Nederland hyperventileert als voorzitter van de EG

BRUSSEL, 21 SEPT. Begint het Nederlandse EG-voorzitterschap nog niet te lijden aan hyperventilatie? Het zou niemand verwonderen wanneer men de enorme hoeveelheid problemen overziet die sinds 1 juli op het Haagse bord zijn terecht gekomen.

Natuurlijk, iedereen wist dat het Nederlandse voorzitterschap een druk halfjaar tegemoet zou gaan met het tot een goed einde brengen van twee epoche-makende veranderingen in de constitutie van de Europese Gemeenschap: de sluiting van verdragen over de EMU (Economische en Monetaire Unie) en de EPU (Europese Politieke Unie). Maar dat het Nederlandse voorzitterschap ook nog pogingen zou moeten doen om de burgeroorlog in Joegoslavië tot bedaren te brengen, dat was toen niet te voorzien.

Pogingen die ondanks alle moeite geen enkel effect sorteren behalve, zo lijkt het, een averechts. En die - tenslotte kan niets worden uitgesloten in deze tijd van verrassende gebeurtenissen - nog het ironische bij-effect zouden kunnen hebben dat de Amerikaanse Middellandse-zeevloot koers zet naar de Adriatische Zee om het Servische leiderschap tot bezinning te brengen.

Maar ook met de andere punten op de Nederlandse EG-agenda, de afronding van EMU en EPU, gaat het niet zo voorspoedig. In Apeldoorn trachten de ministers van financiën van de EG-lidstaten vandaag de vorige week gebleken bezwaren tegen het Nederlandse voorstel voor de EMU weg te werken, en wat de EPU betreft wordt in sommige gezaghebbende Brusselse kringen gevreesd dat men weer bij af moet beginnen.

Dat is het gevolg van het feit dat de ontwerp-tekst voor een verdrag over de Europese Politieke Unie die het Luxemburgse voorzitterschap eerder dit jaar indiende op zeer ingrijpende wijze is omgewerkt. Luxemburg ging uit van een drie-pijlerstructuur, waarbij economische en monetaire vraagstukken, politieke samenwerking en politieel-justitiële zaken min of meer los van elkaar zouden staan. In die structuur werd veel meer dan de meeste lidstaten (en de Europese Commissie) wensten de nadruk gelegd op intergouvernementele samenwerking.

In tegenstelling daartoe heeft het Nederlandse voorzitterschap, en met name staatssecretaris Piet Dankert, nu een EPU-ontwerp gemaakt dat niet gebaseerd is op die "tempel'-structuur, maar op de "boom'-structuur, een unitair systeem, waarin alleen bepaalde terreinen, zoals vraagstukken op het gebied van de buitenlandse en veiligheidspolitiek en de politieel-justitiële politiek intergouvernementeel worden geregeld.

De Europese Commissie is het daar van harte mee eens, maar lidstaten als Frankrijk, Denemarken en Groot-Brittannië hebben er de grootste moeite mee. Vandaar de waarschuwing, afgelopen woensdag in Den Haag, van de Britse premier John Major, voor “formidabele problemen” bij de onderhandelingen over de EPU.

Lubbers probeerde Majors bezorgdheid toen te sussen met zijn uitspraak dat hij niet naar overeenstemming streefde over een “volledig 100 procent politieke unie”, en dat het alleen maar “een verdere stap” zou zijn naar uiteindelijke politieke unie, maar die uitspraken hebben alleen maar voor heel wat nieuwe ongerustheid en misverstanden gezorgd.

Wat Nederland betreft zijn de problemen in ieder geval uit de wereld: het kabinet heeft gisteren overeenstemming bereikt over een aangepaste tekst voor het EPU-verdrag waarin tenminste de Nederlandse ministers zich kunnen vinden. Of dat ook het geval is met de andere EG-partners zal pas volgende week blijken: dinsdag komen de teksten van het verbeterde ontwerp in de roulatie.

Kritiek op het Nederlandse voorstel is er behalve van de bovengenoemde lidstaten ook geweest van leden van het Europees Parlement. Nederland is er steeds warm voorstander van geweest dat de bevoegdheden van het parlement zouden worden uitgebreid en dat het “democratische gat” zou worden gedicht in het vernieuwde verdrag.

De Europarlementariërs willen dat dat gebeurt via medebeslissingsrecht en recht van initiatief. Maar daarvan is in het ontwerp zoals de Nederlandse ambtenaren dat hebben opgesteld geen sprake. Wel verleent het nieuwe verdrag het Europese Parlement een vetorecht op alle terreinen waar de ministerraad met gekwlificeerde meerderheid beslist.

Veel van de 518 parlementariërs zijn echter helemaal niet blij met zo'n “negatieve bevoegdheid”: het uitbrengen van een veto betekent immers dat er een quorum moet zijn en dat de stemmers zich terdege moeten hebben ingewerkt in de materie waarover een veto wordt uitgesproken. Beide zijn geen sterke punten van die Europarlementariërs die hun zetel meer pro forma bezetten. Voor het democratische gehalte van de Europese Gemeenschap en de geloofwaardigheid van het parlement zou het volgens Dankert echter alleen maar positief zijn wanneer een zaal vol parlementariërs een voorstel afstemt. Dat wijst immers op macht.

Andere punten van kritiek betreffen vooral de manier waarop beslissingen in de ministerraden tot stand komen: met gekwalificeerde meerderheid of met algemene stemmen. Sommige parlementariërs vinden dat bijvoorbeeld bij stemmingen over BTW, verbruiksbelasting, asielrecht of maatregelen tegen terrorisme de ministerraden met gekwalificeerde meerderheid zouden moeten stemmen.

Maar terwijl de verschillende instellingen van de Europese Gemeenschap zich de komende maanden, en ongetwijfeld ook nog na "Maastricht', hartstochtelijk begeven in dit soort discussies, kan niemand zich aan de indruk onttrekken dat de twaalf lidstaten in feite bezig zijn aan de perfectionering van een organisatie die wordt ingehaald door de gebeurtenissen.

Waarom wordt er nog over gesproken dat elke lidstaat bij voorkeur één commissaris moet hebben, zo vroeg een dezer dagen de Duitse Europarlementariër Karl von Wogau zich af: “Malta, Cyprus en Estland zouden dan in de Commissie een even sterke vertegenwoordiging hebben als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland.” Het dilemma "verdieping of verbreding' spookt door aller hoofden. Behalve het plan van Commissaris Frans Andriessen voor een geaffilieerd lidmaatschap en zijn aandringen op een parallel proces van verdieping en verbreding, is er weinig dat erop wijst dat de Europese Gemeenschap zich bewust is van deze nieuwe internationale verantwoordelijkheid. Ook niet in het Nederlandse ontwerp voor een Europese Politiek Unie.