Akkoord over criteria invoering één munt; EG zet cruciale stap naar monetaire unie

APELDOORN, 23 SEPT. De ministers van financiën van de Europese Gemeenschap hebben zaterdag op hun informele bijeenkomst in Apeldoorn een beslissende stap gezet in de richting van de Economische en Monetaire Unie (EMU).

Ze zijn het eens geworden over de beginselen die zullen gelden bij de overgang naar de derde fase van de EMU als in alle landen van de EG één munt zal gelden, beheerd door één centrale bank.

Twee weken geleden was een Nederlands voorstel voor een tekst over het eind dit jaar goed te keuren EMU-verdrag op groot verzet van Italië gestuit, omdat dat plan neerkwam op een Europa van twee snelheden: zes landen die aan strikte economische en monetaire criteria zouden voldoen zouden eind 1996 kunnen overgaan naar de derde fase van de EMU.

Op basis van een Belgisch compromisvoorstel hebben de ministers in Apeldoorn besloten dat straks in de derde fase van de EMU alle twaalf landen betrokken zullen blijven bij de besluitvorming, ook de landen die niet onmiddellijk kunnen deelnemen aan de EMU. Voor die landen zullen tijdelijke uitzonderingen gelden, maar zij zullen wel zitting hebben in het bestuur van de nieuwe centrale bank, al zullen ze daar alleen de rol van toehoorder hebben.

Besloten is dat de beslissing om over te gaan naar de derde fase genomen zal worden door de Europese Raad, de halfjaarlijkse bijeenkomst van het Franse staatshoofd en de Europese regeringsleiders. De Europese Raad neemt besluiten met eenstemmigheid. Maar de Europese Raad zal het besluit over de overgang naar één munt nemen op basis van een gekwalificeerde meerderheidsbeslissing van de ministers van financiën, en na rapporten van de Europese Commissie en het Europees Monetair instituut. Dit instituut treedt in werking in het begin van de tweede fase van de EMU in 1994 en dient als voorloper van de uiteindelijke Europese centrale bank.

Op voorstel van België is het minimum aantal deelnemers bij het begin van de EMU uitgebreid: niet zes, zoals in het Nederlandse voorstel, maar zeven landen.

Minister Kok, de voorzitter van de bijeenkomst in Apeldoorn, noemde het feit dat er consensus was bereikt zaterdag een “aanzienlijke stap vooruit”. “Er is vandaag stevige toenadering gebleken, op basis waarvan weer nieuwe teksten kunnen gemaakt.” De definitieve tekst voor het EMU-verdrag zal eind oktober op tafel komen.

Pag.11:

Optimisme Kok over EMU in 1997

Kok meende dat er na “deze oefening in consensusvorming” nu geen enkele reden meer is om te zeggen dat 1997 te vroeg is: “Laten we alles doen om ervoor te zorgen dat de convergentie beter wordt.” Het aantal landen dat direct aan de EMU zou kunnen deelnemen zou, zo zei Kok, uiteindelijk “afhangen van de prestaties”. Het begrip “twee snelheden” had, zo gaf de minister toe, een negatieve klank: “Het gaat er niet om dat we afscheid nemen van de zwakkeren, ze blijven in de familie, maar er wordt alleen erkend dat sommigen niet aan de maat zijn.”

De Duitse minister van financiën, Theo Waigel, meende overigens dat de objectieve criteria die gelden bij de overgang vaan de EMU niet “mechanisch” gehanteerd moeten worden, maar dat er “politieke speelruimte” moet zijn om te bepalen welke landen wel en welke niet mee kunnen doen.

De nieuwe president van de Duitse Bundesbank, professor Helmut Schlesinger, legde er, net als zijn voorgangen Karl Otto Pöhl, de nadruk op dat de kwaliteit van de ecu niet minder mocht zijn dan die van de huidige sterkste munt, “liever nog iets beter”.

De Britten ten slotte zullen, zo is de verwachting, meer moeite hebben om mee te gaan met de consensus van Apeldoorn: het “tijdelijke” uitzonderingsregime voor landen die niet direct met de EMU meedoen impliceert immers, zo zei minister Norman Lamont, dat zij zich wel verplichten tot latere deelneming.