Sociaal-bureaucratie kost hier en in Zweden socialisten de kop

Bij de verkiezingen voor het Zweedse parlement leden de sociaal-democraten vorige week zondag de grootste nederlaag uit hun geschiedenis. Voor het eerst sinds 1928 haalden zij minder dan veertig procent van de stemmen. En dan viel het uiteindelijke resultaat nog mee. Een half jaar geleden bungelde de partij in de opiniepeilingen rond de dertig procent. De neergang van de Zweedse sociaal-democratie vertoont opmerkelijke overeenkomsten met die van de Partij van de Arbeid.

In wezen geloven socialisten dat ze het paradijs op aarde bij wet kunnen invoeren. Hun electorale aantrekkelijkheid wordt vooral gevormd door de gekoesterde heilsverwachting, de idee van een langs democratisch politieke weg realiseerbare ideale samenleving waarin de mensen gelukkig zijn omdat inkomen, kennis en macht gelijkmatig verdeeld zijn over de bevolking. Dit was waarschijnlijk nergens sterker ontwikkeld dan in Zweden en nergens anders hebben sociaal-democraten zoveel mogelijkheden gehad en benut om hun denkbeelden in praktijk te brengen.

In 1917 maakten ze al deel uit van de regering. Vanaf 1928 tot nu hebben de socialisten op de periode 1976-1982 na onafgebroken geregeerd, soms met anderen, maar meestal alleen. Decennia lang trok dat fellow-travellers uit de gehele wereld.

Het aantrekkelijke van de sociaal-democratische heilsverwachting is dat ze een tamelijk concreet toetsingskader biedt voor actuele beleidsmaatregelen. Als ze bepaalde beleidsmaatregelen voorstellen, die duidelijk bijdragen tot het realiseren van het gedachte proto-paradijs of als de tegenstanders voorstellen doen die daarmee flagrant in tegenspraak zijn, verkeren sociaal-democratische partijen in een aantrekkelijke electorale positie: ze kunnen uitleggen waarvoor ze staan op een manier die de meeste kiezers kunnen begrijpen. Dat is betrekkelijk zeldzaam in een ontwikkelde parlementaire democratie. Na zes jaar rechts regime was het in 1982 op een aantal punten prijsschieten voor de Zweedse socialisten.

Zo was er de ingreep in de ziektewet. Het centrum-rechtse kabinet onder leiding van Thorbjörn Fälldin had in het voorjaar van 1982 besloten dat de ziektewet voortaan niet meer zou uitkeren voor de dag van ziekmelding en de eerste twee dagen daarna. De vakbeweging was furieus, evenals de SAP, de sociaal-democratische arbeiderspartij. Eindelijk hadden ze een concreet voorbeeld van "de afbraak van de verzorgingsstaat' waarvoor ze sinds het aantreden van het eerste rechtse kabinet sinds achtenveertig jaar hadden gewaarschuwd. Hierop hadden ze zes jaar tevergeefs gewacht. Geld afpakken van zieken, dat is geen manier om het paradijs naderbij te brengen, zoveel kon de kiezer wel duidelijk worden gemaakt. De SAP verkeerde hier voor het eerst in zijn bestaan in de rol van verdediger van wat eerder was verwezenlijkt en nu door anderen werd aangetast.

Toevallig wilde het Nederlandse kabinet tezelfder tijd eveneens ingrijpen in de ziektewet. Ook hier was de vakbeweging furieus. Hier zat de PvdA echter in de regering en het was Joop den Uyl zelf die als minister van sociale zaken en werkgelegenheid verantwoordelijk was voor de voorstellen. De Nederlandse sociaal-democraten namen de afbraak zelf ter hand. Een sociaal-democratische partij die door de vakbeweging voor a-sociaal wordt uitgemaakt: in een ongemakkelijker positie kan zo'n partij nauwelijk worden gemanoeuvreerd. Bij de eerstvolgende verkiezingen, die voor Provinciale Staten op 24 maart 1982 leed de PvdA dan ook een desastreuze nederlaag.

Het verlies van de greep op de uitvoering van allerlei maatregelen en het uit de hand lopen van de kosten ervan is geen exclusief Nederlands probleem. Alle ontwikkelde verzorgingsstaten blijken hiermee vroeger of later te kampen te krijgen. Zo ook de Zweedse. Wie dan als socialist regeringsverantwoordelijkheid draagt, raakt in een netelige positie. Het sociaal-democratische kabinet onder leiding van Ingvar Carlsson raakte ervan overtuigd dat de kosten voor de ziektewet en de arbeidsongeschiktheidswet onbeheersbaar stegen. Voorspeld werd dat het tekort van het Zweedse WAO-fonds in enkele jaren zou oplopen tot 25 miljard gulden. De wet had ook geleid tot een uitstoot van werknemers, waar voorheen werd getracht mensen eventueel op een lager niveau en met subsidie aan het werk te houden. De uitstoot naar de WAO is in Zweden nog lang niet zo groot als in Nederland, maar de regering besloot toch in te grijpen.

Dit jaar werden de ziektewet en de arbeidsongeschiktheidswet aanzienlijk uitgekleed. Het ziekteverzuim daalde terstond met enkele procenten. Bovendien verlaagde de regering het toptarief van de inkomstenbelasting, ook al geen maatregel die met een beroep op "spreiding van inkomen, kennis en macht' is te rechtvaardigen. De sociaal-democraten moesten het maar zien uit te leggen aan de kiezers: ze namen maatregelen die veel verder gingen dan wat ze zelf in 1982 “de afbraak van de verzorgingsstaat” hadden genoemd. Het geheugen van de kiezers is soms beter dan politici lief is: de partij kelderde dit voorjaar in de opiniepeilingen naar dertig procent, het niveau waarop de sociaal-democraten zich in de jaren '10 bevonden.

Voor veel van de kiezers die nu wegliepen vormde de traditionele oppositiepartijen - in Zweden "burgerlijke' partijen genoemd - geen alternatief. Wanneer je je leven lang SAP hebt gestemd, word je niet plotseling conservatief of liberaal. Juist dit voorjaar werd echter een nieuwe partij opgericht, Ny Demokrati geheten: een populistische protestpartij onder leiding van de goed gebekte graaf Ian Wachtmeister. Met voor iedereen begrijpelijke voorstellen als belastingverlaging, afschaffing van de maximum snelheid en goedkopere drank bood deze partij wel een toevluchtsoord voor teleurgestelde socialisten. Als je op weg naar het paradijs toch van koers raakt kun je maar beter over goedkope drank beschikken. In een mum van tijd scoorde ND twaalf procent in de opiniepeilingen.

De parallel met de PvdA is duidelijk. Niet zozeer omdat ook de Zweedse sociaal-democraten zich verslikten in een ingreep in de ziektewet en de WAO, maar omdat zij die maatregelen moesten rechtvaardigen met technocratische en boekhoudkundige argumenten. De term sociaal-bureaucratie, die enige jaren geleden nog slechts door een enkele cynicus werd gebezigd, is doorgedrongen tot het alledaags Zweeds taalgebruik.

Overigens is er geen dwingende noodzaak de klassieke sociaal-democratische argumenten in de mottenballen te zetten. Sterker nog, de eindspurt van de SAP in de verkiezingscampagne bewees dat het lonend kan zijn de oude waarden weer in stelling te brengen. Precies vier weken voor de verkiezingen greep Ingvar Carlsson naar een oud SAP-stokpaardje: de werknemersfondsen. Terstond sprongen de burgerlijke partijen er bovenop, waarmee de klassieke tweedeling in de Zweedse politiek plotseling terug was. In enkele weken verloor Ny Demokrati de helft van haar aanhang en klom de SAP verder uit het dal.

Ook voor de PvdA zijn er wel thema's voorhanden die met een beroep op klassieke argumenten aan de kiezers kunnen worden verkocht. De partij heeft het geprobeerd met arbeidstijdverkorting, maar die poging strandde op interne twisten. Op het gebied van arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen zijn er veel meer onderwerpen te bedenken waarmee de partij zou kunnen scoren. Ook sociale vernieuwing vormt een rijke, maar nauwelijks benutte bron.

Kortom, sociaal-democraten in Zweden en Nederland verdedigen hun beleid in toenemende mate met technocratische en financiële argumenten. Dat beleid behelst voor een deel het terugdraaien van voorzieningen die eerder met klassieke ideologische argumenten zijn gerechtvaardigd. Ze kunnen dus niet meer voor hun kiezers aannemelijk maken hoe dat beleid bijdraagt aan de verwezenlijking van de ideale samenleving. En dat was nu juist hun electorale toverstaf.