DE NACHTMERRIE VAN HET RUSSISCH CHAUVINISME

Het dokterscomplot. Op de grens van twee tijdperken door Jakov en Natasja Rapoport 270 blz., Van Oorschot 1990, uit het Russisch vertaald door Richard Kellermann, f 49,00 ISBN 90 282 0737 6

Bij het lezen van de Pravda op 13 januari 1953 werd waarschijnlijk bij veel Sovjetburgers de herinnering wakker aan de nachtmerrie van het jaar der verschrikkingen 1937. Onder de kop ”Arrestatie van een groep medische saboteurs' werd er in de partijkrant meegedeeld dat de staatsveiligheidsdienst op het spoor was gekomen van een misdadigersbende bestaande uit prominente medische specialisten. Uit het politieonderzoek en de bekentenissen van de gearresteerden was gebleken dat deze terreurgroep weerzinwekkende misdaden gepleegd had die gericht waren tegen vooraanstaande staatslieden van de Sovjet-Unie: ze zouden het vertrouwen van hun hooggeplaatste patiënten hebben misbruikt, bewust onjuiste diagnoses hebben gesteld en dodelijke medicijnen hebben voorgeschreven.

Andrei A. Zjdanov (1896-1948), lid van het politburo en partijchef van Leningrad en Aleksandr S. Sjtsjerbakov (1901-1945), plaatsvervangend commissaris voor defensie en partijchef van Moskou, zouden het slachtoffer zijn geworden van criminele activiteiten van de moordenaars in het wit. Om de militaire kracht van het land te ondermijnen, zouden de diabolische Aesculaap-discipelen ook hebben getracht om leidinggevende militairen (er werden drie maarschalken genoemd, een admiraal en een generaal) uit te schakelen. Ook de in het scenario van dergelijke complotten standaard geworden figuren achter de schermen in het buitenland waren ontmaskerd: de directieven zouden afkomstig zijn geweest van de Amerikaans-joodse organisatie Joint, naar beweerd werd een terroristische spionageafdeling van de Amerikaanse geheime dienst.

De antisemitische toon in de melding van TASS was overduidelijk: van de negen genoemde samenzweerders, waaronder coryfeeën uit het Kremlinziekenhuis zoals professor V.N. Vinogradov, die vele jaren Stalins persoonlijke arts was geweest, hadden er zes duidelijk als joods herkenbare achternamen (Kogan, Grinsjtejn).

SCHANDPAAL

Op het krantebericht volgde een campagne die in haar heftigheid deed denken aan de ergste tradities van het Russische antisemitisme van voor de revolutie. De schrijver Vassili Grossman (1905-1964), die zelf in februari 1953 door de Pravda aan de schandpaal werd genageld, noteert in zijn (nimmer in het Nederlands vertaalde) novelle Vsje tetsjet (”Alles stroomt'): ””In de kranten verschenen artikelen waarin carrièremakers en schurken werden ontmaskerd, die op slinkse wijze diploma's en wetenschappelijke titels hadden weten te verkrijgen; artsen die zieke kinderen en zwangere vrouwen crimineel en wreed hadden behandeld; [...] vrijwel zonder uitzondering was iedereen, die in de pers werd ontmaskerd, joods, en met de grootste zorgvuldigheid noemden de bladen voor- en vadersnamen voluit: Sroel Nachmanovitsj ... Chaim Abramovitsj ... Israël Mendelevitsj. Werd er een boek van een jood besproken die onder Russisch pseudoniem schreef, dan werd zijn joodse naam er tussen haakjes bij vermeld. Het leek wel alsof er in de Sovjet-Unie alleen joden stalen, smeergeld aannamen, het lijden van zieken met criminele onverschilligheid bejegenden, snert- en prulboeken schreven.''

Na de dood van Stalin op 5 maart 1953 ebde de pogrom-achtige hysterie weg, en op 4 april verschenen de Sovjetkranten met de melding dat de aanklacht tegen de beschuldigde artsen was ingetrokken en alle gearresteerden werden vrijgelaten en gerehabiliteerd. Het was niet anders dan sensationeel te noemen dat de staat, ”onfeilbaar als God' in de woorden van Grossman, toegaf dat de verklaringen van de gearresteerden door toepassing van middelen (lees door marteling) waren verkregen, die door de wetten van de Sovjet-Unie ten strengste waren verboden.

Jakov Rapoport (geboren in 1898) is de laatste overlevende uit de kring van de in 1952 en '53 gearresteerde joodse artsen. Zijn herinneringen werden al tussen 1973 en 1975 geschreven, maar konden pas in 1988 in het kader van de perestrojka in Moskou worden gepubliceerd. Zijn dochter Natasja schreef het nawoord van het boek dat als Het dokterscomplot in het Nederlands is vertaald.

Rapoport werd op 3 februari 1953 gearresteerd. Hij werd ervan beschuldigd dat hij tegenover de ”moordende dokters' zijn controlerende taak als patholoog-anatoom niet had waargenomen, maar integendeel hun gruwelijke daden had gedekt. Bovendien werd hem joods-burgerlijk nationalisme verweten. In zijn spannende verslag beschrijft hij de arrestatie, de nachtelijke verhoren in de beruchte Lefortovo-gevangenis waarbij hij dapper elke bekentenis weigerde, ten slotte zijn vrijlating op 3 april 1953 en de hoop op een omwenteling die hij daaraan verbond.

De achtergrond van het boek is de zjdanovsjtsjina, de periode van de naoorlogse Sovjetgeschiedenis tot aan Stalins dood die haar naam ontleent aan de eerder genoemde partijfunctionaris uit Leningrad. Dit was het tijdperk van een extreem, tot xenofobie opgevoerd Russisch chauvinisme. In literatuur, filosofie, biologie en muziek werd een niets ontziende strijd geleverd tegen elke vorm van intellectuele openheid tegenover de niet-Russische, burgerlijke cultuur.

EXCESSEN

Het ”kwaad' waartegen men te velde trok, werd gestigmatiseerd als kosmopolitisme, als een reactionaire, burgerlijke ideologie die zich onverschillig opstelde tegenover het vaderland, het eigen volk en zijn nationale cultuur. Wat voor bizarre, obscurante excessen de strijd tegen ”de kruiperij voor het westen' aannam, toont Rapoport met een aantal voorbeelden, waaronder ook de anekdote dat men de wereld wilde doen geloven dat een Russische boer uit het gouvernement Saratov al eeuwen voor Marx de meerwaardetheorie had ontdekt. Maar omdat hij analfabeet was, had hij hem helaas niet openbaar kunnen maken!

In het intellectuele klimaat van de zjdanovsjtsjina ziet Rapoport de psychologische voedingsbodem voor de antisemitische teneur van het dokterscomplot. In de officiële politiek van na de Tweede Wereldoorlog ontstonden immers al snel antisemitische tendensen, zoals bijvoorbeeld de in 1948 voorgenomen opheffing van het in 1942 opgerichte Joodse Antifascistische Comité en vervolgens de arrestatie van honderdtien joodse schrijvers, kunstenaars, partij- en overheidsfunctionarissen. Het Jiddisch onderwijs werd verboden, Jiddische theaters werden gesloten en het reeds gedrukte Zwartboek over het lot van de Sovjetjoden in de tijdens de oorlog door de Duitsers bezette gebieden, waaraan literaire grootheden als Grossman, Ehrenburg, Platonov en Kaverin hadden meegewerkt, werd vernietigd.

Tot op heden is het Zwartboek in de Sovjet-Unie nog steeds niet verschenen (wel in Israël in 1981). In juli 1952 werden veertien met het werk van het Comité verbonden joden, waaronder de dichters I. S. Fefer, D. M. Perez en D. R. Bergelson wegens spionage en joods-nationalistische, anti-Sovjetactiviteiten ter dood veroordeeld. Ook gedurende het in 1952 in Praag geënsceneerde Slánsky-proces was de hoofdbeklaagde overduidelijk het uit de Sovjet-Unie geëxporteerde ”zionisme'.

Ofschoon Rapoport de algemene achtergrond van een en ander in zijn boek treffend schetst, blijven centrale aspecten van de vervolging van de dokters onopgehelderd. Had de al zieke Stalin de touwtjes nog wel in handen? Wat waren op lange termijn de doelstellingen? Was het de bedoeling dat de affaire de opmaat vormde voor een nieuwe terreurgolf? Vormde ze een intrige binnen de machtsstrijd over de zich aftekenende opvolging van Stalin? Welke rol speelde de buitenlandse politiek, bijvoorbeeld de verhouding tussen de Sovjet-Unie en de Arabische wereld?

Alsof hij een middeleeuwse kroniekschrijver is, benadrukt de auteur herhaaldelijk dat hij niet in staat is een omvattende analyse aan te reiken en dat hij dat ook niet wil: ””Ik beschouw mij niet als de chroniqueur [in het Russische origineel staat ”historicus', R. B.] van het ”dokterscomplot'; ik heb het speciale materiaal dat er betrekking op heeft niet bestudeerd.'' Hij ziet zijn verhaal slechts als ””een bijzonder oppervlakkig en beknopt overzicht van de drijvende krachten achter het ”dokterscomplot' ''.

INTELLECTUEEL KLIMAAT

Dat is al te bescheiden. Rapoports boek belicht de antisemitische dimensie van het ”dokterscomplot' grondig. Zijn met esprit en vaart geschreven bericht is vooral vruchtbaar wanneer hij aan zijn eigen ervaringen refereert: de confrontatie met het stalinistische repressie-apparaat, de chauvinistische sfeer van de zjdanovsjtsjijna en de corrumperende gevolgen daarvan voor de wetenschappelijke gemeenschap en het intellectuele klimaat van de Sovjet-Unie.

De Nederlandse tekst wordt ontsierd door een aantal kleine oneffenheden. Er staat bijvoorbeeld ”de zaak Sjachtinski', terwijl het gaat om het cruciale showproces in Sjachty (in 1928); een ”terapevt' is in het Russisch een ”internist' en geen ”huisarts'; het begrip ”zwartehonderden' dat voor 1917 stond voor een militant- rechtsradicale groep mag niet met ”zwarthemden' worden vertaald, maar, daar het slaat op de leden van de CPSU, met ”reactionair-chauvinistisch'. De uitgever, die op de omslag tot twee keer toe Stalin een dag te vroeg laat overlijden, zou de lezer zeker geholpen hebben met meer toelichtingen bij de tekst.