Ongrijpbare Schuring is komisch maar niet altijd helder genoeg

Voorstelling: De antiquair, solo van Job Schuring. Regie: George Groot. Gezien: 20-9 in Klein Bellevue, Amsterdam. Aldaar t-m 6-10, daarna elders.

“Ik kan me ineens heel goed voorstellen wat u daar nou zo goed aan vindt”, zegt Job Schuring plotseling, zichzelf onderbrekend in een verhaal dat tot op dat moment vooral geschreven was om vertedering op te wekken. Hij wijst, quasi-tevreden, op de knappe wijze waarop de symboliek in de vertelling is verwerkt en levert daarop, quasi-relativerend, commentaar. Twee keer quasi - dat is wat veel. En het is precies waarom zijn nieuwe solo gemengde gevoelens bij me achterliet.

Sinds hij het Amsterdams Kleinkunstfestival won, speelde Job Schuring twee programma's. In het vorige, Ezels en kwasten, werd ontdekt dat het schrijven en vertellen van verhalen hem beter afgaat dan de actuele conférence. De antiquair is zijn derde. Vóór de pauze wordt het raamwerk gevormd door een sprookje, na de pauze door de geschiedenis van een vader, een moeder en een zoontje. Het zijn serene verhaaltjes, op gedempte toon verteld, waarin hij alleen bij vlagen overschakelt op de Deelder-versnelling. In de terzijdes is hij soms een komische criticus van zijn eigen verzinsels, maar vaak ook eenbehaagzieke charmeur, die vervolgens weer de draak steekt met zijn eigen charme.

Het klinkt onhelder en dat is het ook. Schuring speelt dubbelspel. Dat maakt hem intrigerend, maar tegelijk ook ongrijpbaar. Is dat dan erg? Niet als hij een briljant jongleur was die me met een pesterig soort raffinement en een bombardement van grappen telkens op een dwaalspoor zou brengen. Zo ver schopt hij het echter nog niet. Te vaak schemert door het bravoure nog de onzekerheid door, die hij met quasi-zelfverzekerdheid tracht te maskeren. Alwéér quasi, dat is te veel.