Ozawa en Japanners roepen met Brahms onoplosbare vragen op

Concert: Saito Kinen Orchestra o.l.v. Seiji Ozawa. Programma: J. Brahms: Derde en Tweede symfonie. Gehoord: 20-9 Concertgebouw Amsterdam.

Het Amsterdamse Concertgebouw leek gisteravond wel verplaatst naar die namaak-Hollandse stad bij Nagasaki: bijna alleen maar Japanners in de Grote Zaal en op het podium, waar het Japanse Saito Kinen Orchestra Brahms speelde onder leiding van de Japanse dirigent Seiji Ozawa, wereldberoemd als chef-dirigent van het Boston Symphony Orchestra. Toen na de pauze Sir Georg Solti ook nog kwam luisteren, nadat hij eerder een Kylian-voorstelling in het Amsterdamse Muziektheater had bezocht, leek het buitenland definitief gefuseerd met het Nederlandse muziekleven. Zo speelt maandag het orkest van de Milanese Scala in de Rotterdamse Doelen onder leiding van Carlo Maria Giulini.

Saito Kinen betekent "in memoriam Saito' en het orkest werd in 1984, tien jaar na de dood van de Japanse muziekpedagoog Hideo Saito, opgericht door honderd van zijn oud-leerlingen. Ze kunnen bijzonder goed spelen, met spaarzame foutjes die geruststellend zijn. Het Amsterdamse Brahms-concert volgde op cd-opnamen voor Philips van de Tweede symfonie en de Derde symfonie in De Vereeniging in Nijmegen, nadat al eerder Brahms' Eerste symfonie en Vierde symfonie in Berlijn op cd waren vastgelegd.

Na het beluisteren van die al opgenomen symfonieën 1 & 4 was het bijwonen van het concert gisteravond voor mij een verwarrende ervaring. Via de cd's leek Ozawa een "moderne', strenge en heldere Brahms voor te staan, licht van klank en met weinig rubato en sonoriteit: een strak voortgaand tempo waar ik wel een wat vrijer ademende opbouw en een weelderiger "Amsterdamser' klankbeeld wenste.

Maar de symfonieën 2 & 3 klonken mij nu in het Concertgebouw veel wolliger, romantischer en "ouderwetser' in de oren, juist met een verzadigde en warme "Amsterdamse' klank, die soms zelfs dreigde dicht te lopen. Verder leek mij de aanpak bijzonder wisselend: soms heel globaal en allerlei details veronachtzamend, dan weer subtiel en fraai - die milde elegantie in het slotdeel van de Derde symfonie - om even later weer onbekommerd in vergrovingen te vervallen. Men kan die enthousiaste uitbundigheid ook sympathiek vinden en Brahms kan zeker tegen een stootje - toch leek het soms al te robuust.

De vraag voor mij blijft hoe het allemaal kan: was er wat de klank betreft werkelijk sprake van een heel andere aanpak, is het verschil in akoestiek tussen Berlijn en Amsterdam zó bepalend, ligt het aan de opnametechniek of aan de kwaliteit en afstelling van mijn geluidsinstallatie thuis?

En die andersoortige aanpak: was die bedoeld of toeval, de ingeving van het moment, de inspiratie van de zaal, de aanwezigheid van zoveel landgenoten of het oor en het oog van de meester? En wat is nu "modern' of "ouderwets' aan Brahms? Het zijn onoplosbare filosofische kwesties. Wittgenstein begon al een machinale klank in Bramhs te horen. Moet men die dan als kwalijk onderdrukken of juist als vernieuwend cultiveren?