"We zijn van de PTT, dachten die lui arrogant, slechte Duitsers dus'

Eind 1988 werd HENNIE KUIPER binnengehaald als dé geschikte man voor de wielerformatie Stuttgart. Als ploegleider mocht hij aan het werk met een reeks jonge vooral Duitse coureurs. Sinds vorige maand weet hij dat hij weg moet.

De boerderij van zijn ouders werd in de oorlog tot twee keer toe beschadigd. Bij de eerste bomaanval van de Duitsers sprongen alle ruiten, maanden later zorgden hevige trillingen ervoor dat alle pannen van het dak vlogen. Zijn oudere broer weet nog precies hoe de bezetters in kolonnes met gestolen paarden, wagens en koeien wegvluchtten over de brug bij Denekamp, die ze vervolgens opbliezen. Drie meisjes en twee jongens - allen overigens ongeneeslijk ziek - uit het grote gezin Kuiper kwamen tussen '40 en '45 om het leven.

Tegen die achtergrond zou het niet vreemd zijn wanneer Hennie Kuiper, geboren in 1949, een flinke antipathie tegen Duitsers had. Toch is dat niet het geval. Hij heeft zelfs een bijzondere band met het land, waar hij in 1972 (München) Olympisch kampioen werd. Hij maakte na die triomf zijn profdebuut bij de Duitse formatie Rokado en kort na het beëindigen van zijn carrière werd hij eind 1988 ploegleider, bij de Duitse stal Stuttgart, die dit jaar is omgedoopt in Telekom. Kuiper (“in het westen is de haat tegen de Duitsers veel groter dan in de grensstreek”) zegt dat geen mens in zijn familie zich heeft gestoord aan zijn innige omgang met de oosterburen.

Die houding is mede het gevolg van de opvoeding. Nooit heeft hij zijn getroffen ouders negatieve opmerkingen horen maken over de bezetters. “Mijn vader ontfermde zich voor de bevrijding over een Canadese parachutist, die zat te huilen als een klein kind. Was het een Duitser geweest, dan had hij hem vermoedelijk ook opgevangen. Een Canadees of een Duitser, zo vonden ze bij ons thuis, beiden zijn soldaat, beiden zijn gedwongen zich als een beest te gedragen. Het zijn zulke maffe dingen, kijk naar Vietnam, Irak, Noord-Ierland. En naar Joegoslavië. Laatst zag ik een Joegoslavische op de televisie. Haar ene zoon, vertelde ze, vocht bij de Kroaten, de andere in het federale leger. Vreselijk. Ik ben geweldig tegen oorlog, ik zou meteen de witte vlag hijsen.”

Kuiper heeft intussen ervaren dat er twee soorten Duitsers zijn. Degenen die zich superieur voelen aan de rest van de mensheid. “Die roepen: Wir haben alles bei uns unter im Keller. De slechten, je kent ze wel. Gelukkig is er ook een andere, grotere groep. Die is eenvoudiger, rustiger, serieus.” Die mensen herkende hij in de ploeg, die hij bijna drie jaar diende. En waarvan de leiding hem nu de laan uitstuurt. Hij is verschrikkelijk teleurgesteld. Voelt zich bedrogen. “En dat allemaal door een paar mensen.”

Kuiper stelt voor bij het begin te beginnen. In 1988 stond de veteraan nog als renner onder contract bij Histor, toen hij werd gebeld door een oude bekende: Winfried Holtmann. De eigenaar van Holtmann VIP (Verantstaltungen, Informationen und Presse) meldde trots dat hij er eindelijk in was geslaagd zijn grote wens te verwezenlijken: het vinden van een sponsor (de gemeente Stuttgart) voor een Duits wielerteam. En, zoals ooit plechtig beloofd, nodigde hij Kuiper uit ploegleider te worden.

De Nederlander ging akkoord en toog naar Duitsland waar hij twaalf “jonge honden” aantrof, voornamelijk Duitse neo-profs. Hij ging aan de slag met een driejarenplan: een leerjaar, een gezellenjaar en een jaar waarin de aansluiting met de top moest worden gerealiseerd. Na één competitie maakte hij samen met Holtmann de balans op. “We hebben weinig gewonnen, maar allemaal veel opgestoken”, concludeerde het duo. Het had ontdekt dat de komst van enkele routiniers zeer wenselijk was. De keuze viel op Ad Wijnands, later op Erwin Nijboer en Ludo Peeters.

Stuttgart had liever gezien dat Olav Ludwig en Uwe Raab uit de DDR waren gecontracteerd. Kuiper: “De Muur stond er toen nog. Met het aantrekken van die twee had de sponsor geweldig kunnen scoren. Zoals de stad ook wilde pronken met de organisatie van de Olympische Spelen in 2000.” Kuiper voelde de eerste kritiek. “We grepen mis met Ludwig. We waren rond met hem, maar zijn manager, nota bene een bestuurslid van de Duitse wielerbond, zei tegen Ludwig: "je moet niet naar Stuttgart gaan, maar naar Post'. Zo reed hij niet alleen het Duitse wielrennen in de wielen, hij stak ook nog even een flink percentage van het transfergeld in zijn zak. Een slechte Duitser dus.”

Nieuwkomer Wijnands was een succes. Hij boekte in 1990 twee overwinningen in semi-klassiekers, Stuttgart won twee ritten in de Spaanse Vuelta en Udo Bölts werd Duits kampioen vóór Ludwig. Kuiper kon terugzien op een goed jaar, maar hij kende ook problemen. “De opkomst van de FICP-punten bezorgde ons klappen. We hadden er gewoon te weinig, vandaar dat we de Ronde van Vlaanderen en Milaan-Sanremo niet in kwamen.” Het bereiken van de top, het grote doel van de competitie '91, haalde Kuipers ploeg niet. Het seizoen begon goed met de zege van Wijnands in de Ster van Bessèges, daarna kwam de klad erin. Kuiper wijt het enerzijds aan het feit dat een deel van zijn mannen in de lente werd geveld door een virus.

Maar dat was niet alles. Kuipers vriend Holtmann kreeg een hartaanval en kwam niet meer aan een aantal bezigheden toe. Bij Telekom, als sponsor in de plaats gekomen van Stuttgart, liep het daardoor organisatorisch niet lekker. Veel werk was uitbesteed aan een ondeskundig maar duur reclamebureau. Kuiper: “De kleding was er al niet op tijd en er waren andere strubbelingen. Die waren niet goed voor de moraal van de renners. Jammer allemaal, want Telekom wilde juist stevig investeren in de wielersport.”

De leiding van Telekom had gerekend op de Ronde van Frankrijk. Kuiper had de bazen ook min of meer voorgespiegeld dat het startbewijs er zou komen. Had Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc hem het voorjaar niet persoonlijk gezegd dat zijn ploeg “voor de deur stond te dringen”? Toen dat feest niet doorging begreep Kuiper dat er aan zijn stoel werd gezaagd. In een gesprek met directeur Thye van Telekom vroeg hij opheldering. “Hij zei het niet, maar het was me duidelijk dat hij al met Godefroot bezig was. Een ex-Wirtschaftsminister, die bij de Tourorganisatie had gelobbyd voor onze deelneming, zou van Leblanc hebben gehoord dat ik geen goede ploegleider was. Leblanc ontkent dat ooit te hebben gezegd. Maar ik was wel beschadigd.”

Kuiper kreeg bovendien de indruk dat Thye zich tegenover zijn superieuren van het net geprivatiseerde bedrijf wilde bewijzen. Op zijn Amerikaans, er moesten koppen vallen. “Ongelooflijk. Na drie jaar werken aan een topteam word je bedankt voor je diensten. Dat is zwaar pet. We zijn van de PTT, Duitslands grootste bedrijf, dachten die lui arrogant, we kunnen alles maken. Slechte Duitsers dus. Ze overschatten zichzelf zwaar.”

Kuiper doelt daarmee op de organisatie, die in de wielersport heel anders is dan in het bedrijfsleven. “Ze komen daar nog wel achter, nu Holtmann en ik vertrekken. Godefroot redt het niet in zijn eentje. En Telekom heeft geen verstand van wielrennen. Het bedrijf heeft al ernstige fouten gemaakt. Zo contracteerde het Kappes en De Wilde, om in de winter FICP-punten te verdienen op de baan. Een lachertje, de heren weten blijkbaar niet dat je in zesdaagsen geen punten meer kunt halen.”

Nog bespottelijker vindt Kuiper de wijze waarop de sponsor probeert renners te contracteren. “Laatst ontmoette ik Laurent Fignon. "Hennie', zei hij, "wat is er nu aan de hand? Ik werd op straat aangesproken door een dame. Of ik voor Telekom kwam rijden'. Zo gaat dat niet. Dat kind, Martina heet ze, weet van toeten noch blazen. Ze was ooit gastvrouw in de zesdaagse.” Volgens Kuiper is het dan ook geen wonder dat Telekom bij het aantrekken van nieuwe cracks weinig goede resultaten boekte. Kummer en Schür kwamen niet. Eigen schuld, zegt Kuiper.

De Nederlandse ex-Tourvedette betreurt de gang van zaken. Voor zichzelf, maar ook voor de Duitse wielersport, die onder zijn bezielende leiding was opgebloeid. “Loopt het met Telekom mis, dan gaat alles kan naar de knoppen, stapt er nooit meer een groot Duits concern in deze sport”, aldus Kuiper, die toegeeft dat ook hij fouten heeft gemaakt. Hij is wellicht te zacht is geweest en zeker te naïef. “In 1988 begon ik met het idee: Die Duitsers willen altijd buffelen, hebben veel discipline. Hun ouders werkten nog op zaterdag, toen we hier al vrij waren. Maar ik heb me wat dat betreft vergist in de nieuwe generatie.”

Kuiper verkeek zich ook op zijn omgeving. Hij dacht in redelijke rust aan het succes van de ploeg te kunnen bouwen. En hij was vol idealen. “Maar je werkt in een keiharde profwereld. Iedereen zit op je te loeren om je van achteren te bespringen.” En dat is gebeurd. Door slechte Duitsers.