MOHAMMED ALI

Danser, dichter, dromer, bokser Muhammad Ali. His Life and Times door Thomas Hauser (with Muhammad Ali) 543 blz., geïll., Simon & Schuster 1991, f 62,- ISBN 0 671 68892 8

In januari wordt hij vijftig. Hij is sereen, diep religieus moslim, schijnbaar gelukkig, en met zijn huidige honderdtien kilo niet eens veel boven zijn ideale gewicht. Maar hij is ziek, beschadigd. Serieus beschadigd. Tremor in de beide handen, evenwichtsstoornissen, coördinatieproblemen, plotselinge slaapaanvallen, en ontregelde reflexen. Symptomen van het Parkinsons syndroom, een dysfunctie van het centrale zenuwstel opgelopen door herhaalde slagen op het hoofd. Gerichte slagen. Harde slagen. Hij lijdt nog net niet aan dementia pugilistica maar veel scheelt het niet.

Het ergste is nog het praten. Dat gaat niet meer goed. Als hij zijn medicijnen niet neemt, is hij onverstaanbaar en druipt het speeksel uit zijn mond. Praten deed hij altijd zo graag. En goed. Praten was zijn handelsmerk. Ze noemden hem de "Loud-mouth from Louisville'; ze noemden hem de "Louisville Lips'. Praten kon hij even onnavolgbaar als boksen. Liefst deed hij beide tegelijk. Met de armen omlaag in de ring sarde hij zijn tegenstander: ""Show me something, sucker! Hit harder! That don't hurt! I thought you were supposed to be real mean!''

Mohammed Ali was de beste bokser aller tijden, en hij wist het. Hoe men ook denkt over boksen, hij oversteeg de sfeer van maffia, geweld, corruptie, doping en sleazy gyms waarin dit stiefkind van de sporten was verzeild. Een kunstenaar was hij, geen vechter. De Ali die we ons moeten herinneren was niet de weerloze vleesmassa die op 11 december 1981 door financiële nood gedwongen op mensonterende wijze afscheid nam. De echte Ali was de bokser die op het hoogtepunt van zijn carrière in 1967 geschorst werd vanwege dienstweigering tijdens de Vietnamoorlog: de Nurejev van de "noble art of self-defence', met een snellere direkte dan Sugar Ray Robinson, een betere lichaamsbeheersing dan Joe Louis, een volmaaktere rechtse hoek dan Rocky Marciano, en beter, oneindig veel beter voetenwerk dan Mike Tyson.

""Float like a butterfly, sting like a bee'', was het parool waarmee hij nieuwe dimensies bracht in de zwaargewicht pugilistiek. Hij was een danser. Hoefde aanvankelijk niets te incasseren (""Look at me, I'm still pretty as a girl'', riep hij steevast na zijn gevechten). Later was dat anders, maar toen bleek ook dat hij meer kon incasseren dan Joe Frazier en Jake (""I won't go down for nobody'') La Motta samen. En dat in een tijd dat wedstrijden nog vijftien ronden duurden.

Dichter was hij bovendien, een geboren rapper, en niet te beroerd vooral zichzelf onderwerp van zijn instantpoëzie te maken:

This is the legend of Muhammad Ali,

The greatest fighter that ever will be.

He talks a great deal and brags, indeed,

Of a powerful punch and blinding speed.

Ali fights great, he's got speed and endurance;

If you sign to fight him, increase your insurance.

Ali's got a left, Ali's got a right;

If he hits you once, you're asleep for the night.

LEVENDE IKOON

Mohammed Ali, geboren als Cassius Marcellus Clay Jr. op 17 januari 1942 in Louisville, Kentucky, had een IQ van 83 maar was een genie. Dertig jaar na zijn gouden medaille op de Olympische spelen in Rome en tien jaar na zijn laatste gevecht is hij nog steeds de bekendste man ter wereld. Onlangs werd de zwart-wit documentaire van de befaamde jazz-fotograaf William Klein uit 1964 opnieuw vertoont in bioscopen in Greenwich Village. Buiten stonden mensen die nog niet geboren waren toen de film werd gemaakt urenlang in de rij om nog een glimp op te vangen van de "champ' in zijn gloriejaren.

De betekenis van Ali overstijgt de boksarena, overstijgt de sport en overstijgt zelfs zijn impact op de negeremancipatie in de Verenigde Staten. Door zijn eigengereidheid is hij een ikoon van de weerspannige jaren zestig (en in tegenstelling tot Robert Kennedy, Martin Luther King, John Lennon en Jimi Hendrix een levende ikoon). Door zijn symbiotische relatie met de massamedia is hij een ikoon van de hele twintigste eeuw. En door die speciale combinatie van een onbreekbare wil om te winnen en een verbijsterende naïviteit (waardoor hij zijn verdiensten van circa zestig miljoen dollar - meer dan alle zwaargewicht kampioenen voor hem tezamen - bijna geheel verkwanselde) is hij een ikoon van de menselijke geest in het algemeen.

Het is dan ook niet meer dan passend dat hij nu in Mohammed Ali. His Life and Times een zeer goede, en als men de laatste twintig moralistische pagina's uit het boek scheurt zelfs voortreffelijke biografie heeft gekregen. Schrijver is Thomas Hauser, een advocaat uit New York en gerenommeerd auteur van non-fictie boeken, waaronder het door de film beroemd geworden Missing. Deze levensschets van Ali is prachtig up-beat geschreven en gecomponeerd als een flitsende televisie-documentaire. Het verhaal is een mozaëk van herinneringen van honderdvijftig mensen uit de direkte omgeving van de bokser en in opvallend bescheiden mate van Ali zelf.

Het resultaat is "oral history' op zijn best. Door de goed gedoseerde jive-talk en mean-street slang heeft het boek een opzwepend ritme. En hoewel Hauser duidelijk is gevallen voor de charmes van "de aardigste man ter wereld', komt toch heel wat vuil bovendrijven. Zoals over zijn compulsieve jacht op vrouwen, de financiële moerassen waarin hij verdwaalde, de corruptie in het Amerikaanse boksmilieu.

En natuurlijk over de wonderlijke wereld van de Nation of Islam, waarin de jonge Cassius Clay stapte, de religieuze sekte (in de pers gedoopt tot Black Muslims) onder de geestelijke leiding van Elijah Mohammed. Die predikte een zonderlinge leer van vreedzame segregatie, maar dan gebaseerd op de superioriteit van het zwarte ras. Onder zijn volgelingen bevond zich ook de charismatische preker Malcolm X, hoofd van Moskee nummer 7 in Harlem, die porbeerde Ali mee te slepen op zijn steeds radicalere pad.

Het lijdt geen twijfel dat Clay oprecht op zoek was naar religieuze inspiratie en een spirituele vormgeving van zijn eigen zwarte bewustzijn. Het probleem was echter dat hoe beroemder hij werd, des te dubieuzer de Black Muslims die om hem heen cirkelden. Bovendien maakten de vele koerswijzigingen en afsplitsingen de zaak ook niet overzichtelijker (Elijah en Malcolm werden doodsvijanden - Ali koos voor de weg van Elijah, later voor de vreedzamer inzichten van diens zoon).

SO GREAT

Ondanks alle emoties in de jaren zestig heeft Ali nooit blijk gegeven van ressentiment tegen blanken in het algemeen. Hij was opgegroeid in een lower-middle-class gezin waarin de rust niet verstoord werd door de cultuur van segregatie in Louisville, maar slechts door de escapades van Clay Sr., een talentvolle letterschilder met iets te veel belangstelling voor drank en vrouwen.

Ali heeft ook vanaf zijn tweede profgevecht tot het bittere einde al zijn vertrouwen gesteld in zijn blanke trainer Angelo Dundee. Gelukkig maar, want hoewel Dundee als de vleesgeworden Italo-Amerikaan vooral bloemetjes-overhemden met puntkragen droeg, was hij zo ongeveer de enige betrouwbare figuur in de Amerikaanse bokswereld.

Toen Clay achttien was, had hij 108 amateur-gevechten achter de rug, en zes Kentucky Golden Gloves, twee Nationale Golden Gloves alsmede twee nationale titels gewonnen. Toch was hij niet bepaald een nationale beroemdheid toen hij in 1960 op de Olympische Spelen in Rome een gouden medaille in de zwaargewicht-klasse veroverde. Aanvankelijk dachten de Amerikanen nog van doen te hebben met een verlegen, goed opgevoede, patriottische en knappe "coloured boy', een ideale neger kortom.

Het verschil was dat Clay praatte, veel praatte en zelfbewust praatte. Al snel werd hij de lieveling van vooral jongere sportverslaggevers en zeker van enkele intellectueel angehauchte journalisten zoals Tom Wolfe die op zoek waren naar het echte leven, en schrijvers als James Baldwin.

Clays grootste gimmick werd het voorspellen van de ronde waarin zijn tegenstanders zou neergaan, en dat in pure rap-vorm: ""I'll predict he will go in round eight, to prove I'm great; If he wants to go to heaven, I'll get him in seven; He'll be in a worser fix, if I cut it to six; And if he keeps talking jive, I'll take him down in five; And if he makes me sore, he'll go in four; And if that don't do, he must fall in two; And if he run, he'll go in one.'' Keer op keer kon Clay zijn voorspellingen ook waarmaken, hetgeen zijn bescheidenheid niet bevorderde. Dat bleek toen hij in 1963 een langspeelplaat opnam met een wonderlijke collage van poëzie en filosofische zelfbespiegeling: ""I'm so great, I even impress myself... It's hard to be modest when you're as great as I am.''

Het was, kortom, tijd voor de wereldtitel. Die was toentertijd in handen van Sonny "Godzilla' Liston, een straatvechter die eigendom was van de georganiseerde misdaad en vele keren gearresteerd was geweest wegens openbare geweldpleging en gewapende overvallen. Hij was wereldkampioen geworden door Floyd Patterson in twee minuten en tien seconden te slopen.

DE DUW

Op 25 februari 1964 was het zo ver. Er was slechts weinig publiek en van de journalisten gokte 93% op een gemakkelijke overwinning van Liston. Hoewel Clay in de derde ronde met een vloeiende combinatie erin slaagde zijn tegenstander serieus in problemen te brengen en zelfs een bloedende snee toe te brengen, dreigde een drama toen hij plotseling een bijtende stof in de ogen kreeg. Mogelijk was het de massage-olie die op Listons lichaam zat, mogelijk ook iets dat die expres op zijn handschoenen had gewreven. In ieder geval was Clay verblind. ""Ik zie niet meer, ik zie niets meer'', riep hij in paniek zijn trainer toe. Dundee dwong hem door te vechten door hem zonder pardon terug de ring in te duwen. Dat was waarschijnlijk de belangrijkste duw die hij in zijn leven zou geven. (""Wat zal ik zeggen? Beethoven schreef zijn beste symfonieën toen hij al doof was. Waarom zou Cassius Clay niet kunnen vechten als hij blind is?'')

Na de zesde ronde was Liston murw en de bokswereld zou nooit meer hetzelfde zijn. Zeker niet omdat Clay de volgende dag zijn transformatie tot de gelovige moslim Mohammed Ali aankondigde en twee jaar later met zijn uitroep ""I ain't got no quarrel with them Vietcong'' zich definitief tot vijand van het establishment maakte. Uitgescholden in de pers en bedreigd met aanslagen bleef Ali in de ring evenwel ongenaakbaar door zijn tegenstanders in woord en vuistslag te venederen. Dat duurde tot in 1967 zijn verzoek tot vrijstelling van dienst werd afgewezen en hij ogenblikkelijk door de boksbond werd geschorst.

EPISCHE GEVECHTEN

Pas in 1970 lukte het weer om Ali in de ring te laten optreden. De mooiste jaren van zijn boksloopbaan, tussen zijn 26ste en 29ste jaar waren zo onvruchtbaar gebleven. Daarna begon een reeks van epische gevechten om de wereldtitel te heroveren en te behouden. Het moet gezegd dat de beschrijvingen van deze wedstrijden in het boek van Hauser eenvoudigweg adembenemend zijn. De drie gevechten tegen Joe Frazier, de drie tegen Ken Norton (in de eerste bokste Ali twaalf ronden met een volledig gebroken kaak), de epische overwinning op George "the sledgehammer' Foreman in Zaïre, bekend als "the rumble in the jungle', zijn alleen nagelbijtend te volgen.

In een inhaalmanoeuvre sloten Amerika en de wereld het overlevende kind van de jaren zestig in hun hart. Hoewel Ali al lang niet meer zweefde als een vlinder en eigenlijk ook niet meer stak als een bij (in de laatste 96 ronden die hij bokste, wist hij geen enkele knock-down meer te scoren), zou hij vechten, moest hij vechten. Er was immers geld, veel geld, te verdienen. Op het einde was hij geen bokser meer, maar een entertainer die zijn eigen mythe opvoerde.

Des te pijnlijker is het te lezen hoe hij uitgezogen werd, beroofd en opgelicht in zijn nadagen. Nog droeviger is het hoe Ali na zijn officiële afscheid nog werd verleid zich twee keer voor miljoenen dollars tot moes te laten slaan. Toen is waarschijnlijk ook de schade aan zijn hersenen verergerd die tot het Parkinsons syndroom heeft geleid.

Maar, zo bewijst deze definitieve biografie, Ali is niet dood, hij leeft. Nu vult hij zijn dagen met liefdadigheidswerk en gebeden tot Allah om wereldvrede. ""Ik sta nog maar aan het begin,'' vertrouwt hij de lezer ten slotte toe, ""I'm on a mission from God.''