HET STILLE MORALISME VAN GOLO MANN

Wissen und Trauer. Historische Portraits und Skizzen door Golo Mann 243 blz., Reclam Leipzig 1991, f 12,- ISBN 3 379 00647 5

De historicus Golo Mann wordt vooral als verteller geroemd. Wie zich door een geschiedkundig relaas wil laten meeslepen, kan bij hem terecht. Voor velen is de inmiddels tweeën-tachtigjarige historicus en laatst levende zoon van Thomas Mann dan ook in de eerste plaats de auteur van Wallenstein, de kolossale biografie uit 1971 van de veldheer uit de Dertigjarige Oorlog (1618-1648).

De voorkeur voor het verhaal heeft Mann geleidelijk aan een uitzonderingspositie in het historiografische landschap opgeleverd. Twintig jaar geleden leidde ze zelfs tot verwijten. Naar aanleiding van Wallenstein beschuldigden de titaantjes van de structuurgeschiedenis de ogenschijnlijk niet in theorie en filosofie geïnteresseerde Mann ervan, met zijn vertellingen de kritische taak van de historicus te veronachtzamen. Zo'n oordeel zou nu niet snel meer gegeven worden. Maar, hoewel de verhalende geschiedschrijving al enige tijd een renaissance beleeft, is ze niet meer zo vanzelfsprekend als ze voor Golo Mann was en is. Wie thans voor het verhaal opteert, keert zich maar al te vaak bewust tegen de overmaat aan tabellen en grafieken, theorieën en structuren.

Manns werk is niet alleen vanwege de vorm bijzonder, of eigenlijk, bijzonder geworden. Belangrijker voor de uitzonderingspositie die Mann onmiskenbaar inneemt, zijn diens filosofische opvattingen. ””Wer sucht,'' schreef Mann halverwege de jaren tachtig welhaast als een uitdaging aan zijn critici, ””wird in meinen historischen Schriften bis herab zu polemischen Essays mehr als nur ein wenig ”Geschichtsphilosophie' finden, wenngleich selten direkt ausgesprochene.'' Onuitgesproken opvattingen dus, mede omdat zulke opvattingen volgens Mann niet anders zijn dan de som van de menselijke ervaringen - zelf opgedaan, voor de eigen tijd, of, voor de voorafgaande periode, door studie zoveel mogelijk eigen gemaakt. Een en ander betekent overigens geenszins, dat ze niet expliciet kunnen worden gemaakt.

Een belangrijk deel van Manns ”onuitgesproken filosofische opvattingen' is zonder veel moeite te distilleren uit de tien essays die zojuist onder de titel Wissen und Trauer bij Reclam te Leipzig zijn uitgegeven en voor lachwekkend weinig geld te koop zijn. De redacteuren Wolfgang Mertz en Karin Schlapp, die bij uitgeverij Fischer een meerdelige editie van het essayistische werk van Golo Mann verzorgen, hebben voor deze bundel een bijzonder goede keuze gemaakt uit een paar honderd essays die Mann sinds de jaren twintig heeft geschreven.

Onduidelijk is of zij daarbij, zoals voor de Fischer-serie, overleg met Golo Mann zelf hebben gepleegd. In ieder geval komen in acht opgenomen portretten, de evocerende beschrijving van slot Arenenberg bij Konstanz en het bekende ”Plädoyer für die historische Erzählung' zowel de literaire capaciteiten als het uitgesproken ethische engagement - naar mijn mening het meest karakteristieke aspect van Manns geschiedschrijving - goed tot uitdrukking.

HERENIGING

Toegegeven, zijn oordeel over de recente ontwikkelingen in Duitsland is in deze bundel niet te vinden. Terzijde: hij is geen voorstander van de gerealiseerde hereniging. Liever had hij gezien dat Oost-Duitsland als een aparte staat in een confederatie met de Bondsrepubliek was blijven bestaan. Het is een mening die consequent volgt uit zijn kritiek op Konrad Adenauers misleidende toespeling op een ”Wiedervereinigung' in de jaren vijftig en zijn steun voor de ”Ostpolitik' van Willy Brandt, een politiek die volgens Mann begin jaren zeventig eigenlijk tot een volkenrechtelijke erkenning van de DDR had moeten leiden.

Ook het feit dat er geen artikel over zijn familie is opgenomen kan als een omissie worden beschouwd. Zelf vind ik dat niet zo erg. Het voorkomt in ieder geval dat de prestaties van Golo Mann te zeer geïnterpreteerd worden in het kader van de familierelaties, zoals het geval is in het vorig jaar vertaalde Thomas Mann en de zijnen van de Duitse literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki. Het oeuvre van Golo Mann behoort niet tot dat omvangrijke corpus literatuur dat de familie Mann in onderlinge concurrentie produceerde.

Golo Mann neemt dus een uitzonderingspositie in, ook in zijn filosofische oriëntatie. Hij behoort tot geen enkele historiografische school of richting. Min of meer toevallig werd hij historicus. Mann studeerde van 1928 tot 1932 filosofie bij Karl Jaspers, bij wie hij op drieëntwintigjarige leeftijd promoveerde op een dissertatie over Hegel. Hoewel Mann geschiedenis als bijvak had en zich tot aan zijn vlucht uit Duitsland in mei 1933 voorbereidde op zijn examen voor het leraarschap geschiedenis, stelde hij zelf dat hij zijn ”historische Bildung' pas tijdens zijn ballingschap kreeg.

In deze periode profileerde Mann zich als een politiek schrijver. Hij riep de Europese naties op tot een preventieve oorlog tegen nazi-Duitsland. Toen bleek dat zijn oproepen geen enkel effect sorteerden, probeerde hij erachter te komen waarom ”Europa' verkoos terug te wijken voor Hitler. Gebrek aan inzicht in het karakter van het nazisme was volgens Mann vooral debet aan de Europese houding. Voor marxisten was de Hitler-dictatuur een laatste stuiptrekking van het ineenstortende kapitalisme, voor veel anderen was zij de ultieme consequentie van het Pruisische militarisme.

NAAKTE MACHTSWIL

Mann verwierp beide opvattingen. Hij beschouwde het nazisme als een revolutie, maar dan een die veel ingrijpender en totaler was dan de omwenteling die de Europese geschiedenis eerder had aanschouwd. Golo Mann omarmde eind jaren dertig de these van Hermann Rauschning. Volgens Rauschning, over wie een artikel is opgenomen, was het nazisme een ”Revolution des Nihilismus', veroorzaakt door de naakte machtswil van een kleine bende. Het had geen ideologische basis.

De ”nazi-Weltanschauung' was, inclusief de rassenleer, in Rauschnings woorden niet meer dan een coulisse. Bovendien was het nazisme een volkomen nieuw verschijnsel; het kwam niet voort uit het Duitse verleden. De klemtoon die Golo Mann in navolging van Rauschning legde op het nieuwe, niet historisch gewortelde karakter van het nazisme was geenszins bedoeld om de Duitse natie te absolveren. Integendeel, zoals hieronder zal blijken, maakt dat volgens Mann de zaak alleen nog maar erger.

Opvallend aan Manns essays uit de periode van ballingschap is de sterke morele oriëntatie. Mann beschouwde niet alleen de inspanning van de politiek machteloze emigranten als een morele strijd, ook de Europese naties hadden voor hem het morele gelijk aan hun zijde en zelfs de plicht Hitler te stoppen. Ethische overwegingen speelden een rol in Manns afwijzing van het marxisme en het Duitse historisme, die eveneens tijdens de ballingschap beslag kreeg.

Afgezien van het feit dat van beide intellectuele tradities geen adequaat inzicht in de vigerende politieke crisis te verwachten was, was Mann het volstrekt oneens met de wijze waarop het marxisme de arbeidersklasse en het Duitse historisme de nationale staat boven alle kritiek verhieven. Was het historisch materialisme amoreel, in het historisme vielen macht en moraal samen. Wie of wat succes had, bewees zijn historisch gelijk.

Dat laatste kwam neer op het recht van de sterkste. Met Kant betoogde Mann dat ethische beginselen te allen tijde voor ieder individu golden. Niemand was vrijgesteld. Overeenkomstig die opvatting, hanteerde Mann een begrip van een van tijd en plaats onafhankelijke morele maatstaf.

Deze ethische opvattingen beheersen ook Manns geschiedschrijving sinds de Tweede Wereldoorlog. Volgens Mann moet de historicus als rechter optreden: waar mogelijk moet hij morele oordelen vellen en menselijke schuld vaststellen. Mann schrijft in dienst van de ”Gerechtigkeit'. Niet verwonderlijk is dan ook zijn ”personalistische' visie op het geschiedverloop. De historische ontwikkeling is het produkt van de botsingen van individuele wilsdaden, van met elkaar in conflict rakende beslissingen, die ieder individu voor zich voortdurend neemt. Het geschiedverloop is onvoorspelbaar; ieder moment kent een oneindig aantal mogelijkheden.

OPEN PROCES

Natuurlijk weet Mann als geschiedschrijver dat maatschappelijke tendensen sommige ontwikkelingen waarschijnlijker maken dan andere - het is een punt waarop de historicus Mann soms met de moralist Mann in conflict komt - maar het principe dat de geschiedenis een open proces is, houdt hij onverkort overeind. Manns drang om als historicus schuldigen aan te wijzen, leidt in ieder geval niet tot de constructie van samenzweringstheorieën.

De theoretische achtergronden van deze denkbeelden komt in drie van de opgenomen essays aan de orde, de opstellen over Lord Acton, Max Weber en Bertrand Russell. Mann staat stil bij het strenge onderscheid dat de socioloog Weber maakte tussen kennen en willen. Wetenschappelijke kennis is op zichzelf niet goed of slecht. Iedere wetenschapsman moest zich ervan bewust zijn dat hij zijn rol in de samenleving niet wetenschappelijk kan rechtvaardigen, maar ethisch dient te onderbouwen. Dat geldt ook voor de historicus, zoals Mann met zijn eigen opstelling illustreert.

De autonomie van het individu komt aan bod in het artikel over Russell. Tegenover Russells relativering van het ”Ik' beklemtoont Mann de onafhankelijkheid en realiteit van het individu als drager van een vrije wil. Het is een echo van Jaspers existentie-filosofie. Jaspers beschouwde zijn eigen denken als een appèl aan de mens, zich zijn vrijheid te realiseren. Zeer typerend gaf Golo Mann na de Tweede Wereldoorlog een ethische interpretatie van het door Jaspers niet nader omschreven vrijheidsbegrip: de vrijheid van de mens is volgens Mann de vrijheid goed of kwaad te kiezen. Het is gewetensvrijheid.

De historicus die, zoals Mann voorstaat, de keuzes van anderen dient te beoordelen, moet echter beschikken over een morele maatstaf. Zoals vermeld hanteerde Mann zo'n maatstaf. Niet voor niets was de aartskatholieke Lord Acton in de jaren vijftig zijn favoriete geschiedfilosoof. Geen historicus was zo kwistig geweest met morele oordelen als John Dahlberg-Acton. Acton was ervan overtuigd dat het dit oordeel was dat zijn geschiedschrijving wetenschappelijk maakte. Het ”tout comprendre c'est tout pardonner' draaide hij radicaal om: ”to understand all was to judge all'. Mann prees in zijn essay uit 1950 vooral de rechtvaardigheid waarmee Acton zijn oordelen velde en hij voegde eraan toe: ””Nun gibt es kleine Gerechtigkeit ohne den Glauben, dass gut gut und schlecht schlecht sei... Es ist gerade die Unbedingtheit seiner Weigerung, mit den Begriffen von Gut und Schlecht Hokuspokus zu treiben, für die wir ihm heute dankbar sind.'' Later nam hij enige afstand en noemde Mann Acton een ”aartsmoralist'.

De bovenstaande ideeën hebben natuurlijk ook gevolgen voor Manns oordeel over de plaats van het Derde Rijk in de Duitse geschiedenis en de verantwoordelijkheid van de Duitse bevolking voor de gebeurtenissen tussen 1933 en 1945. Zoals vermeld beschouwde Mann het nazisme als een volkomen nieuw verschijnsel. Aan 1933 lag volgens hem geen enkele ”historische noodzaak' - een term waar Mann weinig van moet hebben - ten grondslag. De Hitler-dictatuur was geen onvermijdelijk gevolg van bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen. En juist omdat er geen sprake was van continuïteit, was in zijn visie de verantwoordelijkheid of de schuld van de Duitsers zo groot. De afwezigheid van iedere ”historische noodzaak' impliceerde dat het nazisme te vermijden was geweest. Er lag een relatieve vrije keuze voor Hitler aan het succes van diens beweging ten grondslag: een wilsdaad.

INDIVIDUELE KEUZES

In reactie op de bezorgde gevoelens na 1945 dat het nazisme wel eens terug zou kunnen komen, betoogde Mann eind jaren vijftig in zijn omvangrijke Deutsche Geschichte des 19. und 20. Jahrhunderts uit 1958: ””Mir scheint die Frage, ob so etwas sich wiederholen kann, bedeutungslos. Wollen wir, dass es sich wiederholt, wollen wir es nicht - das wäre eine sinnvollere Fragestellung.''

Voor Mann, die zijn morele categorieën niet met personen of zaken laat samenvallen, maar voortdurend individuele keuzes op hun merites beoordeelt, bewees de Duitse ”Widerstand', in het bijzonder het generaalsverzet, dat Duitsland na 1933 niet geheel verloren was. Een keer ten goede bleef ook gedurende de dictatuur mogelijk. Mann maakte geen principieel onderscheid tussen de exil, de ”innere Emigration' en de ”Widerstand', ofschoon onder die laatste categorie natuurlijk verreweg de dappersten verzameld waren geweest. Het essay in deze bundel over Helmuth James von Moltke, een van de centrale figuren van de ”Kreisauer Kreis' illustreert het grote belang dat Mann aan het onfortuinlijke optreden van het generaalsverzet hecht.

Golo Mann oordeelt over de keuzes van individuen. Hij veroordeelt het verleden als zodanig niet. Voortdurend wijst hij op de alternatieve mogelijkheden die zich voordeden, de andere wegen, die er ook voor Duitsland waren, maar die helaas niet ingeslagen zijn. En dat is de boodschap van Wissen und Trauer: van die niet verwerkelijkte alternatieven te weten is, zeker met betrekking tot de contemporaine geschiedenis van Duitsland, aanleiding tot bedroefdheid.

Jeroen Koch is als historicus verbonden aan de Rijksuniversiteit Utrecht en werkzaam aan een proefschrif over Golo Mann.