DEN HAAG

Het veranderend stadsbeeld van Den Haag. Plannen en processen in de Haagse stedebouw door Victor Freijser (red.) 318 blz., geïll., Waanders 1990, f 49,50 ISBN 90 6630 239 9 Het Kortenbosch. Biografie van een Haagse arbeidersstraat, van 1648 tot 1873 door Roel Wuite 350 blz., geïll., Uitgeverij Warray 1990, f 39,50 ISBN 90 72477 04 9

Den Haag kent twee gezichten. Het is het Den Haag van boven en beneden de Laan van Meerdervoort. De dure huizen op het zand en de krotten op het veen. Het is de stad met de Gouden Koets en het sjeesje uit de volksbuurt. Het zijn de paarden van de Koninklijke Stallen en de knollen die in de bijkeukentjes in de Schilderswijk staan.

Twee recent verschenen boeken maken die verschillen ook weer duidelijk. Een prachtig vormgegeven en geïllustreerd boek, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de geschiedkundige vereniging Die Haghe, over het veranderend Haagse stadsbeeld in de afgelopen eeuw - Het veranderend stadsbeeld van Den Haag - en een eenvoudige biografie van een Haagse arbeidersstraat - Het Kortenbosch. Het eerste boek staat bol van dure namen. Het tweede gaat over gewone mensen. Het zijn twee verschillende werel-den, maar allebei even interessant en toevalligerwijs prachtig aanvullend.

Honderd jaar stedebouw maakt duidelijk dat het uitvoeren van plannen in een stad als Den Haag bijna een schier onmogelijke opgave is. De recente felle discussies over de bouw van een nieuw stadhuis in de Haagse binnenstad is in dit licht slechts een incident. Tenslotte is over de bouw van een stadhuis in Den Haag al tientallen jaren gebakkeleid. Maar waarschijnlijk is het bouwen aan iedere stad een onmogelijke opgave als het gaat om planning en sturing. Een stad bouw je niet, een stad groeit. En net als in de natuur gaat dat soms ergerlijk mis.

Aan de plannenmakers heeft het niet gelegen. Klinkende namen als Dudok, Berlage, Van der Sluys, Bakema, Lindo, en meer recent Weeber, Koolhaas, Coenen en Krier hebben zich in het verleden en heden met de stad bemoeid. Maar zij niet alleen. Ook de politiek en de bevolking hebben zich in de laatste decennia flink geroerd. Wethouder Duivesteijn, die de discussie over het nieuwe stadhuis niet heeft overleefd en nu als directeur van het Rotterdamse architectuurinstituut wegkwijnt, heeft de laatste tien jaar met nieuwe initiatieven het bijna onbestuurbare proces van stedebouw richting gegeven. Of hij dat goed deed, is nauwelijks te beoordelen.

Dudok, Berlage en Van der Sluijs hadden het in hun tijd gemakkelijk. Ze ontwierpen complete stadswijken in uitbreidingsgebieden waar alleen rekening moest worden gehouden met de loop van een sloot en soms zelfs dat niet. Het verbouwen en vernieuwen van een stad vraagt een geheel andere aanpak. Je hebt te maken met kenmerkende stadsgezichten, met nostalgische, emotionele gevoelens van de bevolking, met een stratenplan en met al dan niet meewerkende onroerend-goedbezitters. De periode Duivesteijn wordt in Het veranderend stadsbeeld van Den Haag uitvoerig behandeld. Wellicht te uitvoerig in vergelijking met de voorgaande periodes en in een duidelijk wat minder ingehouden toonzetting: ""Niet het briljante ontwerp van Rem Koolhaas, maar dat van de "wereldberoemde' Richard Meier werd door de Haagse gemeenteraad gekozen om als krachtmiddel ingezet te worden in de ontwikkeling van een van Nederlands meest problematische centrumgebieden.''

Dit gebrek aan distinctie kenmerkt ook de wijze waarop de laatste periode met de stad is omgesprongen. Grote doorbraken, viaducten die midden in de stad werden aangelegd en weer afgebroken en natuurlijk grote gebouwen zoals het foeilelijke en zonder enig respect voor de omgeving in aanbouw zijnde ministerie van VROM van de architect Jan Hoogstad. De bestuurders zochten het in de grote gebaren en de kraters die dat in de stad heeft veroorzaakt, helen slechts langzaam.

Het zijn juist deze kraters geweest die Roel Wuite hebbben geïnspireerd tot het schrijven van een biografie van een Haagse arbeidersstraat. Als verwoed amateur-archeoloog dook hij in iedere bouwput en graaide voor de grijpers van de draglines op het laatste moment potjes, pannetjes en pijpekoppen uit het slijk en de modder. Ook dook hij in de archieven en schreef uiteindelijk de geschiedenis van de straat Het Kortenbosch in de periode 1648 tot 1873. Het resultaat is een boek dat verhaalt over pottenbakkers, mandenvlechters en stoelenmatters door de jaren heen. Het is zeker zijn verdienste dat hij dat verleden weer heeft opgegraven en voor ons en ons nageslacht heeft vastgelegd. Dat het verhaal soms onsamenhangend en slecht geredigeerd is, zal de lezer op de koop toe willen nemen. Het past bij de vele gezichten van Den Haag.