De lotgevallen van Poncke Princen, deel 2; "Dag jongens, ik ga naar Sukabumi'

In september 1948 liep de Nederlandse soldaat Poncke Princen in Midden-Java over naar het leger van de Republik Indonesia, het TNI. Na de Nederlandse overval op Djokjakarta tijdens de tweede politionele actie van december 1948 keerde hij met de Siliwangi-divisie van het TNI terug naar West-Java. Deel 2 van de geschiedenis van een Nederlandse deserteur: een guerrillastrijder achtervolgd door de militaire politie op weg naar het oorlogsgebied.

In Madjalaja, ten zuiden van Bandung, was de Lange Mars van de Siliwangi-divisie voor Poncke Princen afgelopen. Terwijl het bataljon Kala Hitam verder trok naar zijn operatiegebied Tjiandjur-Sukabumi, nam hij de bus naar Bandung. Zijn enige aanknopingspunt was een adres, dat hij had gekregen van majoor Taswin, chefstaf van de eerste brigade van de Siliwangi.

Poncke Princen: ""In Bandung ging ik meteen naar het huis van Cees Djajadiningrat aan de Ehrlichweg nummer vier. Cees was een neef van Taswin en hij zat in de republikeinse fractie van het parlement van de deelstaat Pasundan (die door Nederland was opgezet als onderdeel van een beoogde Verenigde Staten van Indonesië waarin de Republik Indonesia van Soekarno-Hatta weinig invloed zou hebben en waarin Nederland de eerste viool zou blijven spelen - WH). Cees maakte me het niet moeilijk. Hij begreep wel dat het geen gewoon verhaal was dat ik hem vertelde. Hij kocht nieuwe gymschoenen voor me en ik kreeg een wit tropenpak van hemzelf. Dat paste me precies. Met die kleren aan zou ik naar Djakarta gaan.

""Toen dacht ik aan Arie van de V., die ik kende uit de Tjipinang-gevangenis, waar ik had gezeten na mijn veroordeling voor desertie. Arie had verzwegen dat hij bij de Organisation Todt had gezeten (een militair gedrild arbeidsleger dat onder meer gebombardeerde installaties herstelde en de Atlantik Wall aanlegde). En hij was schuldig bevonden aan diefstal. Ik wist dat hij bij de verbindingsdienst in Bandung zat, omdat ik hem nog had bezocht nadat hij vrijgelaten was. Ik heb hem opgebeld en met hem een afspraak gemaakt. Want ik wist dat hij als koerier heen en weer reed naar Tjiandjur en ik wilde met hem meerijden. Dat kon. We gingen in een open personnel carrier, zoals dat toen heette. Er zaten nog twee andere Nederlandse militairen bij.

""In Tjiandjur stopten we bij een post van de MP. Van de V. gaf de post af en kwam weer naar buiten met een wachtmeester die ik kende, hij heette Van der Horst. Hij zei: "Kennen we elkaar niet?' Ik zei: "Ja, uit Bogor. Daar hebt u me eens berispt omdat ik geen baret droeg.' In zo'n geval moet je meteen antwoorden, anders wek je argwaan. Hij nam me mee naar binnen en vroeg me waarom ik burgerkleren droeg. Ik zei: "Ik ben opgevraagd door het departement van OKW in Batavia, de afdeling culturele zaken, Rob Nieuwenhuis.' Die kende ik namelijk via Dolf Verspoor.

""Hij zei: "Je vindt het zeker wel goed dat ik even bel?' Ik zei ja, maar ik had het erg benauwd. Ik zag een raam openstaan en dacht: daar moet ik uit, want als ze me pakken moet ik een jaar uitzitten met daarbij een nieuwe veroordeling. Het liep echter goed af. Van der Horst draaide aan die veldtelefoon, maar hij kreeg geen verbinding. Toen zei hij: "Ga dan maar'. Later hoorde ik dat hij is gedegradeerd, want kolonel Thomson, de commandant van de eerste infanterie-brigade, was razend.

""Met een opeletje (een soort minibus - WH) ben ik verder gegaan naar Batavia. Onderweg geen problemen, we werden nergens aangehouden. In Batavia moest ik me melden bij de republikeinse minister van gezondheid Leimena. Ik moest hem zeggen dat de Siliwangi terug was in West-Java en hem vragen om hulp en medicijnen via zendingshospitalen en dergelijke. Dat heb ik gedaan. Ik vertelde hem over de Lange Mars, over Taswin en Cees Djajadiningrat, over Kemal Idris et cetera. Hij nam mijn verhaal voor kennisgeving aan. Ik was door dr. Verdoorn van de protestantse zending naar hem toe gebracht.

""In Djakarta ben ik naar Wietje Djajadiningrat gegaan, een zuster van Cees. Zij had toen te maken met de verzorging van republikeinse soldaten die door de Hollanders gevangen waren genomen. Wietje was een hele gisse dame, die de schijt had aan al die Hollandse militairen. Ze woonde op de Mampangweg. Toen ik daar kwam, hoorde ik: "Je moet onmiddellijk weggaan, want ze zijn al geweest voor je.' Dat heb ik meteen gedaan.''

Rapport

Wietje Djajadiningrat had gelijk: de militaire politie zat achter Poncke aan. En die maakte daarbij gebruik van zijn oude kennis Arie van de V., met wie hij nog meegereden was van Bandung naar Tjiandjur.

Uit een rapport van een KNIL-sergeant van de MP te Bandung van 8 maart 1949, dat pas drie dagen later, "vertrouwelijk-persoonlijk', werd aangeboden aan de commandant van het Korps MP te Batavia-Djakarta:

""Op dinsdag 8 maart 1949 te omstreeks 8.30 uur heb ik, rapporteur, mij met de soldaat v.d. V. van de Verbindings Afdeling C-Divisie "7 December' begeven naar het pand Ehrlichweg no. 4 te Bandung, welk pand bewoond wordt door de heer Djajadiningrat. Ter plaatse maakte ik kennis met mevrouw Djajadiningrat en stelde mij voor als B. (burger), vriend van Ponke alias Prinsen. Eerst zijn door v.d. V. enige vragen gesteld over de verblijfplaats van Prinsen. (. . .) Hierna heb ik v.d. V. verzocht buiten te wachten, waarna ik een onderhoud met voornoemde dame gehad heb.

""Allereerst deelde ik haar mede, dat Prinsen gezocht werd door de MP en in Bandung gesignaleerd was geworden. Ik heb haar hulp ingeroepen om Prinsen te kunnen waarschuwen. Hierna vertrouwde zij mij blijkbaar volkomen. Zij deelde mij mede, dat Prinsen reeds 2 maal bij hen had gelogeerd en dat hij de 2de keer vuil en besmeurd bij hen was gekomen en zij het daardoor niet over haar hart kon verkrijgen hem de deur te wijzen, temeer, daar haar eigen broers en zwager in dezelfde positie verkeerden en voor hetzelfde doel streden. Ook haar man werkte voor hetzelfde doel. Verder wist zij, dat Prinsen van haar man enige adressen had gekregen, waar hij kon logeren in Batavia. Onder andere op de Mampangweg no. 50 in Batavia, waar een broer van haar of van haar man woonde. (. . .) Volgens haar was Prinsen vermoedelijk weer van plan de bergen in te trekken. (. . .) Mevrouw Djajadiningrat gaf mij de belofte, dat zij haar best zou doen Prinsen te waarschuwen.''

Mevrouw Djajadiningrat was in de val van de militaire politie gelopen en had eerlijk geloofd dat de sergeant B. een republikeinse sympathisant was. Maar haar schoonzuster Wietje wist Poncke juist bijtijds te waarschuwen.

Poncke begaf zich nu naar het huis van zijn oude vriendin Sri Murtiosah Tasan, die hem een half jaar eerder, vlak nadat hij was gedeserteerd, geld had gegeven om per trein naar Semarang te gaan. Vanuit die stad was hij toen overgelopen naar het TNI op Midden-Java. Sri hielp hem ook nu weer.

Poncke Princen: ""Ze gaf me een briefje voor haar verloofde Boejoeng Markoem, die woonde op Raden Saleh. Daar zou ik kunnen slapen. Ik ben er twee keer geweest, de eerste keer ben ik een dag of vijf gebleven. Toen ik de tweede keer terugkwam, werd ik om de hoek opgewacht door een baboe. Ze zei: "Kom niet naar binnen, want er is iemand met een witte helm geweest.' Ik ben meteen weggegaan, en heb die nacht ergens anders geslapen, ik weet niet meer waar.''

Traagheid

Het net begon zich om Poncke Princen te sluiten. De MP deed invallen in de woningen van Sri Murtiosah Tasan en Boejoeng Markoem, en onderwierp hen beiden aan een langdurig verhoor. Het leverde niet veel op, want zij hielden zich met succes van den domme.

Ook het opnieuw inschakelen van de soldaat Arie van de V. mocht de MP niet baten. Hij reed in gezelschap van een sergeant-majoor van de MP uit Bandung van 9 tot en met 11 maart 1949 diverse adressen van Ponckes al dan niet vermeende Indonesische vrienden in Djakarta af. Daar gaf hij zich, terwijl de MP'er buiten wachtte, uit voor een vriend van Poncke Princen die contact met hem zocht omdat hij eveneens overwoog naar het TNI over te lopen. Maar daar trapte niemand in. Princen werd goed op de hoogte gehouden van de pogingen hem te verschalken en wist begin maart 1949 met hulp van zijn vrienden uit Djakarta te ontkomen. De MP had hem bijna te pakken, maar liet hem door haar bureaucratische traagheid en doorzichtige misleidingsmanoeuvres door de vingers glippen.

Poncke Princen: ""Op die Arie van de V. ben ik niet boos. Ik begrijp het wel. Hij had voor de moffen gewerkt en dat wist de MP. Bovendien had hij waarschijnlijk een voorwaardelijke veroordeling gehad, dus ze hadden hem in hun greep. Nee, ik neem het hem niet kwalijk.

""De dag voor ik uit Djakarta vertrok, ben ik naar het huis van (de dichter en academicus) Han Resink gegaan aan de Jalan Sutan Sjahrir. Daar heb ik één nacht geslapen, gestoken door honderdduizend muskieten. De volgende ochtend ben ik per betjak naar Tjawang gegaan, naar het huis van de schrijver Mohammed Balfas. Die kende ik via Jan Hoornweg, leraar Frans in Djakarta, een kennis van Dolf Verspoor. Belfas sprak vloeiend Nederlands, hij was een vriend en bewonderaar van Charil Anwar. Hij behoorde ook tot die groep schrijvers en dichters. Allemaal stonden ze onder invloed van Slauerhoff, Du Perron en Marsman. Dat sloot aan bij mijn belangstelling.

""Balfas woonde in een huisje in de kampung. Hij was zeer benauwd, want het was ongewoon dat in de kampung een Belanda rondliep. Ik vroeg hem: "Hoe kom ik naar Sukabumi', want ik wilde me daar voegen bij de guerrilla. De broer van Balfas zei toen: "Zoek in Sukabumi contact met TNI-kapitein hadji Dasuki, die zit bij Tjisaat-Sukabumi. Via die broer werd ik voorgesteld aan een chauffeur die met een truck ranbutans naar Sukabumi reed. Het probleem was: hoe komen we die posten van KNIL-KL voorbij? Ik had een vilten hoed op en een donkere bril, eigenlijk heel stom, de beste manier om aandacht te trekken. Maar het liep goed af, want bij de post Tjibinong stonden Ambonese MP's. Die zagen mijn blanke gezicht en lieten me door.

"Waar gaat u heen, meneer?'

"Dag jongens, ik ga naar Sukabumi.'

"Goed meneer, dag meneer.'

""Als daar Nederlanders hadden gestaan, was het heel anders gelopen. Verder waren er geen posten onderweg, tot mijn grote verwondering. Ik liet de truck stoppen in de buurt van Tjisaat en vroeg de bevolking aan de kant van de weg in waroengs et cetera: "Waar zit hier in de buurt kapitein Dasuki?' Nou, iedereen klapte dicht natuurlijk. Dasuki was de territoriale commandant van het TNI in die streek, van de fourage- en inlichtingenafdelingen dus eigenlijk. Geen wonder dat niemand iets wilde vertellen.

""Ik zat helemaal klem en ik dacht: ik ga naar de heer Aoh Kartahadimadja, een bekend schrijver en dichter, die kende ik nog uit de tijd dat ik Hollands soldaat was. Aoh woonde in Sukabumi. Met hem had ik veel gepraat over existentialisme, Nederlandse schrijvers, enzovoorts. Hij keek wel vreemd toen hij mij daar plotseling zag. Maar hij vertrouwde mij en zei: "Je kunt hier voorlopig blijven zitten. Maar jongens van jouw vroegere afdeling komen hier nog wel eens op bezoek, en dan moet ik je verstoppen'. Dat gebeurde inderdaad. Toen ze kwamen, ben ik onder een bed gekropen. Die jongens zaten daar met Aoh grappen te maken en te lachen, terwijl ik daar onder dat bed lag.

""Aoh heeft toen voor mij contact gelegd met Yusuf Juarsa, die pelotonscommandant was van het TNI in de omgeving van Tjipriangan. Het peloton Yusuf was een onderdeel van de compagnie Saptadji en die viel weer rechtstreeks onder het bevel van mijn vriend Kemal Idris, de commandant van het bataljon Kala Hitam.

""Dokter Winita van de protestantse zending heeft mij toen naar de desa Tjipriangan gebracht. Daar ontmoette ik Yusuf Juarsa en zijn jongens weer, die kende ik natuurlijk nog van de Lange Mars. Maar ze wisten niet wat ze met me moesten aanvangen, want daar waren helemaal geen plannen voor. Yusuf heeft me toen doorgestuurd naar kapitein Saptadji, die daar in de buurt zijn markas (hoofdkwartier) had in de bush. Saptadji was de grote man daar, hij was als compagniescommandant verantwoordelijk voor de organisatie van de strijd in dat gebied.''

Malaria

Kapitein Saptadji Hadiprawira is nu brigade-generaal b.d. en zakenman in Jakarta. Saptadji: ""Veel van mijn jongens waren tijdens de Lange Mars ziek en verzwakt, vooral door de malaria. Daarom heb ik ze na terugkeer in het Sukabumische een maand verlof gegeven om aan te sterken. Daarna zijn we opnieuw met de werving begonnen. We hadden toen twee soorten troepen: mobiele gevechtsgroepen voor de guerrillastrijd en territoriale troepen. Die waren ongewapend en hadden als taak alleen inlichtingen, bevoorrading, bescherming van de mobiele troepen, enzovoorts.

""In het Sukabumische moesten we onze eigen Wehrkreis (nog even uitleggen, cc) inrichten. Die term was ingevoerd door pak Nas (kolonel Nasution); die had op de militaire academie gezeten, samen met Alex Kawilarang, Simatupang, Mokoginta en Urip Sumodihardjo (TNI-leiders uit de onafhankelijkheidsoorlog - WH). Die heren spraken met elkaar over Clausewitz en zo. Dat vormen van Wehrkreise ging helemaal niet zo makkelijk. Want we hadden in ons gebied ook allerlei plaatselijke strijdgroepen zitten die niet tot het TNI behoorden, zoals de Gerakan Merah Putih (Rood Wit Beweging), de Pembela Masjarakat (Verdedigers van de Samenleving) en de Bambu Runtjing (Bamboespeer). Dat waren allemaal jongens uit de streek, terwijl de meesten van ons daar vreemd waren. Zelf was ik er nooit geweest, want ik ben van Bogor. Sommigen van mijn pelotonscommandanten waren wèl uit die streek. Maar toen de mensen eenmaal wisten wie ik was en we ook meer acties uitvoerden, toen kregen we ook meer steun van de bevolking. Toen werkten we met verschillende plaatselijke groepen goed samen.''

Overval

Bij één van die plaatselijke groeperingen kwam Poncke Princen nu vooreerst terecht. Het was de Pembela Masjarakat van guerrillaleider Husein Bakhtiar, die opereerde in het gebied ten zuiden van Sukabumi.

Husein Bakhtiar, die nu als boer, landbouwvoorlichter en sociaal raadsman in een kampung ten westen van Bogor woont: ""De Pembele Masjarakat was een soort islamitische politieke beweging. Informeel waren alle santri's (leerlingen) van de pesantren (islamitische kostscholen) bij ons aangesloten. De PM was actief in de hele streek, van Bogor-Sukabumi tot aan Bandung en Tasikmalaya. We stonden apart van het TNI, maar we werkten veel samen. Onze kiai (geestelijke leider) was Ahmad Sanusi. Hij was loyaal aan de Republiek en was fel tegen de Darul Islam, die een islamitische staat wilde oprichten. Dat was een groot geluk voor het TNI! Toen dat in februari 1949 uit Djokja terugkwam, was inmiddels de Darul-Islambeweging begonnen. En als wij er niet waren geweest, zou de Siliwangi het een stuk moeilijker hebben gehad.

""Princen kwam op een dag in maart bij mij aan samen met Oking, één van de mensen van Saptadji. We spraken met elkaar over principiële dingen en ik vertrouwde hem direct. Waarom hij van zijn leger was weggegaan en zo, dat begreep ik. Dat zou ik zelf ook gedaan hebben. Ik besloot toen dat hij voorlopig beter bij mij kon blijven, dan kon hij meer presteren.

""Terwijl we daar zo zaten te praten, kwam het plan op om nog diezelfde dag een overval te doen op een textielfabriek in Pada-asih, om daar wapens te veroveren. Hij kreeg zeven jongens van mij mee. Zelf had hij een Schmeisser-junglekarabijn, en het bovenlijf bloot. Mijn jongens hadden allerlei Japanse geweren en Steyr-karabijnen van het KNIL. Ze waren zo goed mogelijk geüniformeerd, in een soort veldgroen, om zoveel mogelijk op het KNIL te lijken.''

Poncke Princen: ""We liepen een uur of wat door de sawahs naar dat fabriekje toe. Ik zette één wachtpost bij de spoorlijn en één bij het bruggetje verderop, en bij de poort van de fabriek ook nog eens twee. Dus ik ga met drie man naar binnen en vraag of ik de wachtcommandant mag spreken. Toen liet ik de wacht aantreden, die kwamen daar allemaal in dat wachtlokaaltje. Ik gaf in het Nederlands bevelen: schouder geweer! presenteer geweer! ontlaad het geweer! en dat deden ze braaf.

""Ze waren van de Chinese ondernemingswacht Po An Tui, wel dertig man sterk. En wij stonden daar met ons drieën. Toen ging één van die jongens aan het rommelen met een handgranaat. Die heb ik in zijn nek gepakt en gezegd: hé, geen flauwekul hier, anders gaan jullie er allemaal aan! En ik zei: als jullie je goed gedragen, dan gebeurt er ook niks, je bent in goede handen. Nou, er stond een truck voor dat fabriekje met textiel erop. Daar heb ik al die ondernemingswachters op laten stappen, en mijn eigen jongens ook, met onze pas veroverde wapens. Ze konden ze nauwelijks dragen, het waren zeventien Mauser-karabijnen en wij waren maar met ons achten.

""Die lui van Po An Tui heb ik meegenomen naar bovenop de berg en daar heb ik ze vrijgelaten. Het had toch geen zin om ze te verhoren. Later heb ik gehoord dat ze een verschrikkelijk pak slaag hebben gehad van het KNIL, omdat zij zich zo maar wapens hadden laten afpakken! Het waren spiksplinternieuwe Mausers, voor die tijd was dat fantastisch. Die eerste stunt was erg belangrijk, want daarmee had ik mijn proefstuk afgelegd. Voor zover er nog wantrouwen tegen mij mocht bestaan, was dat nu verdwenen.''

Reputatie

De overval op Pada-asih was op 28 maart 1949. Princen vestigde er in één klap zijn reputatie mee. Hij kreeg voortaan zijn eigen Pasukan Istimewa (Speciale Afdeling), die bestond uit manschappen van het TNI-bataljon Kala Hitam, maar die nauw bleef samenwerken met de islamitische Pembela Masjarakat.

Husein Bakhtiar: ""Wij van de PM sympathiseerden al met hem voordat hij kwam. Ik heb later meer met hem samengewerkt dan met de Kala Hitam. Het was een geluk dat hij kwam, want het moreel van onze troepen steeg. In onze streek was hij populairder dan ik. Als "pak Persen' verscheen, dan ging er wat gebeuren, dat wisten de mensen. Hij was een echte volksheld.''

Volgende week: De wraak van het KNIL.

In het eerste deel van deze serie werd buiten de schuld van de auteur gewag gemaakt van "een zekere meneer Dolf Spoor'. Bedoeld werd Dolf Verspoor.