Midden-Europa voelt zich vrij maar onveilig

De geschiedenis herhaalt zich, zij het nooit op dezelfde manier. Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije voelen zich net als vroeger bekneld tussen Duitsland en Rusland. Met het uiteenvallen van het Warschaupact en het oplevend nationalisme is de stabiliteit in Midden-Europa verloren gegaan. Niemand weet hoe de nieuwe verhoudingen weer in evenwicht te brengen. De enige hoop is integratie: “Een jeep met een Europese vlag die twee keer per dag de straat door rijdt doet meer voor onze veiligheid dan een extra tankdivisie.”

WARSCHAU-BOEDAPEST-PRAAG, 21 SEPT. De generaal is bij de president. In de burcht bovenop de heuvel ontvangt het Tjechoslowaakse staatshoofd de Britse generaal met alle eer. Het is onduidelijk wat Havel deze warme nazomermiddag met Burrows heeft te bespreken behalve het aangeboden opvanghuis voor daklozen. Als het aan de Midden-Europeanen ligt komen er snel ook andere Westerse generaals op bezoek dan die van het Leger des Heils. Want de landen in Midden-Europa zijn met het uiteenvallen van het Warschaupact weliswaar vrijer geworden, maar niet veiliger.

Beleidsmakers in Praag, Warschau en Boedapest hebben vorige week een groepje bezoekende Nederlandse journalisten op de vele gevaren gewezen die de vrede in hun landen bedreigen. Het is een hele waslijst, en het rijtje mogelijke oplossingen is maar kort. Veiligheid berust op economische en sociale stabiliteit, en die zijn in Midden- en Oost-Europa ver te zoeken.

“Ik wil uw humeur niet bederven, maar de wittebroodsweken zijn voorbij”, waarschuwde István Gyarmati, ambassadeur van Hongarije bij de wapenbeheersingsbesprekingen in Wenen. Een "slecht huwelijk' is volgens hem de typering die gaat passen bij de internationale betrekkingen in Centraal-Europa. “Eind 1989 dachten we dat wij dat we de belangrijkste veranderingen van de laatste veertig jaar hadden doorgemaakt, maar nu weten we beter: de gevolgen van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zijn veel ingrijpender.”

Wat betreft hun internationale veiligheid lijken Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije na veertig jaar Oostblok weer terug bij 1918 en dat geeft een onaangenaam gevoel. “Het is vrij duidelijk wat er gebeurt: Duitsland zal de Verenigde Staten vervangen als de tweede supermacht in Europa”, zegt dr. J. Busniak, hoofd van de afdeling Europese veiligheid op het ministerie van buitenlandse zaken in Praag. “De Duitsers spelen nu in Joegoslavië en bij de erkenning van de Baltsiche landen al een zeer actieve rol, terwijl iedereen dacht dat ze geheel in beslag zouden worden genomen door de hereniging. Van de buitenlandse investeringen in Tsjechoslowakije is tachtig procent Duits. Wat zijn dit anders dan pogingen om een historische positie in Europa terug te winnen? In 1994 zullen alle Sovjet-troepen Duitsland hebben verlaten en dan zal ook de druk toenemen om de Amerikanen te laten vertrekken. Ik zeg niet dat hier militaire agressie uit voortkomt, ik zeg ook niet dat het slecht is, ik wijs er alleen maar op. We hebben in onze geschiedenis nu eenmaal meer slechte dan goede ervaringen met de Duitsers.”

In Polen is de argwaan tegen het verenigde Duitsland het grootst. Walesa's veiligheidadviseur Lech Kaczynski onderstreept dat hij niet anti-Duits wil klinken, maar hij “weet dat de Duitsers extra aandacht hebben voor de gebieden die ooit behoorden tot Hitlers Derde Rijk”.

Janusz Onyszkiewicz, sinds anderhalf jaar onderminister van defensie in Warschau, wil niet twijfelen aan de goede wil van de Duitse politici en de Duitse natie. “Onze grenzen met Duitsland zijn nu zeker. Maar hoe zal de situatie zijn over 20 jaar? Je kunt niets uitsluiten, dus we mogen onszelf zeker niet ontwapenen. Ik maak graag de volgende vergelijking: Een vader vertrouwt zijn opgroeiende dochter volledig, maar toch wil hij voor de zekerheid dat ze 's avonds om negen uur thuis is.”

Ook parlementslid Jacek Szymanderski begint met te zeggen dat Duitsland een toegewijd deelnemer aan de Europese integratie is, waarvan Polen geen gevaar heeft te duchten. “Maar Duitsland is sterk en het is een frontstaat in Europa. Dat is een combinatie die nationalistische gevoelens opwekt: Duitsland als buffer die het beschaafde westen moet beschermen tegen de barbaarse hordes uit het oosten. Het zou bij sommigen in Duitsland de expansiedrift kunnen aanwakkeren.”

Staatssecretaris van buitenlandse zaken Jetzy Makarczyk heeft deze week tijdens een bezoek aan Canada de aanwezigheid van Canadese troepen in Duitsland “van levensbelang” genoemd. Canada wil zijn twee bases in Duitsland sluiten.

Terwijl de argwaan tegen het grote Duitsland groeit, is het wantrouwen tegen de Sovjet-Unie nog lang niet verdwenen. Midden-Europa heeft zich nog niet definitief kunnen losworstelen uit de stevige omarming van Moskou, ook al is de voormalige grote broer ernstig ziek. Hongarije en Tsjechoslowakije, staten die geheel door land worden ingesloten, zijn voor hun energievoorziening bijna volledig afhankelijk van de voormalige Sovjet-Unie. In Moskou hoeft iemand de knop maar om te draaien en in Praag en Boedapest gaan de lichten uit. De enige pijpleiding uit Midden-Europa naar de Adriatische zee loopt dwars door het strijdgebied in Joegoslavië en is inmiddels door de Serviërs afgesloten.

Het vertrek van de Sovjet-troepen betekent dus niet dat Moskou geen macht over de voormalige satellietstaten meer heeft, en dat was te merken bij de onderhandelingen over bilaterale verdragen die de verschillende landen elk met de Sovjet-Unie begonnen na de formele opheffing van het militaire bondgenootschap. De gesprekken verliepen in ijskoude sfeer. “Mijn Sovjet-collega kwam met een dik dossier bij me over wat wij allemaal niet zouden mogen”, vertelt een Hongaarse diplomaat die erop staat anoniem te blijven. “Het kwam erop neer dat wanneer een militair attaché van een Westerse ambassade in Boedapest zijn familie zou bellen, wij al in overtreding waren omdat buitenlandse militairen geen gebruik mogen maken van de Hongaarse infrastructuur.”

De ontwikkelingen volgend op de mislukte staatsgreep hebben aan het barse optreden van de Sovjet-diplomaten een eind gemaakt. Maar het is nog onduidelijk of vertegenwoordigers uit de voormalige Oostblok-landen voortaan worden behandeld als vrienden of nog steeds als broeders. Ook is niet duidelijk wie precies de kernwapens in de Sovjet-Unie zal beheren of wat de buitenlandse politiek van de Russische republiek zal zijn. De Hongaarse onderhandelaar blijft wantrouwig. “De Sovjet-Unie heeft Oost-Europa altijd als haar natuurlijke invloedsfeer gezien, en er is geen reden om aan te nemen dat Rusland dat anders ziet.”

En zo herleeft de oude dreiging weer: Midden-Europa als buffer tussen Oost en West. Dat gevoel leeft in alle drie landen, maar bovenal in Polen. “Ons land is ingeklemd tussen twee staten die in grote verandering zijn: het verenigde Duitsland en de desintegrerende Sovjet-Unie. We weten nog niet wat dit voor onze positie zal betekenen, maar Polen dreigt te worden ingeklemd tussen een sterk West-Europa en een sterk Rusland”, zegt de Poolse onderminister van defensie Onyszkiewicz. Een staat die de rol van buffer accepteert, wordt een een gebied waar twee landen met elkaar gaan concurreren om invloed en dat heeft een destabiliserend effect, waarschuwt hij. “Ons land dreigt een militair vacuüm worden, dat als springplank kan dienen voor een van de twee als die slechte bedoelingen heeft.”

Militair zullen Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije tegen slechte bedoelingen weinig kunnen doen. Het beeld dat in de verschillende hoofdsteden van de strijdmachten wordt geschetst is onthutsend.

De militairen van de Midden- en Oosteuropese landen zijn veertig jaar onderdeel geweest van een grote Warschaupact-strijdmacht die nu niet meer bestaat. Ze dienden ter verdediging van de Sovjet-Unie, volgden de strategie van de Sovjet-Unie, werden opgeleid in de Sovjet-Unie en kregen (tweederangs) materieel uit de Sovjet-Unie. De eenheden staan nog steeds voornamelijk westwaarts opgesteld en worden niet in staat geacht het nationale grondgebied langer dan twee dagen tegen aanvallen van andere kanten te verdedigen.

Hongarije bij voorbeeld heeft maar heel weinig gevechtsvliegtuigen; de luchtverdediging van die sector zou, in geval van nood, door de Sovjet-Unie zelf ter hand zijn genomen. Het veelgeroemde luchtafweersysteem rond de hoofdstad is heel effectief, maar wel alleen tegen vliegtuigen die op een hoogte van tien kilometer komen aanvliegen. Die zullen waarschijnlijk niet op weg zijn naar Boedapest maar naar Moskou. De legerleiding geeft openlijk toe dat het onbestraft laten van de vele schendingen van het Hongaarse luchtruim door Joegoslavische MiG's niet zozeer een politieke keuze is, als wel militair onvermogen.

Het invoeren van een nieuwe militaire doctrine zal veel tijd vergen. De beschikbare officieren zijn in het verleden geselecteerd op basis van politieke betrouwbaarheid, het duurt jaren voordat een nieuwe generatie zich zal aandienen. De wapenuitrusting zal voorlopig ook van Sovjet-makelij blijven, want voor de aankoop van nieuw materiaal in het Westen ontbreekt het geld. En dus zal ondanks het vertrek van één Hongaar naar een Britse opleiding, de scholing en training op Moskou blijven georiënteerd, zegt chef-staf Janos Deák. Hij is daar zelf overigens ook geweest en wijst erop dat de Sovjet-krijgsscholen “ongelukkigerwijs erg goed” zijn.

Ook Karel Pezl, na de Praagse lente van 1968 als kolonel uit het Tjechoslowaakse leger verwijderd en nu als chef van de landmachtstaf teruggekeerd, onderstreept dat er nog een lange weg is te gaan. “Vroeger was ons leger bedoeld voor activiteiten in de eerste lijn, altijd klaar om de confrontatie aan te gaan. Dat komt tot uiting in de opleiding en het soort bewapening. Deze opstelling is onaanvaardbaar voor een democratisch land. Tweederde van onze strijdkrachten is geconcentreerd op een derde deel van ons grondgebied. Maar er moeten nog kazernes worden gebouwd om de troepen elders onder te brengen. En we kunnen Tsjechische officieren niet zomaar overbrengen naar Slowakije, waar hun kinderen naar Slowaakse scholen zouden moeten. Het overbrengen van eenheden uit het westen naar de rest van het land is een langdurige operatie.”

Het beeld van de deplorabele veiligheidssituatie is nog niet compleet. De kans op problemen tussen landen wordt in Midden-Europa namelijk aanzienlijk vergroot door de vele potentiële conflicten tussen nationaliteiten die over verscheidene landen zijn verspreid.

Zo is in Polen onrust ontstaan over de behandeling van de Poolse minderheid in Litouwen. In de net erkende Baltische staat leven naar schatting 200.000 Polen, die in de verdrukking dreigen te komen door de nationalistische gevoelens die bij het streven naar onafhankelijkheid zijn opgezweept. De regering in Vilnius heeft de bestuursorganen in de twee districten waar de minderheid is geconcentreerd opgeheven. Functionarissen van Poolse afkomst zijn ontslagen en het tonen van Poolse symbolen in het openbaar is verboden.

Polen kijkt ook met een schuin oog naar de Oekraïne en Wit-Rusland, grote Sovjet-republieken die zich onafhankelijk hebben verklaard. “Delen van de Oekraïne waren voor de oorlog Pools, maar wij zullen niets claimen. Ik hoop alleen dat ook de Oekraïners zullen afzien van territoriale claims. Er zijn al krachten daar die de grenzen willen wijzigen”, zegt Lech Kaczynski, veiligheidsaviseur van president Walesa.

Kaczynski waarschuwt dat deze "krachten' moeilijk in toom zijn te houden als het in de Oekraïne onrustig wordt. En onrustig kan het worden, volgens Kaczynski. “De Oekraïne is op dit moment een leger aan het opbouwen terwijl er nog Sovjet-troepen in het land zijn. Als er problemen ontstaan, moeten we rekening houden met onverantwoordelijke stappen van militairen die zich buiten politieke controle plaatsen.” Kaczynski laat niet na erop te wijzen dat de buren in het zuidoosten tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de zijde van de nazi's vochten en geen democratische traditie hebben.

Zoals de Polen met argusogen naar Litouwen en de Oekraïne kijken, spieden de Hongaren naar bijna alle kanten. Er wonen grote Hongaarse minderheden in Tsjechoslowakije, Roemenië en Joegoslavië en de regering in Boedapest werpt zich ondubbelzinnig op als hun vertegenwoordiger. Hongarije stelt geen eisen maar wil alleen dat alle Hongaren gewoon Hongaar kunnen zijn, zegt minister van defensie Lájos Für. En dat betekent bij voorbeeld dat ze onderwijs in het Hongaars moeten kunnen krijgen, ook in het buitenland.

Het grootste gevaar voor de Hongaarse veiligheid is volgens minister Für dan ook het uitbreken van een burgeroorlog in een van de buurlanden. Als er Hongaarse minderheden bij betrokken raken zou de strijd naar Hongarije zelf kunnen overslaan. De betrekkingen met Roemenië kwamen al enkele maanden na de val van Ceaucescu onder zware druk door de behandeling van de Hongaarse minderheid in Transsylvanië, en op dit moment is Boedapest zeer bezorgd over de strijd in Joegoslavië. In Kroatië dienen jongens van Hongaarse afkomst als dienstplichtige in het federale leger. “Er wonen 500.000 Hongaren in Joegoslavië en we staan niet neutraal tegenover hun positie”, onderstreept Für. De eerste Hongaarse Joegoslaaf is al gesneuveld en dat is tot ver over de grens gevoeld. Duizenden anderen zijn naar Hongarije gevlucht en kunnen daar tenauwernood worden opgevangen.

Tsjechoslowakije kampt vooral met een grote minderheid in eigen land. Het grootste gevaar voor onze veiligheid is de dreigende afscheiding van Slowakije, zegt minister van buitenlandse zaken Jiri Dienstbier. De regering bereidt een referendum voor over de toekomstige structuur van het land, maar in Praag gaan geruchten dat het Slowaakse parlement in Bratislava al volgende maand eenzijdig de onafhankelijkheid zal uitroepen. “Het enige dat ik zeker weet is dat Tjechen en Slowaken niet op elkaar zullen schieten”, zegt Dienstbier. Hij lijkt zichzelf moed in te spreken.

De veiligheidsrisico's zijn groot, de mogelijkheden voor verdediging beperkt. Wat is volgens de beleidsbepalers in Warschau, Praag en Boedapest dan de beste manier om de vrede in de regio te handhaven?

“De situatie verandert zo snel dat ik moeilijk kan beweren dat we een strategie hebben”, erkent Walesa's veiligheidsadviseur Kaczynski. Zijn collega's in Boedapest en Praag zouden hetzelfde gezegd kunnen hebben. Samenvattend kunnen hun opvattingen als volgt worden weergegeven.

De NAVO zal nog vele jaren nodig zijn, in elk geval om Amerikaanse troepen in Europa te houden en daarmee ook te voorkomen dat de Europese landen onderling slaags raken. Wanneer de NAVO haar veiligheidsgarantie uitbreidt tot de Midden-Europese landen reikt deze stabiliserende kracht tot aan de grenzen van de voormalige Sovjet-Unie. Zo kan het bondgenootschap zelfs op de nationalistische groepen daar nog een kalmerende invloed hebben. De NAVO kan alvast beginnen met concrete maatregelen om Midden-Europa onafhankelijker te maken van de Sovjet-Unie, zoals de aanleg van een oliepijpleidingen naar het westen.

Uiteindelijk moet er een Europees "veiligheidssysteem' ontstaan, waarin de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) zich actief opstelt bij potentiële conflicten, normen stelt en de naleving daarvan met een interventiemacht kan afdwingen. “Wij vestigen misschien wel veel hoop op de tot nu toe vrij machteloze CVSE, maar dat is nu eenmaal de enige organisatie waarvan zowel wij als de Verenigde Staten lid zijn”, verklaart de Hongaarse wapenonderhandelaar Gyarmati.

Omdat Midden-Europa niet de tijd heeft om te zitten wachten totdat de CVSE zichzelf heeft versterkt, sluiten de verschillende landen politieke akkoorden met hun buren. De "regionale samenwerking' zou zo'n niveau moeten bereiken dat oorlog ondenkbaar wordt. Maar regionale samenwerking kan een gevaar opleveren als de ene regio tegenover de ander komt te staan en daarom moeten verschillende overlegstructuren elkaar overlappen. Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije willen dus niet samen samen een militair pact sluiten, dat zou te bedreigend overkomen op buurlanden als Roemenië en de Oekraïne.

Als beste garantie voor stabiliteit in Midden-Europa wordt in Warschau, Praag en Boedapest echter de verlichting van de binnenlandse problemen en de versterking van de wankele democratie gezien. Het uitblijven van vooruitgang vormt een vruchtbare bodem voor populisten die radicale nationalistische "oplossingen' prediken.

Egon Lansky, woordvoerder van het Tjechoslowaakse ministerie van buitenlandse zaken, onthult bijvoorbeeld dat zodra hij in het openbaar iets positiefs over Duitsland zegt, hij nog zakken vol agressieve brieven van haatdragende landgenoten binnenkrijgt. “Na veertig jaar communisme weten de mensen hier niet wat de ware betekenis is van woorden als democratie en tolerantie.”

Het liberale Hongaarse parlementslid Miklós Haraszti verzucht als hem wordt gevraagd naar de discussie in het parlement over veiligheidspolitiek: “We hebben geen politieke discussie in het parlement. Er is geen tijd voor, we zijn een wettenmachine. We proberen het soms tussen de verschillende stemmingen op de agenda te wurmen, maar zelfs dat is al teveel spreektijd om het publiek betrokken te houden. Het volk is alleen geïnteresseerd in de partij die een snelle sprong naar de welvaart belooft.”

We moeten vooral niet denken dat nu Lech Walesa en Václav Havel president zijn alles in hun landen meteen is veranderd. “Het grootste deel van de bevolking heeft van de democratische hervormingen nog niets gemerkt”, verklaart Jan Sokol, vice-voorzitter van het Tjechoslowaakse parlement, “en positieve voorbeelden ontbreken.” Het Westen moet volgens hem ondubbelzinnig aangeven dat Midden-Europa "erbij hoort'. En dat betekent niet alleen het toelaten van produkten tot de EG-markt. Sokol roept de EG ook op brochures, video's en posters met de grondregels van de democratie te verspreiden onder schoolkinderen en uitwisselingsprogramma's te organiseren voor de jonge arbeiders die van de veranderingen nog niets hebben gemerkt. Alleen als de bevolking de aanwezigheid van "Europa' elke dag voelt kan er vertrouwen in de toekomst groeien. “Een jeep die twee keer per dag met een Europese vlag de straat doorrijdt doet meer voor de veiligheid van Tsjechoslowakije dan een tankdivisie.”

Tegen zijn gehoor, dat op het ministerie van buitenlandse zaken dacht te komen praten over wapenbeheersing en allianties, zegt Jiri Dienstbier: “Het kan jullie toeschijnen dat wij het teveel hebben over interne aangelegenheden, maar die zijn nu eenmaal van het grootste belang. In de tijden van een bipolaire structuur had de wereld weinig interesse in wat er zich binnen de Oostbloklanden afspeelde, want dat maakte toch niets uit. Nu maakt het wel uit. De veiligheid in Europa is niet gegarandeerd zonder oplossingen voor de binnenlandse problemen in de Middeneuropese landen, want die problemen zijn de grootste destabiliserende factor.”

Aan de voet van de heuvel waarop de presidentiële burcht hoog boven Praag uittorent, is te zien hoe in Midden-Europa niet zozeer de democratie ontluikt als wel het kapitalisme. Op straathoeken in het historische centrum drijven Westerse zakenlui antiek- en souvenirhandels. Op de stoep parkeren Porches en Mercedessen. En op het statige Wenceslas plein, waar twee jaar geleden de fluwelen revolutie werd gemaakt, prijzen mannen in leren jassen 's avonds hun breed uitgestalde waar aan: hoeren.