"Noodzaak sociale dienstplicht moet nog worden aangetoond'

ROTTERDAM, 21 SEPT. "Dienstplicht: zin, tegenzin en toekomst' was het thema van een door de Vereniging van Dienstpilichtige Militairen (VVDM) georganiseerde forumdiscussie gistermiddag in Rotterdam ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van deze vakbond. En hoewel de Nederlandse bevolking blijkens de uitslag van een enquête van het NIPO de zin van dienstplicht steeds minder ziet en opteert voor een beroepsleger, waren de uitgenodigde sprekers een andere mening toegedaan. FNV-voorzitter J. Stekelenburg, defensiespecialisten J. van Houwelingen (CDA) en B. Stemerdink (PvdA) en W. Albeda, hoogleraar sociaal-economisch beleid aan de Rijksuniversiteit Limburg, bogen zich alvast over de problematiek waar ook de commissie-Meijer zich in opdracht van minister Ter Beek (defensie) mee bezighoudt.

“Het invoeren van een beroepsleger vergroot de kans op een militaire stand die politieke invloed wil uitoefenen en dat beklemt mij. Jonge mannen zullen offers moeten blijven brengen voor de integratie van de krijgsmacht in de samenleving”, luidde de boodschap van J. Stekelenburg, bij wiens FNV ook de VVDM is aangesloten.

Het Tweede-Kamerlid Stemerdink (PvdA) vond het wat overtrokken om te veronderstellen dat het leger in Nederland een gevaar voor de democratie kan gaan vormen, maar pleitte ook voor handhaving van de dienstplicht. “Op dit moment wordt met een ongelooflijk gemak naar militaire oplossingen voor crisissen gezocht”, zei hij refererend aan gangbare opinies over de problemen in bijvoorbeeld Joegoslavië en Suriname. “Het lijkt wel een soort vlugzout voor bewusteloze patiënten. Wanneer bij acties dienstplichtigen moeten worden ingezet, blijft er sprake van een zekere terughoudendheid bij regeringen. Het kan werken als een soort rem op de politiek.”

CDA'er J. van Houwelingen vond dat Stemerdink hiermee een “oneigenlijk” argument aanvoerde voor handhaving van de dienstplicht. Ook Van Houwelingen is tegen afschaffing, maar de essentiële vraag is volgens hem of de politiek toe moet geven aan “de tendens in de samenleving om de verantwoordelijkheid voor moeilijke maatschappelijke problemen, zoals defensie, van je af te schuiven”.

Of de dienstplicht gehandhaafd moet blijven liet W. Albeda, hoogleraar sociaal-economisch beleid en voormalig minister van sociale zaken en werkgelegenheid in het kabinet-Van Agt I, in het midden. Maar mocht de commissie-Meijer tot die conclusie komen dan vindt Albeda dat die plicht rechtvaardiger moet worden verdeeld. “Als slechts twintig procent van de mannen in dienst moeten, wordt het een soort loterij. Bovendien ontkomen we in een tijd waarin TV-spotjes ons toeroepen dat "iedere meid op haar toekomst is voorbereid' niet aan een gelijkelijke verdelen van "dienverplichting' over alle jongeren, jongens en meisjes. Die moeten dan in vrijheid de keuze kunnen maken tussen militaire dienst, werk in de zorgsector of andere nuttige maatschappelijke activiteiten.”Uit de NIPO-enquête blijkt vierenzestig procent van de Nederlandse bevolking voorstander te zijn van zo'n sociale dienstplicht. Toch liepen Van Houwelingen, Stemerdink en Stekelenburg er gisteren niet warm voor. De vakbondsvoorzitter vond het “te gemakkelijk om daar waar de overheid tekort schiet een beroep te doen op een potentieel van jonge, goedkope krachten”. Bovendien vreest hij valse concurrentie voor "normale' arbeidskrachten. Van Houwelingen viel Stekelenburg bij en voegde aan diens woorden toe dat “voor militaire dienst een noodzaak bestaat, die voor sociale dienstplicht nog moet worden aangetoond”. Stemerdink wees erop dat zo'n sociale dienstplicht ook weleens strijdig zou kunnen zijn met internationale verdragen.