In Irian Jaya blijft Noak Lagoan wachten op een auto; Verwarring in de Baliemvallei

Toen de Nederlanders de Baliemvallei in Irian Jaya verlieten, gaven zij de grond aan de Mukokostam. Indonesische ambtenaren kwamen, bouwden er huizen en begonnen de grond te verkopen. Noak Lagoan is nog helemaal naar Jakarta gereisd om over een vergoeding te praten. Daar heeft, aldus Noak, de minister van binnenlandse zaken hem een enorme schadeloosstelling beloofd. Noak wacht nog steeds.

Een vuurtje knettert, een kind huilt, in het schemerdonker van de hut wordt gefluisterd. Twintig mannen, de helft alleen gehuld in peniskokers, hurken langs de wand van het gemeenschapshuis. Iemand brengt een houten krukje voor de verslaggever, die uit het verre Jakarta is gekomen om te luisteren naar het verhaal van Noak Lagoan.

In afwachting van zijn komst roken de mannen zelfgemaakte sigaretten. Door de deuropening van de hut zie ik de Jayawijaya-bergen, steile, in nevelslierten gehulde toppen, die de Baliemvallei tot diep in de twintigste eeuw verborgen hielden voor de buitenwereld.

Dan verschijnt een donkere, rijzige gestalte. Een Papoea van middelbare leeftijd, in een gestreept T-shirt en korte broek, betreedt de hut: Noak Lagoan. Hij schudt me de hand en spreekt in gebroken Indonesisch een dankwoord uit, want hij weet waarvoor ik kom. Hij hurkt naast me om nog eens uit te leggen welk onrecht hem en zijn volk is aangedaan.

""Jaren geleden...'' - hij kijkt om zich heen, iemand zegt: "1984' - ""reisde ik met mijn vrouwen naar Jakarta. Daar sprak ik met de minister van binnenlandse zaken, dat was toen meneer Soepardjo Rustam, over onze grond, waarop de Indonesische regering een stad heeft gebouwd, maar waarvoor nooit is betaald. Ik had een kaart bij me en legde hem alles uit. De minister zou erover nadenken en zou me laten weten welk besluit hij had genomen. Ik reisde terug naar Irian Jaya. De minister riep zijn assistenten bij elkaar, besprak de zaak en na een maand nam hij een besluit. Hij zei: "Zeg tegen Noak Lagoan dat ik hem voor zijn land zal betalen'.''

Welk land? vraag ik. Hij neemt me mee naar buiten en wijst met een brede armbeweging naar het midden van het dal. Daar ligt Wamena, het bestuurscentrum van het Centrale Bergland, de enige stad in de Baliemvallei. ""Wamena'', zegt Noak plechtig, ""is gebouwd op het land van Mukoko. Toen de Nederlanders kwamen, bouwden zij daar een post en legden een vliegveld aan, maar voor ze weggingen, gaven zij de grond terug aan Mukoko. Toen kwamen de Indonesische ambtenaren, bouwden huizen en begonnen onze gemeenschapsgrond te verkopen.''

Noak Lagoan zegt te spreken namens alle vijftien clans van de Mukoko, een van de suku ("stammen') die de Baliemvallei bewonen. ""De minister'', zegt Noak, "beloofde ons volk schadeloos te stellen''. Hoeveel, vraag ik. Noak: ""Schrijf maar op: negentien biljoen rupiah.''(ongeveer 19 miljard gulden).

Aduh, verzucht ik, dat is veel geld, vader. Noak: ""Jawel, dat wil zeggen, voor elk van de vijftien clans een taxi van het type Mitsubishi Colt, achtduizend betonnen huizen van zes bij acht meter, plus compleet huisraad en beddegoed - want het is hier koud 's nachts - vier accu's van 800 kilowatt, een naaimachine plus stof voor elk van de twaalf districten in het Centrale Bergland en 580 varkens. Heeft u dat?''

Dan vertelt hij wat er mis ging: ""Die belofte is nooit nagekomen. Er kwam een brief uit Jakarta dat ik in Wamena moest wachten op de minister, hij zou mij het geld komen overhandigen. Maar de bupati (regent) van Wamena speelde een spelletje. Hij schreef de minister dat hij beter weg kon blijven, want er werd een stammenoorlog uitgevochten in de Baliemvallei, het was er niet pluis. Dat was helemaal niet waar, maar de minister geloofde de bupati en bleef weg. Daarop ben ik teruggegaan naar Jakarta, ik heb alles uitgelegd aan leden van het parlement, maar tot op heden heb ik het geld nooit gezien.''

Documenten

Voor we afscheid nemen, geeft hij me een stapeltje paperassen: ""Dit zijn de documenten waar u naar vroeg.'' Ik ben verbaasd - staan deze enorme bedragen echt op papier? Ik blader door de stukken: een erfpachtovereenkomst tussen het Nederlandse gouvernement en een Amerikaanse missionaris; een verklaring waarin een tiental "clan-hoofden' van de Mukoko Noak machtigt om voor hen op te treden in Jakarta, ondertekend met tien vingerafdrukken; cijfers over ontwikkelingsprojecten in de Baliemvallei. Ik zie niet zo gauw een ministeriële toezegging. Desgevraagd geeft Noak een van zijn vrouwen opdracht zijn adres te noteren; hij kan zelf niet lezen of schrijven.

Wasema, Noaks kampong, ligt in een bocht van de Baliemrivier, een uur lopen van Wamena. Als ik door de vallei terugwandel naar de stad, duizelt het me: het contrast is te groot. Deze ongeletterde man, die temidden van zijn vrouwen en naakte clan-oudsten een claim in het droge gras legt waarvan een Nederlandse minister van financiën iets weg zou moeten slikken. Is Noak uitgekookt of in de war?

Het pad van de kampong naar Wamena loopt dood bij het vliegveld. Als er geen bewolking hangt boven de smalle aanvliegroute naar de vallei, landt hier driemaal per dag een toestel uit de provinciehoofdstad Jayapura. Tussen de vluchten door dient de geasfalteerde landingsbaan als de boulevard van Wamena. Papoea-mannen genieten van de namiddagzon. Een van hen komt terug van de markt met een aangelijnd varkentje. Hij wacht geduldig als het beest wat in de modder langs de baan wroet. Een man, alleen gehuld in koteka (een peniskoker), wandelt voorbij met een opgevouwen paraplu. Een paraplu? Mocht er een buitje vallen, legt mijn Papoea-gids uit, dan wordt zijn met varkensvet geboetseerde haartooi niet nat.

Ik kwam Noak op het spoor door een stukje in de Jakarta Post van 29 januari 1991. Een "stamhoofd' uit de Baliemvallei had zijn beklag gedaan bij een commissie van het nationale parlement. Het artikeltje stemt grotendeels overeen met het verhaal dat Noak me vertelde, met één verschil: de hoogte van de beloofde schadevergoeding. Volgens de krant sprak Noak van 600 miljard rupiah, tegen mij noemde hij liefst dertigmaal zo veel!

Een paar dagen later spreek ik Barnabas Suebu, de gouverneur van de provincie Irian Jaya, die een rechtstreekse lijn heeft met het ministerie van binnenlandse zaken. Pak Bas, hoe zit dat met die belofte aan Noak Lagoan? Suebu, een Papoea uit de streek rond Jayapura, weet onmiddellijk waar het over gaat en ontploft: ""Samasekali nonsens itu!'' (Dat is je reinste flauwekul). De grond waarop Wamena staat, is destijds door de traditionele eigenaren overgedragen aan het gouvernement van Nederlands Nieuw-Guinea; die transactie is toen gesloten. Op het moment van de overdracht van West-Irian werd, overeenkomstig onze wet, Nederlandse staatsgrond automatisch eigendom van de Indonesische regering. Binnen bepaalde grenzen; buiten Wamena gelden nog de traditionele grondrechten. Een dergelijke schadevergoeding is ook nooit beloofd, aldus Suebu. Dit is een vals bericht, de bron deugt niet.

Incident

Kort daarop blijkt dat Suebu de bron in kwestie, meneer Noak Lagoan, van zeer nabij kent. Een Nederlandse missionaris met een lange staat van dienst in Irian Jaya, meent zich het geval te herinneren: ""Noak Lagoan? Daar was iets mee, laat me eens zoeken.'' Uit zijn archief duikt hij een aflevering op van de Tifa Irian, een weekblad dat verschijnt in Jayapura, gedateerd maart 1990. Op de voorpagina staat iets over een incident dat zich enkele dagen tevoren had afgespeeld in Jakarta.

Ik lees: ""In het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt het stil. De gouverneurs uit heel Indonesië onderbreken hun beraad om te gaan lunchen. In de vergaderruimte blijven alleen de gouverneur van West-Kalimantan en zijn collega van Irian Jaya, Barnabas Suebu, achter. Plotseling stormt een man de zaal in, die woeste kreten slaakt en zwaaiend met een kapmes Suebu te lijf wil gaan. Opschudding alom. De enige die kalm blijft, is Suebu. Hij neemt het zelfs voor de man op: "Dit is geen misdadiger, hij begrijpt het probleem alleen niet zo goed'.''

De naam van de aanrander: Noak Lagoan. Hij had een paar maanden in Jakarta gebivakkeerd om zijn zaak op het hoogste niveau te bepleiten, ving overal bot en werd, zoals de Indonesiërs dat noemen, mata gelap, in hedendaags Nederlands: hij ging uit zijn bol. Noak verdween in het gevang, maar dook een paar maanden later weer op in Wamena. Kennelijk heeft hij machtige beschermheren, want de Indonesische justitie is gewoonlijk niet zachtzinnig jegens Papoea's die naar de wapens grijpen.

Eenmaal terug in Jakarta besluit ik contact op te nemen met Soepardjo Rustam, van 1983 tot 1988 minister van binnenlandse zaken en tegenwoordig bewindsman van sociale zaken. Hij zou Noak dat exorbitante, almaar oplopende bedrag hebben toegezegd. Klopt dat? Soepardjo Rustam: ""Hoeveel zei u? Fantastisch! Hoe kan ik zoiets nu beloofd hebben, ik ben toch niet gek! Dat kan niet eens: zoiets loopt via een speciale commissie.'' De minister herinnert zich dat hij jaren geleden bezoek kreeg van een delegatie Papoea's uit Wamena, die hem om schadevergoeding vroegen voor hun grond. Soepardjo: ""De heren spraken nauwelijks Indonesisch en we communiceerden via een tolk. Ik ben een goede luisteraar en misschien heb ik af en toe begrijpend geknikt. Ik kon ook niet controleren of de tolk mij correct vertaalde. In ieder geval heb ik niks beloofd. Dat kan toch niet?''

Heeft Noak wel een been om op te staan? Hij houdt vol dat de Nederlanders, voor hun vertrek in 1962, de grond waarop de bestuurspost Wamena was gebouwd, hebben "teruggegeven' aan de Mukoko. Via de ambassade kom ik op het spoor van een van de laatste Nederlandse bestuurders in de Grote Vallei, de heer J.F.R.M. Veling, sinds 1 september Nederlands ambassadeur in Damascus. Ik krijg hem aan de lijn op zijn vakantie-adres in Nederland.

Veling: ""Ik arriveerde in 1959 als piepjong bestuursambtenaar in de Baliemvallei en ik ben in augustus 1962 vertrokken, kort voordat de Verenigde Naties de zaak overnamen. Ik kan u verzekeren dat toen ik vertrok van een dergelijke overdracht aan de Mukoko geen sprake was. Het lijkt me ook niet erg waarschijnlijk. In de jaren vijftig moest er een vliegveld worden aangelegd. Daarvoor is een plekje gekozen in wat in onze ogen niemandsland was tussen twee elkaar beoorlogende stammen: de Mukoko en de Walesi. Die twee ramden voortdurend op elkaar in. We hebben toen een grensstrook gekozen waar beide aanspraak op maakten en waar ze zich niet ongestraft in konden begeven. Daar zijn het vliegveld en de bestuurspost Wamena gebouwd. Het vliegveld is allang gemoderniseerd, maar ligt nog steeds op dezelfde plek en de post is uitgegroeid tot de stad Wamena. Omdat wij die grond als niemandsland beschouwden, lijkt het me onwaarschijnlijk dat de Mukoko aan het langste eind hebben getrokken.''

Volgens Veling is er voor de grond ""hoogstwaarschijnlijk nooit compensatie betaald. Er waren immers in onze ogen geen clans die er exclusief aanspraak op konden maken. De naam zegt het al: het was niemandsland.''

Omzichtig

Noaks claim brokkelt steeds verder af. Toch is het opvallend hoe omzichtig hij in Jakarta wordt behandeld. Na zijn kennelijke poging tot doodslag was hij binnen enkele maanden weer op vrije voeten en nog in januari werd hij ontvangen door de regeringsfractie in het parlement. Van tweeën één: de Mukoko kunnen aanspraak maken op compensatie - en dan gaat het slechts om de hoogte van het bedrag - of Wamena staat op regeringsgrond en de aanspraak van de Mukoko kan met puur juridische argumenten worden afgedaan.

De zaak-Wamena komt in een wat ander licht te staan als we de aandacht verleggen naar de ontwikkelingsinspanningen van de Indonesische regering in het gebied rond Wamena. Daaruit blijkt dat de overheid de grondkwestie niet als afgedaan beschouwt en indirect erkent dat ze nog een schuld heeft te vereffenen in de Baliemvallei.

In december 1988 kwam een zware delegatie uit Jakarta naar Wamena voor de plechtige inwijding van een gezamenlijk project van het provinciale bestuur van Irian Jaya en het Indonesische Instituut voor Wetenschappen (LIPI): het Ontwikkelingsproject Plattelandsbevolking Wamena. In het officiële verslag, opgesteld door een ambtenaar van Sociale Zaken, staat onder meer het volgende: ""De Baliemvallei wordt bewoond door een grote stam, de Dani, waarbinnen meerdere sub-stammen bestaan: de Mukoko, de Walesi, de Hubi-Kossi, de Wuko en andere. In de Nederlandse tijd vormden de Mukoko in de Baliemvallei een kleine, zwakke groep die het in de vele oorlogen met anderen voortdurend moest afleggen en steeds van woonplaats moest veranderen. Om aan dit ongelukkige lot te ontkomen, zochten de Mukoko bescherming bij de Nederlandse regering. Op verzoek van het Nederlandse bestuur stonden de Mukoko zonder schadeloosstelling een stuk land af dat de Hollanders mochten gebruiken om een bestuurspost te bouwen. Die post ontwikkelde zich vervolgens tot de stad Wamena. Sinds het Nederlandse bestuur ter plaatse is vervangen door Indonesisch bestuur is de grond die aanvankelijk toebehoorde aan de Mukoko geleidelijk aan verkaveld en door de regering gebruikt om ambtenarenwoningen te bouwen. Sommige ambtenaren hebben de grond waarop hun woning stond verkocht aan derden, wat kwaad bloed zette bij de Mukoko. Zij konden niet verkroppen dat grond die zij ooit gratis beschikbaar hadden gesteld tegen een hoge opbrengst werd verkocht. Dit leidde tot ernstige wrijvingen. In 1987 kwamen 9 leden van de Mukoko-stam naar Jakarta om van de regering schadevergoeding te eisen voor de grond van Wamena.''

Eén broek

Noak vergist zich - zoals de meeste Dani - in het jaartal (en in de bedragen): het was 1987 toen hij "met zijn vrouwen' naar Jakarta kwam om de zaak-Wamena te regelen. Wat hij vergat te vermelden, was dat hij vergezeld werd door acht andere clan-oudsten. Het navolgende verslag van de besprekingen tekende ik op uit de mond van mevrouw Astrid S. Susanto, die als sociologe is verbonden aan de Afdeling Wetenschappen van het Staatsplanbureau en die de onderhandelingen met de Dani-delegatie voerde. Een moeizame poging tot interculturele dialoog.

Mevrouw Susanto: ""Ik had hen al eens eerder ontmoet, in de jaren zeventig, tijdens het eerste officiële werkbezoek aan de Baliemvallei. Toen ik uit het vliegtuig stapte, zag ik hen op me af komen, ze hadden nauwelijks kleren aan, vreselijk. Ik dacht nog: wat moeten we hier? In Wamena had ik een ontmoeting met een delegatie van negen of tien traditionele leiders, dorps- of clanoudsten, denk ik. Ik vroeg hun waarom ze geen kleren droegen, en ze zeiden: "Mamma, we hebben geen geld. De regering geeft ons maar één broek, hoe moet dat als die in de was gaat? Als we ineens weer zonder lopen, zullen ze ons uitlachen. U heeft vast meer dan twee of drie jurken.' Op dat moment realiseerde ik me dat dit een bijzonder slag mensen is: ze vertellen je de waarheid.

""En toen waren ze plotseling in Jakarta. Ik weet niet of het dezelfden waren, want deze keer hadden ze kleren aan. Ze begonnen over de kwestie-Wamena, ze vroegen 11 miljard rupiah compensatie. Dat leek me veel en ze zakten al snel naar 2 miljard. Niet dat ik heb zitten afdingen, oh God nee. Ik legde hun verzoek voor aan de minister van planning, destijds Sumarlin (nu minister van financiën - DV). Hij zei: Politiek is deze kwestie eigenlijk al geregeld, maar als ze echt zo arm zijn, informeer dan naar hun wensen. We kunnen hun geen geld geven, maar verder heb je de vrije hand. De volgende dag zei ik tegen hen: "Jullie worden de helden van de Baliem, want ik beloof jullie dat we de hele vallei zullen opbouwen. Hebben jullie suggesties?' "We willen varkens', zeiden ze in koor. "Willen jullie allemaal varkens? Als iedereen varkens heeft, wie wil die beesten dan nog kopen?' "Ja, Mamma', zeiden ze, "dat is waar. Dan willen we auto's.' Ik had mijn bedenkingen, maar van alle kanten kreeg ik te horen: geef ze die auto's nu maar, mevrouw Astrid. Ik kan hun namen niet noemen, die mensen zijn te belangrijk. Dus ik zei: "Jullie zijn met zijn negenen, jullie krijgen negen auto's, maar op één voorwaarde: ze zijn niet van jullie, maar van het dorp, want het land is ook niet van jullie, maar van de gemeenschap.' Ik had toevallig Van Baal gelezen.''

Ontwikkelingsplan

Daar bleeft het niet bij. Binnen een jaar stelde mevrouw Susanto een ontwikkelingsplan op, waarbij ze besloot LIPI in te schakelen, een braintrust van de overheid. Ze laat doorschemeren dat ze benauwd was dat besteding via de hiërarchie van Binnenlandse Zaken te veel "reis- en verblijfkosten' zou opslokken. Ingewijden in Jakarta bevestigen dat eerdere projecten de Baliembevolking nooit hebben bereikt en dat de vorige bupati van Wamena zich verrijkt zou hebben.

""LIPI heeft geen verticale structuur'', zegt Susanto met nadruk, lees: zo blijft er minder aan de strijkstok hangen. Het pakket omvatte verharding van het wegennet rond Wamena en de aanleg van bruggen ter verbetering van de communicatie tussen de dorpen. De LIPI-bijdrage komt vooral neer op landbouwvoorlichting ter verhoging van de groenteproduktie en ambachtelijke cursussen. ""Het moet de mensen geld opleveren'', zegt Susanto, ""anders kunnen ze zich niet verder ontwikkelen.''

Het LIPI-kader kreeg de strikte instructie de dorpen in te gaan en net zolang te praten tot er overeenstemming was bereikt. Susanto: ""Over elke nieuwe groentesoort moet overeenstemming bestaan, ook al kost het weken. En geen persoonlijke gunsten, geen afkoperij, de doelgroep is de clan. Iedereen kan zich wel clan-hoofd noemen, dat is niet te controleren.'' Zij erkent dat het programma neerkomt op compensatiebetaling in de vorm van ontwikkelingsuitgaven, maar ze legt er de nadruk op dat de projectkosten de beloofde 2 miljard rupiah nu al hebben overschreden en dat het programma gewoon doorgaat.

Waar is Noak intussen gebleven? ""Noak'', zegt Susanto, ""heb ik alleen die eerste keer in Jakarta gezien, ik heb de groep toen ook geïntroduceerd bij Soepardjo Rustam. Toen we later naar Wamena kwamen om het project te beginnen, was Noak in Jayapura. Later hoorde ik dat hij me daar had opgewacht in de hoop dat ik hem het geld persoonlijk kwam overhandigen. Hij heeft zich aldoor voorgesteld dat hij degene zou zijn die het geld zou uitdelen aan de Mukoko. Noak hoopte een groot man te worden, de held van Wamena. Dat kon natuurlijk niet.

""In het latere overleg tussen LIPI en de clans heeft hij geen enkele rol meer gespeeld. Intussen bleef hij verhalen rondstrooien dat deze of gene minister naar Wamena zou komen om hem "het geld' te geven. Hem geld geven, daar ging het om. En toen hoorde ik plotseling dat hij Suebu had aangevallen in Jakarta en was opgepakt. Die avond werd ik gebeld door verschillende parlementsleden die vroegen of ik niets voor hem kon doen. "Wat kan ik doen?' vroeg ik, "hij heeft de wet overtreden en we proberen toch een rechtsstaat te zijn?' "Maar hoe zit het dan met die Wamena-kwestie?' vroegen ze. Ik zei: "Ik heb met hen gepraat, ik heb hun hele adat afgewerkt, hun cultuur gerespecteerd. De rest is een kwestie tussen Noak en zijn clan, tussen Noak en het volk van de Dani'.''

Dukun

Navraag bij ingewijden in Wamena completeert het portret van Noak Lagoan. Volgens de adat van de Mukoko was hij nooit een Sterke Man, die besluiten nam over politieke of grondkwesties. Hij was een dukun, een kenner van de geestenwereld, die na de openlegging van de Baliemvallei zijn invloed zag tanen. De traditionele Sterke Man in zijn geboortedorp Assologaima is door de nieuwe bupati aangesteld als districtshoofd, een regeringsfunctie, en dat raakt Noak diep. Er zijn er nog die vertrouwen in hem stellen, die geloven dat hij in staat is hun de zegeningen van de nieuwe, Indonesische wereld te brengen. Het is een oud verhaal, dat begon toen de missionarissen naar Irian kwamen en bekeerlingen wierven met transistorradio's en zaklantaarns. De culturele ontwrichting van deze volken, die ruw uit het Stenen Tijdperk werden gerukt, manifesteerde zich in nieuwe religies rond profeten die de komst voorspelden van een schip vol luxe-artikelen.

Noak is de verpersoonlijking van de Grote Verwarring in de Baliemvallei. Hij blijft wachten op zijn Ark: het schip uit Jakarta dat al het nieuwe brengt - naaimachines, accu's - waarmee hij zijn volk gelukkig kan maken en zijn oude positie kan herstellen. Maar zijn wereld wankelt en zijn Ark is zinkende.