkelijkheid van Latijns Amerika. Met hetzelfde sentiment dus dat uiteindelijk ook de volkeren van Oost-Europa in beweging heeft gebracht, zij het in tegengestelde richting. Kapitalisme is in Latijns Amerika al sinds mensenheugenis de norm, maar voor veel mensen werkt het eenvoudig niet. De zegeningen van de vrije markt en de dogma's van de Chicago School bereiken op de één of andere manier nooit de sloppenwijken. Dan is het verleidelijk om het op afstand gelegen Cubaanse experiment nog steeds als de vervulling van een utopie te blijven zien.

Alleen de Cubanen zelf weten uit ondervinding dat hun systeem óók niet werkt, al is het volstrekt onjuist om te beweren dat ze “dertig jaar achteruitgang in hun levensstandaard” achter de rug hebben, zoals onlangs op deze pagina te lezen stond. Honger wordt er op Cuba nog steeds niet geleden, maar het voedsel is er op de bon, de categorie niet verkrijgbare "luxe goederen' is inmiddels wel heel erg uitgebreid geraakt en voor de winkels staan de rijen die ons collectieve denkraam automatisch met het begrip "planeconomie' associeert. Het gebrek aan elementaire levensbehoeften is echter vooral een verschijnsel van de laatste twee jaar, sinds de schaarse bondgenoten van Havana hun handen vol hebben aan zichzelf. In de afgelopen dertig jaar zijn ook meetbare verbeteringen bereikt, met name op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg.

Toegegeven: die gratis gezondheidszorg en het prachtige onderwijs werden ook altijd van stal gehaald door degenen die de DDR als arbeidersparadijs probeerden af te schilderen. Het argument is daardoor enigszins in diskrediet geraakt. Toch snijdt het in het geval van Cuba wel degelijk hout, want Europa is nu eenmaal Latijns Amerika niet. Het voormalige Oost-Duitsland spiegelde zich met recht aan de Westelijke wederhelft, waar het met alfabetisering en artsenij helemaal niet zo beroerd was gesteld. Hongarije heeft groot gelijk als het zich zijn vooroorlogse historie voor de geest haalt en niet inziet waarom Boedapest na Jalta niet dezelfde ontwikkeling had kunnen doormaken als, bijvoorbeeld, Wenen. Ook voor Cuba ligt het vergelijkingsmateriaal naast de deur. In Haïti bijvoorbeeld, dat, hoe dichtbij de kust van Florida ook mag lijken, nog altijd veel dichterbij ligt en niet bepaald een nastrevenswaardig voorbeeld biedt. Ook in New York is de kindersterfte trouwens hoger dan in Havana of Santiago. Dat is geen propaganda van Castro. Dat zegt de WHO.

De huidige economische crisis, die het gezag van de lider maximo gestaag ondermijnt, vertoont alle symptomen die we ook kennen uit het failliete Oost-Europa met zijn gebrek aan persoonlijk initiatief, zijn falende distributie, zijn opgeschroefde verwachtingen en zijn achterblijvende resultaten. Maar er komt iets bij. Dat het land afhankelijk is geraakt van de verkoop van suiker aan de Sovjet-Unie tegen overdreven prijzen en de levering van ruwe olie door diezelfde voormalige wereldmacht kan namelijk moeilijk worden aangemerkt als een typisch staaltje van ondoelmatige planeconomie. De meest logische afzetmarkt voor het Cubaanse suikerriet ligt in de VS en ruwe olie zou het land ook het makkelijkste vandaar (en uit Mexico en Venezuela) kunnen betrekken. Vòòr de revolutie kwam 75 procent van de Cubaanse export en 65 procent van de import tot stand in het handelsverkeer met de VS. Ideologische motieven staan echter sindsdien het functioneren van de vrije markt in de weg. Ideologische motieven, van Washington welteverstaan. De omweg via de Sovjet-Unie is een gevolg van de Amerikaanse handelsblokkade - niet omgekeerd.

In een studie over de toekomst van de Cubaanse economie die werd gemaakt in opdracht van het Amerikaanse Congres werd al in 1982 voorspeld dat die Sovjet-hulp op een dag zou afnemen of verdwijnen en dat dan de Amerikaanse boycot “een cruciale belemmering” zou blijken voor de overlevingskansen van het eiland, dat nu eenmaal niet zonder buitenlandse handel kan bestaan. Castro's enige kans op overleven zou dan het opleggen van een schaarste-scenario aan zijn bevolking zijn. In dat stadium bevinden we ons nu.

De gangbare gedachte is dat Castro niet van plan is een duimbreed toe te geven en als de laatste onversneden marxist-leninist de geschiedenis in wil gaan. Gelukkig is dat niet helemaal waar. "Patria o muerte" roept hij weliswaar nog steeds aan het eind van zijn toespraken, maar dat is een kreet die niet naar de communistische internationale maar juist naar de nationale soevereiniteit verwijst. En intussen zijn er wel degelijk scheuren aan te wijzen in de Cubaanse orthodoxie. Spaanse ondernemers openden vorig jaar het eerste met buitenlands geld gefinancierde hotelcomplex in Varadero en ze mogen de helft van hun winst naar het buitenland terugsluizen; Franse en Italaanse touroperators verzorgen reizen ernaartoe. Canadese en Franse oliemaatschappijen hebben vergunning gekregen voor proefboringen op en om het eiland; een karwei dat voorheen door Russen en Roemenen werd gedaan. Het doorgaans betrouwbare Spaane dagblad El Pais meldde eind augustus dat Mexico bereid is ruwe olie te leveren aan de Cubaanse raffinaderijen wanneer Moskou de leveranties volledig staakt; vooruitlopend hierop zou de Mexicaanse staatsoliemaatschappij Pemex dit voorjaar al zijn begonnen met de verkoop van smeerolie en zwavel voor de bereiding van kunstmest. Daar moeten dan wel betaling in harde valuta en andere concessies tegenoverstaan - en kennelijk is Castro tot concessies bereid.

Twee keer heeft Havana dit jaar een verzachting aangebracht in de voorwaarden voor een uitreisvisum zodat nu in principe alle meerderjarige Cubanen vrij zijn hun land voor kortere of langere tijd te verlaten. Washington heeft daarop gereageerd met een "tijdelijk' inreisverbod. Van vrijheid van meningsuiting is in de Cubaanse politiestaat nog altijd geen sprake, maar afgaand op rapporten van mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en America's Watch is de toestand niet meer zo mensonterend als tien en twintig jaar geleden. De dichter Heberto Padilla is vorig jaar gevraagd een reeks lezingen in zijn geboorteland te houden. En met Mario Chanes de Armas is deze zomer de laatste van de plantados, de langgestrafte politieke gevangenen die weigerden zich aan het gevangenisregime aan te passen, vrijgelaten. Het is allemaal niet genoeg, maar toch wel iets.

De belangrijkste ontwikkeling lijkt het ontkiemen van een bescheiden burgerrechtenbeweging in Cuba zelf. De christendemocraat Gustavo Arcos (voormalig ambasadeur in Brussel en Den Haag maar al in de jaren zestig wegens zijn "incorrecte opvattingen' in ongenade gevallen en voor negen jaar vastgezet) wordt weliswaar nog steeds getreiterd en gepest, maar ondervindt geen belemmeringen meer bij het ontvangen van de tientallen buitenlandse journalisten die hij onderricht over het abjecte karakter en de naderende val van het regime. Samen met de oud-hoogleraar in de marxistische wijsbegeerte Elizardo Sanchez Santa Cruz, in mei jongstleden vrijgelaten na achtenhalf jaar gevangenschap, richtte hij enige weken geleden een Democratisch Platform op, waarbij dissidenten van diverse richtingen zich hebben aangesloten. Volgens de beide aanvoerders geniet hun organisatie ook de steun van velen binnen het leger en de communistische partij. Sanchez werd tot zijn eigen verbazing in staat gesteld naar de Verenigde Staten te reizen voor gesprekken met leden van het Congres en kon daarna weer terugkeren naar Havana.

In een vraaggesprek met El Pais vergeleken Arcos en Sanchez niettemin de huidige toestand in Cuba met die in Roemenië vlak voor de val van Ceaucescu. Naar hun mening zou het buitenland kunnen bijdragen aan het voorkomen van een bloedbad door steun te geven aan de democratische oppositie en door het opheffen van het handels-embargo dat vooral de allerarmsten treft en de onderlinge tegenstellingen in Cuba steeds verder op de spits drijft. Volgens een andere dissident, de in ballingschap verblijvende liberaal Ramon Cernuda, heeft het geen zin “de democratie uit de loop van een geweer te laten komen”. Wanneer de VS Moskou zouden dwingen zich bij de boycot aan te sluiten, zou dat “een misdaad zijn tegen het Cubaanse volk”.

Helaas lijkt Washington niet van plan gehoor te geven aan de verzoeken van Arcos, Sanchez, Cernuda, Padilla, Hubert Matos of Carlos Alberto Montaner. Zowel Bush als zijn voorganger Reagan hebben al hun kaarten gezet op de in Miami gevestigde rechtse ballingenorganisatie Fundacion Cubano Americano, die wordt geleid door de zakenman Jorge Mas Canosa en iedere twee jaar goed is voor stevige bijdragen aan de verkiezingscampagnes van Republikeinse politici. Mas Canosa is een veteraan van de Varkensbaai-invasie, al bereikte zijn schip destijds het strand niet, en ziet zichzelf als de volgende president van Cuba. Met het oog daarop heeft hij zich ook al een ambtsvoertuig aangeschaft: de gepantserde Mercedes van oud-dictator Somoza. Onder leiding van Mas Canosa is een gedetailleerd reddingsplan opgesteld voor de Cubaanse economie na Castro, waarin de bouwvergunningen voor hotels en restaurants, de Chevrolet-dealerschappen en Burger King-franchises al volledig zijn toegewezen. Aan ondernemers die nu nog in Florida wonen, uiteraard.

Een triomfantelijke intocht van extreem-rechtse politici en de met hen bevriende ondernemers onder Amerikaanse hoede is het allerslechtste wat de Cubanen kan overkomen. Gewapend verzet van communisten en van bevolkingsgroepen die er onder Castro wel degelijk op vooruit zijn gegaan, zoals de negers, is dan praktisch gegarandeerd. Evenals de daaropvolgende gewelddadige onderdrukking. Cuba zou de kans moeten krijgen op behoud van de paar verworvenheden die het nog steeds tot een positieve uitzondering in het Caraïbisch gebied maken en daarbij de beschikking moeten krijgen over de economische en politieke vrijheid die we in het Westen zijn gaan beschouwen als essentiële en onvervreemdbare rechten van de mondige mens. Fidel Castro is een politiek fossiel, een overblijfsel uit de tijd van de Koude Oorlog. Dat hij zijn retoriek en zijn argumenten nog altijd aan die periode ontleent, mag voor het Westen geen reden zijn zich even halsstarrig en archaïsch op te stellen. Het mag er nu niet om gaan een laatste prestigeslag te winnen tegen een vijand die allang op de knieën ligt. Washington kan het zich makkelijk veroorloven zijn troepen terug te trekken en het handels- en personenverkeer vrij te geven. Het enige richtsnoer voor de Westerse politiek tegenover Cuba hoort nu het belang van de tien miljoen Cubanen te zijn.

Foto's: Bij de Cubaanse bevolking is de lider maximo, Fidel Castro nog steeds populair (foto Piet den Blanken) Ontmoeting van Fidel Castro en de Mexicaanse president, Carlos Salinas bij de opening van de Latijns-Amerikaanse top in Mexico in juli 1991 (foto Reuter)