WOELIG KOLKENDE HISTORIOGRAFIE

Geschiedschrijving in de twintigste eeuw. Discussie zonder eind onder redactie van Herman Beliën en Gert Jan van Setten 444 blz., Agon 1991, f 49,50 ISBN 51 57 103 8

Geschiedenis is de geestelijke vorm, waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden. Die woorden van Johan Huizinga hebben de samenstellers van het zojuist verschenen Geschiedschrijving in de twintigste eeuw wellicht voor ogen gehad. En: geschiedenis is een discussie zonder eind, want dat adagium van Pieter Geyl kozen ze als ondertitel. Misschien hebben zij een boek willen maken vol culturele rekenschap en opwindende debatten.

Misschien zelfs wel een boek over de moderne historiografie als intellectuele worsteling om de erfenis van Leopold Ranke, Jules Michelet, Max Weber, Karl Marx en Emile Durkheim. Een boek over de historische produktie in onze eeuw ""als het resultaat van een voortdurende discussie over de grondslagen van het vak'', met in de hoofdrol historici die laveren tussen de debris van ineenstortende ideologie"en.

Zo'n boek is Geschiedschrijving in de twintigste eeuw niet geworden. Hoewel de samenstellers schrijven de ""woelig kolkende oppervlakte'' van de geschiedschrijving in kaart te willen brengen, kan de lezer niet ontsnappen aan de gedachte dat dit een bundeling is van colleges historiografie voor eerstejaars studenten. Competente en merendeels niet oninteressante colleges, maar wel colleges die sleets zijn van geregelde voordracht, colleges waarin de polemiek is teruggebracht tot uittreksels van de boeken ""die debat hebben uitgelokt'', zonder dat een oordeel wordt geveld. Dit werk is, kortom, meer een syllabus dan een boek.

VERGELIJKING

Redelijk gekende Nederlandse historici als Chris Lorenz, Peer Vries, Piet Blaas, Leen Dorsman en Herman Beliën, alsmede de talentvolle Belg Jo Tollebeek leverden bijdragen aan Geschiedschrijving in de twintigste eeuw, dat wat betreft opzet en indeling sterk doet denken aan het standaardwerk van George G. Iggers New Directions in European Historiography (1975, herziene editie 1984). Hoewel dat boek slechts tweemaal en passant wordt genoemd in deze bundel kan het een vergelijking met het hier gebodene tamelijk moeiteloos doorstaan.

Geschiedschrijving in de twintigste eeuw neemt als uitgangspunt Leopold von Ranke (1795-1886), de grondlegger van de "objectieve' en wetenschappelijke benadering van het verleden, de ""vader van de kritische geschiedbeoefening''. De door hem vormgegeven benadering van het verleden was immers het vertrekpunt voor de ontplooiing van de geschiedschrijving in Duitsland, Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten. Veel van de latere historiografische ontwikkelingen zijn ontstaan uit onvrede over, of in discussie met het Rankeaanse model. Rond de eeuwwisseling woedde in Duitsland een regelrechte "methodenstrijd' tussen de aanhangers van Ranke en strikte positivisten onder aanvoering van Karl Lamprecht, een strijd die ook in Nederland de gemoederen beroerde. Maar Nederlandse historici komen er in dit boek zeer bekaaid af, afgezien van Johan Huizinga (die Lamprechts positivisme ""door en door verouderd'' noemde) wiens visie op de overgang tussen middeleeuwen en renaissance in een aardig, maar geïsoleerd exposé kort behandeld wordt.

Blijft over: een tocht langs gebaande paden. Via het marxisme, de triomfen van de Franse "Annales'-stroming, de lotgevallen van de Britse liberaal-finalistische "Whig-interpretation' van de geschiedenis, de discussies inzake Duitslands "Sonderweg', inclusief de recente Historikerstreit, eindigt de tocht met een snufje vrouwengeschiedenis, een kruimeltje ideeëngeschiedenis, een forse scheut opkomst en ondergang van de geschiedenis als sociale wetenschap en als apotheose de veelgeroemde terugkeer van het "verhaal'.

Het is erg veel. Tegelijkertijd is het te weinig, want wat de samenstellers in dit boek als geschiedschrijving van de twintigste eeuw presenteren, is in wezen maar een beperkt onderdeel daarvan. Er is weinig te lezen over de geschiedschrijving van de middeleeuwen (afgezien van de bekende publiekssuccesen als Montaillou van Le Roy Ladurie), nauwelijks wat over eigentijdse economische geschiedschrijving, en al helemaal niets over de Oude Geschiedenis, juist een vakgebied waar alle ideologische en methodologische discussies van deze eeuw zijn terug te vinden. Aandacht voor de geschiedschrijving van de oudheid had de samenstellers er wellicht ook voor kunnen behoeden bij hun behandeling van de invloed van de antropologie juist die ene naam te vergeten die zo belangrijk is geweest voor Franse en Britse historici: Claude Lévi-Strauss.

MICRO-STUDIES

De boodschap van Geschiedschrijving in de twintigste eeuw is, als ik het goed begrijp, dat na alle commotie over "structuren', "conjuncturen' en "modellen' in de jaren zestig, ten slotte de "narratieve' ofwel verhalende geschiedschrijving heeft getriomfeerd (""over de hele linie van de geschiedbeoefening'' nog wel, schrijft Peer Vries). Voorbeelden daarvan zijn de succesvolle micro-studies over één gebeurtenis (zoals in De zondag van Bouvines, 27 juli 1214 van Georges Duby), één dorp (zoals in Montaillou) of één gezin (zoals in De terugkeer van Martin Guerre van Natalie Zemon Davis). Bovendien is er in het algemeen een sterk gegroeide ""aandacht voor het mentaalculturele, het streven het verhaal te laten zien door de ogen van de historische actor, de grote nadruk op verhalend-literaire presentatie en het sterk relativeren van de wetenschappelijkheid der geschiedenis''.

Afgezien van dat laatste (bedoeld is waarschijnlijk: ""de relativering van de toch al door geen enkele historicus meer aangehangen natuurwetenschappelijke pretenties''), is dit allemaal waar. Maar: wat betekent het? Het betekent dat in dit boek nog bijna letterlijk de stelling wordt betrokken die de Engelse historicus Law-rence Stone in de jaren zeventig verdedigde met een geruchtmakend artikel over "The revival of the narrative'. Maar behalve het aansprekende etiket "narratieve geschiedschrijving' is het bij nader toezien niet echt duidelijk wat dat artikel te bieden had. ""Narratief is bedoeld als een codewoord'' dat ""het einde van een tijdperk'' moest aanduiden, schreef Stone wat schaapachtig. Later heeft hij zich juist in scherpe kritieken afgezet tegen wat hij zag als de "arrogantie' van sommige verhalende geschiedschrijvers die ten onrechte claimden het speelveld voor zich alleen te hebben. Tegenwoordig spreekt Stone ter omschrijving van de moderne multidisciplinaire benadering van het verleden over "new history', een prettig nietszeggend begrip dat al veel vaker is gebezigd, zoals in 1912 in een polemisch manifest van de Amerikanen James Harvey Robinson en Charles Beard.

Terecht vermeldt Peer Vries dan ook in Geschiedschrijving van de twintigste eeuw dat de term "verhalende geschiedschrijving' zo rekbaar is dat afbakening onmogelijk lijkt. Het is de vraag of het dan nog zin heeft het begrip te gebruiken. Dezelfde verwarrende situatie speelt bij de modieuze begrippen "mentaliteitsgeschiedenis', "cultuurgeschiedenis' en "historische antropologie'. In dit boek worden ze nu eens als afzonderlijke "historische disciplines' opgevoerd, dan weer als inwisselbare benamingen voor multi-disciplinaire benaderingswijzen van de cultuur in het verleden in de breedste zin van het woord: ""De grenzen zijn zeer vaag geworden,'' heet het.

Dat laatste lijkt me een juiste observatie. De tegenwoordige geschiedschrijving is door de veelheid van aangesneden onderwerpen en benaderingen bijna amorf geworden. Bovendien zoekt bijna iedere historicus inspiratie bij een breed scala aan belendende vakgebieden: sociologie, antropologie, geografie, archeologie, letterkunde, computerkunde. En dan niet uit ideologische of programmatische overwegingen maar puur uit pragmatische motieven: de huidige geschiedschrijving gaat eenvoudigweg op alle mogelijke manieren over alle mogelijke onderwerpen. Steeds opnieuw blijkt hoe moeilijk het is die historiografische veelvormigheid te vangen met onderhand betekenisloze termen als "mentaliteitsgeschiedenis', "cultuurgeschiedenis' of "integrale geschiedenis'. En waarom zouden we dat ook willen, behalve om weer een nieuw universitair mausoleum te maken?

Veel belangrijker is, en dat zou men welhaast vergeten bij lezing van deze bundel, dat de geschiedwetenschap mondiaal gezien eigenlijk al sinds de jaren zestig gouden tijden doormaakt. Afgezien van de ""woelig kolkende oppervlakte'' is er een brede onderstroom van uitmuntende interdisciplinaire geschiedwetenschappelijke produktie waar de etiketten er minder toe doen, maar de argumenten juist des te meer.

Historici leven in een eclectische tijd, en ze weten het. Je zou bijna geneigd zijn de huidige geschiedschrijving als "postmodern' te benoemen. En dan zou Huizinga, met zijn opvatting van geschiedenis als ""de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden'' toch weer gelijk hebben.