Droge zomer.

Zoals je door het bestuderen van theebladeren op den duur het weer en het mislukken van de oogst kunt leren voorspellen, zo heb ik een onfeilbare neus ontwikkeld voor wanneer de tuin moet worden gesproeid.

De tekenen zijn er, verspreid over de tuin, het gaat er maar om ze te leren verstaan. Tot daden komen is uiteraard weer wat anders. ""De ligularia hangt er weer verlept bij'', zegt een tartende stem in mijn hoofd. ""In vredesnaam, ik heb het net gisteren gedaan'', klaag ik, ""Kan het niet wachten tot morgen?''

Deze ligularia is de meest droogtegevoelige plant in de tuin; het is als iemand die gestopt is met roken en ontwenningsverschijnselen vertoont. De bladeren, die onder een rechte hoek op de stengels moeten staan zoals de hand van een Javaanse danseres, hangen neer als opgevouwen paraplu's en de hele plant ziet er miserabel uit. Als het een personage in een stripverhaal was zou er een ballonnetje boven hem hangen met de woorden die ik eens in een tuinboek heb gelezen: ""Ligularias houden van kurkdroge winters en kletsnatte zomers.'' Wanneer ik daar aan denk, en dat is zowat elke keer dat mijn oog op die plant valt, schijnt het mij toe dat het een daad van grote wreedheid was haar uit haar kurkdroge en kletsnatte Siberische thuisland weg te halen en hierheen te brengen.

Maar ze is er nu en het is een dankbare plant om te begieten; in een ongelofelijk korte tijd nemen de Javaanse handen de horizontale stand weer aan en de hele plant krijgt haar zwierige Siberische verschijning terug. Iets dergelijks geldt voor twee andere droogte-indicatoren die elders in de tuin dicht bij elkaar staan: Astrantia maxima, een beeldschone versie van het gewone zeeuwse knoopje, en de Japanse anemonen. Deze gaan niet zover dat zij hun bladeren laten hangen: ze doen het met hun kopjes, hetgeen eigenlijk een beeld van groter ontreddering oplevert dan de ligularia. Bloemknoppen die naast hun stengel hangen zijn niet mooi om te zien, iets als een weggegooid bruidsboeket. Maar enkele tientallen liters water later staan ze weer recht overeind; de steel is blijkbaar zo efficient als een rietje in een glas limonade.

Dit is het ene uiterste. Het andere is planten die nooit water nodig hebben. Neem de macleaya; daar staat zij, bijna zo hoog als de muur, licht vooroverleunend onder de overhangende takken van de sering, droog en onaangedaan. Het enige dat haar gemoedsgesteldheid verraadt is haar voortplantingssnelheid (dozijnen baby macleayas drommen om haar voet); haar zal je nimmer betrappen op hangerigheid of enig ander teken van zwakte. Dat heeft de eigenaardige consequentie dat tegenover haar ook geen zwakte wordt getoond; geen water voor de macleaya, in tegenstelling tot het lievevrouwebedstro (Galium odoratum) en de Geranium macrorrhizum, gehuisvest in dezelfde ongastvrije omgeving als de macleayas en ook heel Spartaans, die ik geneigd ben nog wel eens wat water te geven: ze zien er minder ongenaakbaar uit.

Een categorie op zichzelf zijn de planten die lijden in stilte, zonder dat het ze is aan te zien, zodat je niet in de gaten hebt dat je ze al twee weken geen water hebt gegeven. De ene dag zien ze er nog normaal uit en de volgende zijn ze verschrompeld en niet meer te redden. Dit gebeurde met de Kirengeshoma palmata (Japanse wasbloem): toen mijn nalatigheid tot me doordrong (en hoe kon ik ze vergeten hebben, ze zouden de clou van het naseizoen worden) was het te laat. Ze kunnen weliswaar bloeien zonder zon maar niet zonder water.

Sproeien is een vreemde bezigheid; het heeft iets gemeen met gebeden prevelen: je hoeft er niet bij te denken. Veel variatie is er niet in aan te brengen, je kunt eens aan een andere kant in de tuin beginnen, maar dat is alles; je staat daar met de spuit en je elektro-encephalogram toont een platte lijn. Ingevingen zijn onmiddellijk weer verdwenen of blijken totaal onrealistisch. Zo hebben we een aantal planten die om uiteenlopende redenen eigenlijk verplaatst zouden moeten worden, zoals in een zekere ingewikkelde vorm van patiënce; meer dan eens deed zich, terwijl ik daar als een zombie stond te spuiten, in een plotseling visioen de oplossing aan mij voor, waarbij aan alle variabelen (licht-donker-nat-droog-groot-klein) werd voldaan, maar de volgende dag bleek die briljante oplossing niet meer kloppend te krijgen, zoals met het achteraf noteren van een droom. Misschien is dat omdat je 's avonds moet sproeien en dan staat het bio-ritme blijkbaar op een laag pitje.

Sommige mensen sproeien nooit. Het zijn aanhangers van het Britse Public School systeem: sproeien maakt de planten maar slap, verwend en afhankelijk, met wortels die niet de diepte ingaan maar te dicht aan de oppervlakte blijven. Wat niet overleeft was toch al bestemd om te verdwijnen, Survival of the Fittest. Ik ken ook mensen die (in een droge zomer) één dag per week overslaan, net als de roofdieren in Artis en de fakirs in India. Ook mag je niet sproeien terwijl de zon schijnt (kermis in de hel), zeggen sommige autoriteiten, zonder acht te slaan op het feit dat de natuur zelf dit verbod vrolijk aan zijn laars lapt.

De tuinslang bestaat sinds ongeveer 1840, daarvoor was het behelpen met gieters die gevuld werden in regentonnen, vijvers of een grote vergaarbak. De vroegste gieters waren gemaakt van aardewerk met de gaten opzij; hoe je voorkwam dat dit instrument leeg was op de plaats van bestemming heb ik nooit ergens verklaard gezien. Een andere soort, beschreven door Thomas Hill in 1577, had gaten in de bodem en werd ondersteboven naar het terrein van actie gebracht. Hill beschrijft ook hoe het gieteren zelf in zijn werk ging: ""The beds at one instant shal not fully be watered, but as the earth and plants drink in, so gently sprinckle forth water, in feeding the plants with moisture, as by a brest or nourishing Pap'' (The gardener's Labyrinth, Oxford U.P. 1988).

De narigheid met die gentle sprinckle uit een gieter is dat de hoeveelheid water nietig moet zijn geweest vergeleken bij de tuinslang. Een Cobaea scandens, zo las ik ergens, heeft wel twaalf liter water per dag nodig. Ik heb eens, met de stopwatch in de hand, een paar proefnemingen gedaan en berekeningen gemaakt. Een behoorlijke tuinslang geeft gemakkelijk vijftien liter per minuut; dat betekent dat een plant die je gedurende een minuut water geeft, zeg op een cirkel met een middellijn van ca 25 cm, een dosis ontvangt die gelijk staat aan een wolkbreuk van 300 millimeter regen.

Iemand die de wolkbreukmethode gebruikte was Walter Fish: ""Walters manier van sproeien was thorough in the extreme.'' Hij had er een paar dagen voor nodig om de hele tuin te doen, hij drenkte de wortels van elke plant minutenlang, ""met korte onderbrekingen om te eten''. Volgens zijn theorie was dat genoeg voor een paar weken; ""en'', schreef zijn toegewijde echtgenote, ""he was quite right''.

Het is misschien toch niet helemaal waar dat ik nergens aan denk bij het sproeien van de tuin: ik denk soms aan Walter Fish. Intussen is aan de periode van droogte gelukkig een einde gekomen; de tuinslang ligt er aan zijn lot overgelaten bij, de eindeloze weken van sproeien zijn alweer bijna vergeten: dat is te danken aan de grote Walter Fish in de hemel.