Pierre Marion, ex-chef van de Franse geheime dienst "IK VOND DAT JE SOMMIGE SLEUTELFIGUREN UIT DE WEG MOEST RUIMEN'

La mission impossible. A la tête des Services Secrets door Pierre Marion 259 blz., Calmann-Lévy 1991, f 52,60 ISBN 2 7021 1970 0

De lange, sportief geklede man die mijn tafeltje op de eerste verdieping van een café in Parijs nadert, beantwoordt aan het beeld dat een detective-lezer zich van een baas van een geheime dienst maakt: ironische, doorzichtige ogen, kaarsrechte rug, een zorgvuldig bijgepunte snor, een zelfverzekerde handdruk en de uitstraling van een beslisser. Vier maal getrouwd, want nooit tevreden. Twee maal met een Amerikaanse, van wie er een diplomate was toen hij het Franse spionagenet leidde. Het State Department vond dat net zo moeilijk te verteren als de Franse president. Pierre Marion (70) is er de man niet naar zich door anderen iets te laten voorschrijven. Deze eigenschap heeft hem ver gebracht, maar zou hem uiteindelijk ook de das omdoen.

Marion is alleen. Geen lijfwachten en geen valse paspoorten meer. Hij gaat zitten, bestelt koffie en spreekt op discrete toon.

Zijn boek over het functioneren van de Franse geheime dienst, La mission impossible, is een bestseller geworden, maar geen publiek schandaal. Terwijl Marion toch geen spaander heel laat van de Direction Générale de la Sécurité Extérieure (DGSE), die hij al met al maar 17 maanden heeft geleid. In die betrekkelijk korte tijd heeft hij er wel zijn stempel op weten te drukken, meent hij. ""Ik heb in elk geval lijn proberen te brengen in de wanorde. De Franse geheime dienst was en is inmiddels niets meer dan een clubje amateurs, waar iedereen doet waar hij zin in heeft. Het fiasco met Greenpeace in 1985, toen de geheime dienst in Nieuw Zeeland min of meer per ongeluk een schip van de milieuorganisatie opblies, heeft mij doen besluiten een boekje open te doen. Nee, niet als afrekening, maar omdat ik vind dat de belastingbetaler recht heeft te weten wat er achter de schermen van onze democratie gebeurt.''

Toen Marion in juni 1981 onverwacht door president François Mitterrand tot directeur van de Franse geheime dienst werd benoemd, die toen nog SDECE (Service de documentation extérieure et de contre-espionnage) heette, was hij directielid van Aérospatiale (fabricage van geavanceerde wapensystemen), verantwoordelijk voor Noord-Amerika. Hij was, zoals hij in zijn vorig jaar verschenen boek, Le Pouvoir sans visage, over het militair-industrieel complex schreef, ""in dienst van de wapenlobby, de geheime kracht achter de internationale politiek''. Mitterrand vond dat kennelijk een goede aanbeveling. Bovendien was Marion 29 jaar in dienst van Air France geweest, waar hij het tot vice-president schopte todat hij in 1974 naar Aérospatiale overstapte.

""Het was mijn vriend Charles Hernu, Mitterrands minister van defensie, die mij had voorgedragen. Ik heb ja gezegd nadat ik de verzekering had gekregen dat de deur van de president altijd voor mij open zou staan en dat de verantwoordelijkheden voor spionage en contra-spionage ook op politiek niveau genomen zouden worden. Ik wist dat onze geheime dienst door diplomaten, politici, politie en de binnenlandse veiligheidsdienst werd gehaat en dat er zonder visie en ongecoördineerd werd opgetreden. Ik kreeg de garantie dat er een nationale veiligheidsraad zou komen, volgens het Amerikaanse model, zodat de DGSE binnen een duidelijk kader zou gaan opereren. Ik ben en was geen socialist, maar ik geloofde in Mitterrand. Hij leek oprecht. Ik heb me vergist.''

Pierre Marion ondervond dat de beloften van Hernu en Mitterrand niets inhielden. Zijn vriend de minister diende hij te vouvoyeren; Mitterrand wilde niets met hem te maken hebben; minister van binnenlandse zaken Gaston Defferre wees het voorstel van Marion om de DGSE nauwer te laten samenwerken met de DST, de Franse BVD, terug met de opmerking dat "de DGSE vol met Russische spionnen zit'. Defferre kwam nooit terug op die opmerking en liet Marion voor een raadsel staan.

""Defferre wilde niet zeggen waar hij die informatie vandaan had. Hij noemde geen namen. Hij was alleen maar bezig met mij te demoraliseren. En ik was op dat moment toch al niet erg opgewekt over wat ik op het hoofdkwartier aantrof. Mijn voorganger, Alexandre de Marenches, heeft zijn dossiers aan mij overhandigd, mij gegroet en is opgestapt. Hij keurde mij geen blik en geen uitleg waardig. Ik was in zijn ogen immers een staatsgevaar, een pion van de socialist Mitterrand, een vriend van de Russen. Ik wist niets van de dienst en heb de acht top-mensen bij me geroepen. Waar vergaderen jullie normaal gesproken? In de eetkamer van mijnheer De Marenches, luidde het antwoord. Er werd nooit vergaderd. Ik vroeg om uitleg over de verdeling van onze mensen over de wereld. Er werd een kaart uitgerold met stippen erop. Heel veel mensen in Afrika en in het Midden-Oosten. Redelijk veel agenten in West-Europa. Nauwelijks agenten in Noord- en Zuid-Amerika. In Azië een enkeling. En achter het IJzeren Gordijn, daar waar volgens De Marenches de communistische vijanden zaten? Zegge en schrijve één agent. In Moskou. De tweede man op het consulaat, een paspoortenstempelaar. Verder niemand. De Franse geheime dienst beschikte niet over een enkele spion in het Oostblok. Maar zij beschikte ook niet over behoorlijke archieven of over computers, relaties met buitenlandse geheime diensten, analyses, lijsten van potentiële terroristen. Niets.

""Ik begreep plotseling waarom de Britten en Amerikanen altijd een beetje moesten lachen om de Franse dienst. Een stelletje kolonels die in een jongensboek leefden. Mannen die niet begrepen dat ik geen code-naam gebruikte. Mijn voorganger liet zich Ave Maria noemen en had als bijnaam Porthos, een van de vier Musketiers - om u een indruk te geven van de sfeer. Er was geen visie, geen plan, geen draaiboek en geen doel. Het woord inlichtingen stond gelijk aan informatie. Onze agenten schreven de kranten over in plaats van inlichtingen in te winnen. En verder was het heel simpel: waar de Franse belangen uit het verleden en het heden verdedigd dienden te worden zaten agenten. In plaats van de Franse belangen te dienen, bleken zij verschillende economische lobby's te verdedigen en traden zij vaak tegen elkaar op. Dat gold en geldt inmiddels weer vooral in Afrika. Om te beginnen ben ik de agenten eens gaan herverdelen over de aardbol. En ik heb me op de twee echte dreigingen geconcentreerd: Moskou en het terrorisme.''

Marion begon academici in te huren, die de politieke ontwikkelingen analyseerden. Drie maanden na zijn ambtsaanvaarding op 17 juni 1981, bracht hij Mitterrand een draaiboek met prioriteiten, nieuwe doelstellingen en voorspellingen. De president legde het dossier opzij, zonder erin te kijken. Marion legde de president uit dat Frankrijk een ideaal land was voor terroristische activiteiten omdat zij, bij gebrek aan een effectieve Franse inlichtingendienst, ongehinderd het land in en uit konden.

""Het leek wel alsof Mitterrand enerzijds de geheime dienst wilde afschaffen, maar anderzijds vond dat een soevereine staat niet zonder kon. Ik zag dat hij het liefst alles aan mij overliet. Dat was in het verleden ook zo gegaan. Maar ik wilde gedekt worden. Ik heb hem verteld dat wij hadden ontdekt om welke personen zich de internationale terreur organiseerde. Maar ik mocht van Mitterrand niets wezenlijks ondernemen. Het imago van een gastvrij land prevaleerde boven efficiënte aanpak.''

Van de ene dag op de andere was u zakenman af en verantwoordelijk voor de geheime dienst. Had u morele afspraken met uzelf gemaakt?

""U bedoelt of ik problemen had met mijn geweten als het om het uitschakelen van vijanden ging? Ik heb het zo voor mezelf goedgepraat: we moeten alleen mensen doden die niet aan justitie kunnen worden voorgeleid omdat het politieke misdadigers betreft. Terroristen bijvoorbeeld, kunnen regeringen chanteren. Met terroristen zijn wij dus werkelijk op voet van oorlog. Dan gelden andere regels. Hoe vaak zijn er geen terroristen vrijgelaten omdat er "deals' werden gesloten? Hoe gemakkelijk kunnen politieke gevangenen niet voor gijzelaars worden geruild? Ik was ervan overtuigd dat je sommige sleutelfiguren uit de weg moest ruimen. Na een paar maanden zoeken wisten we precies wie. Ik had er twaalf geselecteerd, binnen en buiten onze grenzen. Als we die konden uitschakelen was het met terreur in Frankrijk gebeurd. Maar het mocht niet van de president. Toen ik hem vroeg wat ik dan wel mocht zei hij dat Carlos en Abu Nidal de enigen waren die geliquideerd konden worden. Hij wist ook wel dat wij daar niet aan konden komen.''

De Venezolaanse terrorist Carlos, alias de Jakhals, wordt door vele westerse geheime diensten gezocht vanwege zijn aandeel in terroristische activiteiten. Wat wist u van hem?

""Wij wisten dat hij vanuit Tsjechoslowakije opereerde. Een playboy, die veel geld nodig had en die zich liet inhuren om politieke moorden te plegen. In Frankrijk is hij heel actief geweest, maar we konden hem nooit te pakken krijgen. Hij genoot de bescherming van vrienden van Frankrijk: de leiders van Irak en Syrië. En die hadden weer hele goede banden met het Franse zakenleven. Toen ik bij Aérospatiale werkte heb ik van heel dichtbij gezien hoe het werkt: invloedssferen, politiek, geld. Het loopt allemaal in elkaar over. Er stonden te veel belangen op het spel, die boven die van de geheime dienst kwamen. Het was hopeloos. Carlos is nu aan lager wal geraakt: te veel drank, te veel luxe. Maar hij wordt nog wel eens uit de kast gehaald als het zo uitkomt.''

Geldt hetzelfde niet voor Abu Nidal, van wie we ook niet honderd procent zeker weten of hij nog wel actief is?

""Het is vrijwel zeker dat Abu Nidals naam door een hele groep wordt gebruikt, misschien wel door verscheidene groepen. Ik heb gehoord dat hij ziek is, maar dat hij nog wel orders kan geven. Maar waar het ons om ging was de terroristen een gevoelige klap uitdelen. We wisten dat Abu Nidal in Irak zat voordat hij naar Syrië verhuisde. Ik wilde hem daar zien vast te nagelen. Ik heb Mitterrand voorgesteld te onderhandelen met de Syrische president Hafez el-Assad, die Abu Nidal beschermde. Ik wilde gaan praten met diens broer, Rifaat, die de baas was van de Syrische geheime dienst. Hij vond het goed. Hij wilde niet weten hoe, waar en welke voorwaarden ermee gemoeid waren, als het maar snel gebeurde. We leefden in juni 1982. De terroristische aanslagen in de Rue Marboeuf en de Rue des Rosiers hadden hem kennelijk vermurwd. Ik heb een ontmoeting met Rifaat Assad geregeld buiten Parijs. Ik heb hem gezegd dat als Syrië niet kon beloven dat er geen terroristische activiteiten meer op Frans grondgebied of tegen Franse belangen zouden worden gevoerd, de DGSE een aantal topmensen in Syrië zou uitschakelen. Bluf, natuurlijk, want Mitterrand had me dat verboden. Maar het werkte wel. Rifaat verwachtte niet dat een democratisch land zich zo zou opstellen. Na lang praten en nadat ik een met leer bekleed bureau en twee Arabische paarden had afgeslagen die de "deal' moesten afronden, beloofde Rifaat dat hij Abu Nidal zou bevelen Frankrijk met rust te laten.''

Maar dan volgt er eind '82 toch weer een aanslag. Het zou de laatste Palestijnse aanslag op Frans grondgebied zijn in drie jaar, maar dat wist niemand toen nog. Mitterrand begon aan u te twijfelen...

""Ja, vooral na de slachting in de Palestijnse kampen in Beiroet, Sabra en Chatilla. Die vonden praktisch tegelijkertijd plaats en Mitterrand vreesde dat dit de Palestijnse terroristen tot nieuwe acties zou aanzetten. Ik wilde Rifaat onmiddellijk om garanties vragen, maar mocht niet meer afreizen. Ik zag dat ik mijn werk niet kon doen onder aarzelende ministers, tegenwerkende ambtenaren en een president die zijn verantwoordelijkheden niet wilde nemen. Sinds mijn vertrek, eind 1982, heeft Mitterrand vijf bazen van de DSGE versleten. Vijf, terwijl dit de baan bij uitstek is die om continuïteit vraagt.''

""Ik heb begrepen dat Frankrijk geen consistent beleid voert ten aanzien van de Arabische wereld. We zijn met Irak en de PLO tegen Syrië en Egypte; maar zijn wij ook met Algerije tegen Marokko en met Tunesië tegen Libië? En hoe breng je dit in overeenstemming met het beleid in Afrika? De invloed van de pro-Iraakse lobby, de pro-Libische financiers en de pro-Palestijnse socialisten dicteert het buitenlands beleid. Alles draait uiteindelijk om de belangen van de economie en, wat Frankrijk betreft, vooral van de wapenproducenten. Ik heb in Afrika en in het Midden-Oosten meerdere malen geprobeerd de dubieuze banden tussen ministeries van defensie en het Elysée, via lobbyïsten in Parijs, te doorbreken. Telkens werd ik door het Elysée teruggefloten. Ik heb uiteindelijk mijn ontslag ingediend.''

Mogelijk was president Mitterrand beledigd dat juist u de contacten had met Assad, maar ook met PLO-leider Arafat, de Marokkaanse koning Hassan, Menahem Begin en Habib Bourguiba van Algerije. Was u niet te inhalig?

""Ik deed mijn werk. Mitterrand had alle reden om zich met bepaalde leiders alleen via omwegen in te laten. Hij heeft mij nooit gevraagd het anders te doen. Maar op een dag realiseerde hij zich dat ik en niet hij de beste contacten had in het explosieve Midden-Oosten. Hij wilde de touwtjes kennelijk weer in eigen hand nemen en heeft mij dat indirect ook laten weten.''

Marion somt in zijn boek de blunders op die de geheime dienst sinds zijn vertrek heeft gemaakt. Verkeerde contacten in Irak, onderschatting van het gevaar dat Saddam Hoessein betekende, verwrongen betrekkingen met de PLO en nog veel meer. Frankrijk wil Iran tegen Irak uitspelen met het gevolg dat Iraanse terroristen in 1984 en 1985 toeslaan op Frans grondgebied. Er worden Fransen ontvoerd. Het Elysée maakt geen bezwaar tegen de leverantie, in 1985, van een miljoen granaten aan Iran, geleverd door de firma Luchaire. In datzelfde jaar wordt echter toch een Franse generaal door Iraanse terroristen vermoord omdat deze zich bezighield met wapenleveranties aan Bagdad. Hypocrisie en vernedering kenmerken volgens hem de post-Marionjaren bij de dienst, die naar zijn zeggen "niet meer bestaat'.

U klinkt voortdurend verongelijkt.

""De affaire-Greenpeace heeft de DGSE totaal gedemoraliseerd. Er is sindsdien geen sprake meer van een goed werkende inlichtingendienst. Tussen mei 1985 en september 1986 hebben 17 terreuraanslagen in Frankrijk plaatsgevonden, waarbij meer dan 260 slachtoffers, doden en gewonden, vielen. De door mij in het leven geroepen anti-terreurbrigade deed niets meer. Er worden gijzelaars uitgeleverd onder dubieuze omstandigheden. De geheime dienst sluit deals met moordenaars en zinkt steeds dieper in het moeras. De concurrentie tussen Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken en het Elysée neemt toe ten koste van de geloofwaardigheid van Frankrijk. Ik ben niet verongelijkt. Ik schaam mij er soms voor uit een land te komen waar niemand in staat blijkt de geheime dienst richting te geven.''

U zegt in interviews meer dan u in uw boek kwijt wilde. Zo onthulde u vorige week voor de Amerikaanse televisie dat u stoelen in Air France vliegtuigen van micrifoons liet voorzien. Overdrijft u niet een beetje?

""Nee hoor. Ik kwam van Air France en wist precies wat voor een soort passagiers wij vervoerden. In de eerste klas en vooral op de Concorde liet ik afluisterapparatuur aanbrengen. Ook werden spionnen onder het boordpersoneel geplaatst. Je kunt heel wat horen tijdens een vlucht en het leek mij de moeite waard die informatie te verzamelen. We lieten ook attaché-koffertjes onderzoeken, die in de bagagerekken werden gelegd. Onze mensen kopieerden plannen en strategieën van onder meer IBM, Texas Instruments en Corning Glass. Ik ben persoonlijk verantwoordelijk geweest voor een order voor Mirage-straaljagers uit India, nadat mijn mensen aan boord van vliegtuigen de offertes van de Amerikanen en de Russen hadden weten te kopiëren. Volgens mij gaan die spionage-operaties tot op de dag van vandaag door. Frankrijk is kortom al tien jaar bezig via Air France Amerikaanse bedrijven te bespioneren, maar er is kennelijk geen reden voor Washington om daarover bij de Fransen te klagen. Andersom gebeurt het natuurlijk ook.''