Kom dan sikkies!

De ochtend geurig en nat, de zon een bleke vlek boven het bos van Haarzuilens. Het is gedaan met de zomer, de rust keert weer op de Hollandse Kade. Aan weerszijden ligt de polder open voor het oog van de voetganger.

Een stel kalveren, nog hoog op de poten en tuk op een verzetje, komt naar het hek hollen om naar de hond te kijken. Zij schijnen zich niet bewust van de grote gele oormerken die naar de supermarkt verwijzen, die te kennen geven: dit zijn geen dieren, dit is vlees.

Wat vogels betreft: koekoek, kiekendief, wintertaling. Nu en dan scheurt zich een watersnip los uit de slootkant. Achter een elzenhaag klinkt het gerucht van zwaluwen, zigzaggend op weg naar het zuiden.

Hou je een tijdje halt, dan wordt de kade nog stiller. Dan zie je verderop het ravotten van een hermelijn. Het kunnen er ook twee zijn.

Nu gaat een beweging door de schapen, die in het weiland liggen, staan, lopen. Daar komt een boertje in beeld. Blauwe kiel, blauwe broek, klompen. Zo krom, dat zijn bovenlijf evenwijdig loopt aan de horizon. Hij heeft tegenwoordig een stok nodig om vooruit te komen.

""Sikkies! Kom dan sikkies! Hoe is 't met jullie?'' Hij komt zijn schaapjes tellen. Ze gaan op hem toe, heffen verkennend hun snuit, bekijken hem met hun raadselachtige blik, laten zich de rug krabben. Hij komt zijn schaapjes aaien.

""Sikkies! Kom maar, ik zal je heus niet opeten hoor, hahaha!'' Een schrille schaterlach.

Meestal kom je hem tegen op zijn roestige Gazelle, de armen op het stuur. 's Winters draagt hij een versleten luchtmachtjasje. Hij kent iedereen die zich meer dan eens op de kade vertoont. Stopt altijd om een praatje te maken. Elke tweede zin uit zijn mond is bedoeld als gekheid.

Hij bezit drie hectare land, verdeeld over vier percelen.

Op het eerste perceel lopen twintig oude ooien. Die hebben twee keer of vaker gelamd. De eerste keer werpen ze eenlingen, daarna twee- of drielingen. Dat is tenminste de bedoeling. Er zitten ertussen die vijf keer gelamd hebben, maar dat is wel zo'n beetje het maximum. Ze krijgen uiergebreken, gaan minder melk geven. Aan éénspenen heb je natuurlijk niks.

Op het tweede perceel lopen veertien rammen, allemaal van dit jaar. Die hou je gescheiden van de ooien. Anders gaan ze lopen raggen en dan blijven ze mager. Of ze gaan lopen vechten. Keihard met de koppen tegen elkaar en dan is het gek genoeg altijd de grootste die zijn nek breekt. Deze jonge rammen gaan er allemaal uit. Twee of drie kunnen geluk hebben en voor de fokkerij naar een ander gaan. De rest gaat voor de dood. Nou ja, op den duur gaat natuurlijk alles voor de dood.

Op het derde en vierde perceel lopen drie jonge ooien met hun lam, plus dertien ooilammeren van de oude ooien. Ze worden van elkaar gescheiden bij het scheren, in juni ongeveer. Dan is het verstandig de ooien een paar weken te laten hongeren; dan verdrogen de "uren' beter, dan krijg je minder uierontstekingen.

Je hebt boeren die hun ooien genadeloos aanpakken. Die laten ze in het najaar helemaal vermageren.. Dan het volle gras in, dan de ram erbij, dan krijg je meer tweelingen. Maar dit boertje gelooft daar niet in, doet er althans niet aan mee.

Hij houdt twee rassen: wit en zwartbles. Zijn witte schapen hebben een donkere neus, er zit iets van een Texelaar in. Op de echte Texelaar heeft hij het echter niet begrepen. Die lammen vaak zwaar en werpen veel eenlingen en dan heb je wel een betere slachtkwaliteit, maar een lammetje minder.

Zijn hart gaat uit naar de zwartbles. Die is qua bouw wat hoger en smaller. Die geeft gemiddeld wat meer lammeren en werpt nogal makkelijk, je hebt er minder omkijken naar. Maar het gaat toch vooral om de aanblik: een wit koppel kan hij mooi vinden, een bont koppel vindt hij prachtig.

Van een zwartblesooi kun je bonte lammeren krijgen, of zelfs witte. Die zijn van de echte witte te onderscheiden door hun witte neus! Afijn, dan heb je geen goeie ram gehad.

Dit jaar: allemaal vlekkeloos zwarte lammeren met een volmaakte bles op de kop, allemaal sprekend hun vader, die vererfde enorm, een kei was dat.

Elk jaar koopt hij twee rammen, een witte en een zwarte. Je kijkt naar de bouw, de poten, de kleur, maar je wilt vooral weten of het er één is van een tweeling.

Ze gaan niet voor 10 oktober de wei in. Het eerste lam (draagtijd: vijf maanden min een week) komt dus niet voor de eerste maart. Dat is niet vroeg, maar je hebt het voordeel dat ze vlug op elkaar komen. Dit jaar vielen alle geboorten binnen een termijn van drie weken. Dat werkt handig.

Deze fokrammen zijn de enige vreemde schapen die hij erbij haalt. Dat betekent minder kans op ziekte (kreupelrot, schurft, abortus, longjacht). Dat betekent ook dat al die schapen afstammen van de eerste.

Vijfenveertig jaar geleden begon hij ermee. Hij was mollenvanger. Als een boer vroeg wat hij voor zijn werk moest hebben, zei hij: laat mijn schapen maar een tijdje bij jou in de wei lopen.

In '52 kocht hij een huisje op Teckop. Vreemde eend in de bijt: een keuterboertje aan een zandweggetje dat werd gedomineerd door welvarende melkbedrijven, die van generatie op generatie in hetzelfde geslacht bleven. Hij liet een paar schuren op zijn werf zetten en nam kippen, varkens en mestkalveren. Een jaar of vijf later wist hij grond te verwerven en ging hij koeien houden: vijftien stuks.

Maar hij is nu 72. Op zijn 57-ste heeft hij twee hartinfarcten gehad. Toen heeft hij het melkbedrijf eraan gegeven. Nou ja, voor de aardigheid had hij nog één koe en die stond het hele jaar op stal. En dan kun je zeggen: is dat niet zielig, maar hij had een keer een kalf, die stond vanaf zijn geboorte twee jaar lang binnen, en toen die van de hand werd gedaan en bij een ander in de wei kwam te lopen, toen is die van heimwee doodgegaan. Ja!

Anderhalf jaar terug heeft hij ook die ene koe moeten wegdoen en varkens zijn er ook niet meer; het wordt akelig leeg op de werf.

Alleen de schapen nog. ""Kom dan sikkies!''

Wat zien ze er dom uit als ze met stuiptrekkend opgestoken poten op hun rug liggen, volkomen machteloos, terwijl je ze met je pink overeind kunt zetten. En zo dom als ze dan bij je vandaan lopen en bij de andere gaan staan! Maar zijn ze ook werkelijk zo dom?

Om daar achter te komen, moet jij het land eens inlopen. Naar jou komen ze heus niet toe. Ze gaan verdedigend op een kluitje staan. Ze stampen met hun poot en blazen in het uiterste geval een fluitend geluid door hun neus. Ze kennen dus hun baas van een vreemde. Dat is zo dom nog niet.

En verder: als je er een ram bij zet, dan dekt-ie de zwarte schapen overdag! (Nu is het de bedoeling dat de slimme jongen, die dit stukje schrijft, vraagt waarom; dan zegt dat boertje: ""Ja, die kenne ze 's nachts niet vinden!'')

De Hollandse Kade, afgelopen zondag. Hoe lang nog?