Twee snelheden in Europa: hoe vertel ik het Italië?; EG-ministers van financiën zoeken compromis in EMU-onderhandelingen

DEN HAAG, 21 SEPT. Gevraagd: een magische formule die een splitsing van de Europese Gemeenschap formaliseert zonder dat het zo genoemd wordt. Voor deze lastige opgave staan de EG-ministers van financiën, die vandaag in Apeldoorn onder leiding van minister Kok bijeen komen voor onderhandelingen over de EMU, de economische en monetaire unie die tegen het einde van deze eeuw tot één Europese munt moet leiden.

Deze zogenoemde "informele Ecofin' in het Apeldoornse hotel De Keizerskroon, waaraan ook de centrale bankpresidenten van de EG-landen deelnemen, moet proberen tot een aanvaardbare balans te komen tussen de politieke wens van "samen uit, samen thuis' en de economische realiteit dat niet alle EG-landen gelijktijdig gereed zijn om de sprong naar één munt en het daarbij behorende financieel-economische beleid te maken.

Anderhalve week geleden presenteerde Kok, die dit halfjaar voorzitter is van de de Ecofin (de EG-raad van ministers van financiën), in Brussel een technisch voorstel voor de invulling van de EMU. In het voorbereidende overleg tussen topambtenaren waren deze plannen slechts op verzet van Griekenland gestuit, maar tijdens de bijeenkomst van de ministers kwam Italië tot luidruchtig protest. Italië, waar de overheidsfinanciën chronisch in chaos verkeren, vreesde dat het nooit zou kunnen voldoen aan de voorgestelde harde eisen voor deelneming aan de slotfase van EMU, wanneer nationale munten door een Europese munt vervangen worden.

Het Nederlandse discussiestuk van anderhalve week geleden leidde onherroepelijk naar een "EMU met twee snelheden': sommige landen zouden het onderling eens worden dat ze de stap naar één munt nemen, terwijl andere landen vooralsnog uitgesloten zouden blijven omdat hun economische prestaties onvoldoende sporen met die van de kerngroep. Deze zou, wat het Nederlandse voorstel betrof, uit minimaal zes landen kunnen bestaan en daarmee kwam de omtrek van een EMU-blok, bestaande uit Frankrijk, Duitsland, de Benelux en Denemarken, in zicht.

De Zuideuropese landen voelden zich buitengesloten. Daarbij zouden Portugal, Griekenland en wellicht Spanje met extra geld van de regionale EG-fondsen misschien tevreden gesteld kunnen worden. Maar voor Italië, mede-oprichter van de Europese Gemeenschap en lid van de Groep van zeven belangrijkste industrielanden, was het dreigende prestigeverlies verbonden aan een plaats in de boemeltrein naar EMU onaanvaardbaar.

In de afgelopen dagen hebben de Belgische en de Duitse minister van financiën, Philippe Maystadt en Theo Waigel, suggesties naar Den Haag gestuurd om te proberen tot een compromis te komen. Minister Kok komt vandaag in Apeldoorn met een nieuwe notitie, waarin de belangrijkste knelpunten en mogelijke oplossingen zijn verwoord. Pas op 21 oktober zal Nederland een formele ontwerptekst voorleggen. De definitieve beslissing over de EMU zal worden genomen op de Europese top in december in Maastricht.

Tussen "Brussel' en "Apeldoorn' is wel iets verschoven in de formuleringen om Italië en de overige zuidelijke landen tevreden te stellen. Dit vergt evenwel gevoelig diplomatiek manoeuvreren, omdat anders Duitsland en Groot-Brittannië, die tot nu toe uitermate te spreken waren over de Nederlandse aanpak, weer bezwaren zouden maken.

In plaats van openlijk af te koersen op een EMU van twee snelheden wordt nu voorgesteld dat alle EG-landen de stap naar de slotfase maken, maar dat landen die niet aan de toegangscriteria voor één munt voldoen, een "ontheffing' (derogatie in EMU-taal) krijgen waardoor ze er wel bij mogen zijn maar niet mee mogen doen. Die ontheffingen zouden aan een tijdslimiet gebonden moeten zijn. Zo zou sprake zijn van "in tijd beperkte overgangssituaties', terwijl erkend wordt dat niet alle landen tegelijkertijd rijp zijn voor de stap naar één munt.

De besluitvorming voor de stap naar de derde fase zou "communautair' genomen moeten worden, dat wil zeggen met instemming van alle landen, maar vervolgens zouden landen in de gelegenheid moeten worden gesteld om met elkaar te besluiten verder te gaan. Ter verzachting van het onderscheid tussen sterke en zwakke landen zouden de criteria voor de eindfase weliswaar streng moeten zijn, maar niet mechanisch worden toegepast. Dit houdt in dat niet alleen gekeken wordt naar de financieel-economische statistieken op een bepaald moment, maar rekening wordt gehouden met de richting waarin deze zich bewegen. Duitsland is op deze punten evenweel zeer huiverig om concessies te doen.

Ondertussen bestaat over essentiële aspecten van EMU grote mate van overeenstemming. Zo is vrijwel zeker dat op 1 januari 1994, het begin van "fase II', nog geen Europese centrale bank wordt opgericht, maar een Europees Monetair Instituut, dat zal bestaan uit de bestaande centrale banken in de EG. Dit EMI is de voorloper van de ECB die in "Fase III' bij de overgang naar één munt de volledige verantwoordelijkheid voor het monetaire beleid zal krijgen.

De grondslagen voor de besluitvorming zijn eveneens vastgesteld. Mede om Groot-Brittannië, dat de grootste reserves heeft tegen de overdracht van soevereniteit bij de invoering van één munt, tevreden te stellen is afgesproken dat geen enkel land een veto mag uitspreken over de uiteindelijke stap naar één munt, geen enkel land gedwongen zal worden om deel te nemen en dat geen land op willekeurige gronden mag worden uitgesloten.

Dit laatste verwijst naar de criteria waaraan landen moeten voldoen om tot één munt te komen. Ook deze criteria zijn inmiddels aanvaard: De munt van een land moet ten minste 2 jaar tot de smalle band van het Europese Monetaire Stelsel (EMS) behoren. Dit is het bestaande stelsel van stabiele, maar onderling aanpasbare wisselkoersen waaraan tien van de twaalf EG-landen deelnemen. Griekenland en Portugal maken geen deel uit van het EMS; Groot-Brittannië en Spanje hanteren een brede band waarbinnen hun munten mogen afwijken. Een land mag geen excessief begrotingstekort hebben. Hiervoor gelden drie voorwaarden: - de gulden financieringsregel (overheidstekorten mogen slechts bestaan voor de financiering van investeringen, niet voor overdrachtsuitgaven of ambtenarensalarissen) - het financieringstekort mag maximaal 3 procent van het bruto nationale produkt bedragen - de staatsschuldquote (de staatsschuld als percentage van het bruto nationale produkt) mag maximaal 60 procent zijn. De inflatie mag niet meer dan 1,5 à 2 procent afwijken van die in het land met de laagste inflatie.

Een opmerkelijk aspect aan deze voorgestelde criteria is dat Nederland hieraanzelf niet voldoet. Afgelopen dinsdag zei thesaurier-generaal drs. C. Maas, de Nederlandse onderhandelaar over EMU, in een toelichting op de Miljoenennota dat Nederland “niet automatisch” in de eerste groep landen met één munt zal deelnemen. Ook de directeur van de Christelijke werkgevers, prof. drs. J. Weitenberg waarschuwde dat Nederland nog niet voldoet aan de normen die Kok voor EMU-delname voorstelt. Dit betreft in het bijzonder de gulden financieringsregel - de Nederlandse begroting hangt scheef door de overdrachtsuitgaven en de overheid investeert nauwelijks - als de staatsschuldquote.Maas en Weitenberg spraken op de jaarlijkse Prinsjesdag-bijeenkomst van Van Lanschot Bankiers. Van Lanschot publiceerde zelf een overzicht van de Nederlandse staatsschuld, dat in het licht van het EMU-debat bijzondere betekenis heeft. Zelfs als de regering zou besluiten om het financieringstekort in 1995 in één keer tot nul te reduceren, zal het nog tot het jaar 2000 duren om de staatsschuldquote naar het geëiste niveau van 60 procent van het bnp te brengen. Als de regering na 1994 doorgaat met een jaarlijkse vermindering van het financieringstekort met een half procentpunt, zoals nu ieder jaar gebeurt, zal de staatsschuldquote pas in 2005 op 60 procent uitkomen. En als het financieringstekort vanaf 1995 constant blijft op 3,25 procent, verdwijnt het doel van 60 procent staatsschuldquote uit zicht.

Geen wonder dat minister Kok met zijn Europese inzichten dan ook bekeerd is tot strakke, voortgaande vermindering van het financieringstekort. En het voorstel dat de criteria weliswaar streng moeten zijn, maar vooral niet mechanisch moeten worden toegepast, komt Nederland bijzonder goed uit.