Litouwen

In NRC Handelsblad van 17 september vragen twee briefschrijvers in reactie op op het artikel van J. Houwink ten Cate (13 september), zich af wat de oorzaak is van de “grootscheepse misdrijven tegen de joden in de periode 1941-'45”.

Dat de Litouwse joden een niet onbelangrijk aandeel hadden in de collaboratie met de Sovjet-bezettingsmacht is een onloochenbaar historisch feit, maar het is eveneens historisch onloochenbaar, dat uitingen van jodenhaat door de eeuwen heen een belangrijk aspect van de Litouwse folklore zijn geweest, of het nu ging om Litouwen als deel van het tsarenrijk, als onafhankelijke staat (1918-'40) of als deel van de Sovjet-Unie.

Het is alleszins begrijpelijk dat de Litouwse joden, hoewel ook slachtoffer van de stalinistische terreur, bij het aanbreken van de Sovjet-heerschappij, het nieuwe regime met een gematigde sympathie begroetten, daar het voor het eerst in de geschiedenis alle anti-joodse wettelijke, sociale en economische maatregelen had geannuleerd.

The Jerusalem Post van 3 september schrijft: “The Baltic people in the main were pioneers in implementing the "final solution'. They were not coerced. They celebrated the German invasion, which they considered a liberation from the hated Soviet rule, by committing the first mass murder of Jews in World War II, and throughout the war they were the Nazis' most ardent helpers in the work of extermination”.

Dat de Litouwse joden in 1940-'41 van een zekere voorkeur blijk gaven voor een regime dat hun bescherming bood tegen uitingen en excessen van jodenhaat was hun goed recht en alleszins begrijpelijk.