Moskou voert 'propaganda of failure'

ROTTERDAM, 21 SEPT. Dat er acute hongersnood dreigt in de Sovjet-Unie staat allerminst vast, ondanks Sovjet-beweringen terzake. Ook vorig jaar, toen regen en modder het binnenhalen van de aardappeloogst bemoeilijkten, bleek het met Kerstmis nog een hele toer om voldoende hongerlijders voor de Nederlandse voedselpakketten te vinden. Veel Westerse waarnemers gaan ervan uit dat de Sovjet-Unie na jaren "propaganda of success' nu "propaganda of failure' beoefent.

Dat de oogst van tarwe, maïs en andere graangewassen dit jaar zo'n 15 procent lager uitvalt dan in 1990 zegt weinig: juist vorig jaar was (volgens FAO-statistiek) een recordoogst binnengehaald en de oogsten van de Unie vertonen altijd veel variatie. De graanoogst van nu ligt op het niveau van 1988.

Niettemin is de Sovjet-Unie al sinds lang voedselimporteur. Jaar in jaar uit zijn aanzienlijke hoeveelheden graan (vooral tarwe uit Noord-Amerika) en suiker ingevoerd. De enige landbouwgewassen die men in noemenswaardige hoeveelheden kan uitvoeren zijn katoen en vlas.

De Sovjet-landbouw levert een schamele prestatie, terwijl zij, volgens Nederlandse deskundigen, met gemak op de helft van het huidige areaal zelfvoorzienend zou kunnen zijn. En zeker zijn er ook grote actuele moeilijkheden, samenhangend met het uiteenvallen van het centrale gezag. De brandstof- en onderdelenvoorziening van de landbouwmachines stagneert, sovchozen en kolchozen houden hun oogsten achter in de hoop daar later betere prijzen voor te kunnen bedingen. Ze vallen terug op ruilhandel die de goederenstroom verder in gevaar brengt.

Vast staat ook dat de Sovjet-landbouw belangrijke veranderingen te wachten staan, als was het maar door de zich nu aftekenende economische "Alleingang' van de deelrepublieken en het tastbare verlangen de structuur van sovchozen en kolchozen te verlaten. Ook de samenwerking met Westerse ondernemingen en de bescheiden Westerse investeringen doen hun invloed gelden.

Dank zij de glasnost en de activiteiten van Westerse banken en agrarische ondernemingen (en van landbouw-attachés en organisaties als de OESO, FAO en de Wereldbank) beschikt inmiddels ook het Westen over een ruime hoeveelheid statistiek van de Sovjet-landbouw, zelfs naar deelrepublieken gesplitst.

Die statistiek mag dan hier en daar wat geflatteerd worden, volgens Nederlandse deskundigen is ze niet zó onbetrouwbaar. Voor een planeconomie is goede statistiek tenslotte van meer levensbelang dan voor een markteconomie.

Ir. A.C. Bovée van het LEI, destijds landbouwattaché in Moskou: “Er was misschien de neiging het gestelde plandoel in de cijfers te overschrijden maar wie dat te sterk deed, kreeg het volgende jaar een hoger plandoel opgelegd”.

Pag.19:

Kazachstan is graanschuur van Sovjet-Unie

Econoom L. Colijn van de Rabobank gaat ervan uit dat voor de statistiek van de vijftien republieken de law of equal cheating geldt: globaal zullen de cijfers wel in alle republieken in gelijke mate zijn opgepoetst. Het staat een ruw vergelijk niet in de weg.

Alleen al een bestudering van de produktie- en verbruiksstatistieken (op basis van tonnen, liever dan van roebels) voor de diverse landbouwgewassen van de deelrepublieken staat interessante conclusies toe. Colijn onderzocht de zelfvoorzieningsgraad van de republieken (zie figuur) en ontdekte zo de geweldige afhankelijkheid van de republieken. Zelfs de enorme Russische federatie kan zich op geen stukken na zelf bedruipen. Ze moet veel suiker en aanzienlijke hoeveelheden vlees importeren uit andere republieken. Voor suiker is ze aangewezen op Cuba en de Oekraïne, voor katoen op Oezbekistan. Het onderzoek maakte ook duidelijk dat niet de Oekraïne de "graanschuur' van de Unie is, maar Kazachstan (althans in 1986 en 1990, de oogsten variëren er sterk). Wit-Rusland is een grote aardappelexporteur, wol komt bijna uitsluitend uit Kazachstan. De Baltische republieken hebben een zeer sterke maar kleinschalige zuivelproduktie.

De vijftien deelrepublieken zijn in meer dan een opzicht tot elkaar veroordeeld. De kwaliteit van hun land- en tuinbouwprodukten is zó laag (bijvoorbeeld door pesticide-residuen, maar ook wat betreft uniformiteit en sortering) en het volume van het aanbod zo wisselend dat de wereldmarkt nog vele jaren onbereikbaar zal blijven. Daar komt bij dat de interne verrekenprijzen voor zuivel, vlees en groente in de Unie zeer hoog zijn. Sovjet-economen beweren dat voor een zelfde hoeveelheid zuivel of vlees binnen de Unie twee keer zoveel olie wordt geboden als op de wereldmarkt. Colijn: “Het is dan ook niet waarschijnlijk dat afscheiding van de randrepublieken de voedselvoorziening van de grote steden in de Russische federatie op lange termijn in gevaar brengt.”

De statistiek onthult weinig over de specifieke moeilijkheden en zwaktes van de landbouw in de Unie, al geven de opbrengsten per hectare wel een indicatie: leverde een hectare grond in de Unie vorig jaar 2240 kilo tarwe op, in 's werelds recordhouder Nederland was dat 7716 kilo. Waarneming ter plekke door de lanbouwattachés en vertegenwoordigers van bedrijven als Agrico, Cebeco-Handelsraad en Euroconsult vult het beeld aan.

Niet alles was even slecht geregeld in de Sovjet-Unie. Het landbouwonderwijs is goed, daar zijn allen het over eens. “We kunnen altijd op niveau met ze discussiëren.” Ook zaaizaad en pootgoed zijn "genetisch gezien' van behoorlijke kwaliteit. De beruchte geneticus Lysenko heeft een goede veredeling tot in de jaren vijftig tegen gehouden, maar daarna is de achterstand snel weggewerkt. De veredeling van aardappelen is, zegt Bovée, tot aan 1982 bemoeilijkt door het feit dat de aardappelen niet ziektevrij waren te krijgen. Niettemin bleken Nederlandse pootaardappelen (en op Nederlandse leest geschoeide verzorging) vorig jaar de aardappelopbrengst per hectare bij Moskou te kunnen verdrievoudigen.

Het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen in de Unie is (anders dan in de DDR en Tsjechoslowakije waar ongehoord veel chemicaliën zijn ingezet) bescheiden. Te bescheiden, vinden de Nederlanders. De Unie heeft altijd tamelijk moeilijk aan kunstmest kunnen komen en de bestrijdingsmiddelen-industrie kon nooit aan de vraag voldoen. Daar komt bij dat het arsenaal herbiciden en pesticiden nog ouderwets is: breedwerkende dicotylendoders (voor bescherming van graangewassen) zijn in de Unie nog onbekend. Aan de andere kant wordt tegen insekten nog volop DDT ingezet, hoewel dat officieel sinds 1972 verboden is. Met een efficiënte chemische onkruidbestrijding zouden, volgens een Nederlandse waarnemer die vooral de Siberische situatie goed kent, de landbouwopbrengsten wel 30 procent te verbeteren zijn.

De landbouwmachines zijn zeer ouderwets en verkeren in slechte staat. De onderdelenvoorziening was altijd al beroerd en voor een goede stalling wordt meestal niet gezorgd. 's Winters staan de machines in en onder de sneeuw. Onderhoud blijft uit. Het "combineverlies' (het percentage graan dat de combine op het veld achterlaat) is in de Unie wel 8 procent. In Nederland is dat slechts 2 procent. Recenter is de slechte brandstofvoorziening.

Ook de opslag is slecht geregeld. Veel graan wordt bijvoorbeeld gewoon op de grond, afgedekt met zeil, opgeslagen: ten prooi aan vraat en weersinvloeden. En als er al silo's zijn, dan zijn ze vaak niet of onvoldoende ingericht op de ontvangst van vochtig graan. Goede aardappelbewaarplaatsen (waarin de aardappelen tijdens de opslag doorlucht worden) ontbreken. Het is geen zeldzaamheid als meer dan 40 procent van de aardappelen verrot (in Nederland is 6 procent al zeldzaam). Ook staan silo's en opslagplaatsen door de gecentraliseerde structuur van de Sovjet-landbouw altijd erg ver uit elkaar (langs de spoorweg) zodat de aanvoer veel tijd neemt.

Dan zijn er de natuurlijke factoren: veel Sovjet-landbouw vindt plaats op grond die daar eigenlijk niet voor geschikt is of op grond die onder invloed van de gebruikte landbouwmethoden sterk in kwaliteit daalde. Volgens een verslag van een Navo-colloquium in maart van dit jaar heeft zeker de helft van de landbouwgrond in de Unie te lijden van wateroverlast, verzuring, winderosie of verzilting. De verzilting (rond het Aralmeer) is het effect van een onjuist ingerichte irrigatie die wel water aanvoerde, maar niet voldoende water doorvoerde.

Ook het Sovjet-klimaat is hard en het groeiseizoen is kort. Gebieden ten oosten van Moskou kennen nog geen 100 "groeidagen' en zelfs in de Oekraïne zijn het er niet meer dan 120. Aardappels hebben eigenlijk 130 groeidagen nodig.

Het grootste probleem van de Sovjet-landbouw was natuurlijk het Sovjet-systeem zelf, zonder een echte boerenstand maar met de centraal bestuurde sovchozen en kolchozen: de staatsbedrijven pur sang en de kleinere, en in naam autonomere coöperatieve ondernemingen. Het zijn deze sovchozen en kolchozen die nu het onderwerp zijn van vele ingrijpende hervormingsvoorstellen die in strekking variëren van handhaven, met hooguit verpachting van de staatsgrond, tot verkoop en volledige privatisering. Ook zonder expliciete hervorming zal de status en werkwijze van de agrarische ondernemingen de komende jaren zeker ingrijpend veranderen nu wel vaststaat dat optredende financiële tekorten niet langer automatisch door de staat zullen worden aangezuiverd. Dat schijnt vooral de sovchozen te zullen opbreken - de kolchozen werden geacht zichzelf te bedruipen en te investeren uit de "winst'.

Velen menen in het sinds vorig jaar sterk groeiende aantal privéboeren ("gezinsbedrijven') al de effectuering van ingrijpende hervormingen te zien. De schijn bedriegt: wat een zelfstandig ondernemer lijkt te zijn, leeft op een klein stukje eigen grond meestal in strenge symbiose met de dichtstbijzijnde kolchoze of sovchoze waarvan naar believen materiaal en middelen worden "geleend'.

Het is interessant om vast te stellen dat ook Nederlandse ondernemingen die bij landbouw-projecten in de Sovjet-Unie zijn betrokken verschillend oordelen over de wenselijkheid de sovchozen en kolchozen te privatiseren. Is een bedrijf als Euroconsult (Heidemij-Grontmij) daadwerkelijk betrokken bij de privatisering van zo'n kolchoze in de buurt van Moskou, andere wijzen er met nadruk op dat de huidige infrastructuur van de Sovjet-landbouw (wegen, waterleidingen, plaatsing van silo's) absoluut ongeschikt is voor een geprivatiseerde landbouw. “Er zij niet eens winkels waar je gereedschap, kunstmest of bestrijdingsmiddelen kunt kopen.” En Colijn van de Rabobank: “Men vergeet dat er niet eens voldoende roebels in omloop zijn voor een dergelijke grootschalige privatisering.”

De kleine "plots' zouden, zonder dwang, behoedzaam en in de luwte van de sov- en kolchozen moeten uitgroeien en de privé-boeren zouden zich vooral moeten richten op arbeidsintensieve, kapitaalextensieve teelt: vollegronds groenteteelt, varkenshouderij en fruitteelt. “Vooral geen graanteelt!”

Een Nederlandse ondernemer zei het zijn Sovjet-gesprekspartner zo duidelijk mogelijk: Een abrupte opheffing van de sovchozen en kolchozen zou een grotere ramp kunnen worden dan de gedwongen collectivisatie uit de jaren twintig. “Wij kunnen ons geen grotere ramp voorstellen”, was het beleefde antwoord.