De laatste politieverzorgingsstaat

Op het eerste gezicht lijkt Cuba een aards paradijs, maar wie beter kijkt, ziet een panorama van volksdemocratische verwaarlozing, zo schrijft H.J.A. Hofland. De economie stagneert, het machinepark veroudert, het collectieve systeem raakt langzaam ontwricht. "In één opzicht volgt Cuba het Middeneuropese model niet. Er is, voorzover we kunnen zien, nog geen begin van een gestructureerde oppositie.'

De Malecon is de lange brede boulevard langs de Baai van Havana. Zondagmorgen. Met de bedaardheid der bejaarden schuiven de Amerikaanse auto's voorbij, DeSoto's, Hudsons, nog enkele Studebakers van het ontwerp Raymond Loewy, allemaal van vòòr de revolutie en volgepakt met families. Over en langs het muurtje slenteren de jongeren; op glanzende, zojuist uit China aangevoerde fietsen, model oude Fongers, komen hun makkers aangereden. De vaders zitten al met een lijntje in zee te vissen. De huizenrij aan de overkant, een galerij met negentiende-eeuws pilaarwerk en ornamenten, balkons, gevels blauw, geel of rose geschilderd - het is in zijn geheel een monument, zo mooi dat bij iedere poging om het te beschrijven, je de moed in de schoenen zinkt.

We rijden weg van het centrum, richting Miramar en Playa. Onderweg eerst een groot bord waarop staat: 100 procent Cuba. Dan komt er een torenhoog hotel, de Rivièra. We passeren een aquaduct en het restaurant "1830' en bereiken de vijfde avenue, een brede dubbelbaans laan waar we ook al van de ene architectonische verrassing in de andere vallen. Elegant bepilaarde paleisjes uit het fin de siècle, Jugendstil, en Rietveld-achtige villa's. Palmen, fraai geschoren grasvelden, een parkje met een paar eeuwenoude waringins, weer twee hoge hoteltorens en dan het Commodoro waar ik toevallig logeer. Het ligt aan zee, het water is schoon en bijna lauw, er zijn geen jet-ski's, speedboten of offshore-raceboten die je leven bedreigen; geen ghetto blasters met rap songs die de jongens aanmoedigen zelf eens een verkrachtinkje te proberen.

Wat een vredig en gelukkig eiland. Om een uur of zes denk ik: eten aan de haven maar eerst een daiquiri in de Floridita. Dit restaurant heeft een bar die gerekend wordt tot de zes beste ter wereld. De andere zijn de Ritz in Londen en Parijs, een gelegenheid in Singapore, Club 21 in New York en nog een die ik vergeten ben. De Floridita is gerestaureerd en beroemd omdat Ernest Hemingway er tien daiquiri's op een rij liet zetten en ze achter elkaar opdronk. De bar heet The Cradle of the Daiquiri - leg de klemtoon als in interesting - en de cocktail zelf doet het meest denken aan natte sneeuw met alcohol. De Floridita is het duurste restaurant, kreeft thermidor voor 36 dollar, teveel, en bovendien zit je er binnen, in een overairconditionde ruimte.

Voor vijf dollar brengt de taxi me door de tunnel naar een ander restaurant, een overdekt lang terras dat onderdeel is van het oude Spaanse fort. De kanonnen staan er nog, de complete batterij, negen oudtantes van de Dikke Bertha, met de ronde kogels er nog naast. Rustieke defensie. De zon gaat onder, de paleizen van Habana Vieja aan de overkant van de haven worden er rose van. De zee is spiegelglad; aan de horizon torenen de cumuluswolken van de tropen en op mijn bord ligt de verse kreeft. Ik ben blij dat het niet andersom is. Zo'n zonsondergang vind je verder nergens. In de verte davert het kanonschot van negen uur, echoot over het water en verdwijnt in de stegen van de oude stad. Dat gebeurt iedere avond omdat het traditie is, en ik denk aan Willem van de Velde de Jonge. In het donker terug langs de Malecon, op het muurtje de tweepersoons gedaanten der vrijende paren. Kouder dan dertig graden wordt het vannacht niet. De airconditioning in dit hotel doet het uitstekend.

Onbedorven

Wie zich zorgvuldig aan de zeezijde houdt, alleen eet in de dollarrestaurants, zich met dollartaxi's laat vervoeren en zich verder bepaalt tot museumbezoek, gaat naar huis met de overtuiging dat hij op bezoek is geweest in het laatste der onbedorven paradijzen met moderne gemakken. Natuurlijk, iedereen weet wel dat Castro's Cuba in werkelijkheid de laatste politieverzorgingsstaat is - als we de Aziatische buiten beschouwing laten - en iedereen die zijn ogen de kost geeft, ziet meer politie dan voor de regeling van het verkeer nodig is. Maar wat zijn de mensen vriendelijk! Bereid tot lachen, de deur open te houden, de verse schaaldieren op uw bord te leggen en uw glas vol te schenken. De mensen: dat zijn de obers, de portiers, de chauffeurs. Voor de gedepolitiseerde toerist is de bevolking van Havana gereduceerd tot degenen die deze beroepen uitoefenen.

Gedepolitiseerd toerisme ging vroeger naar Spanje toen Franco nog leefde of naar het Griekenland van de kolonels. De theorie was dat je op die manier de mensen steunde en zodoende het regime zelfs nog dwars zat als je aan het strand lag. Het is nooit bewezen; het tegendeel trouwens ook niet. De enige zekerheid is dat men met vakantie gaat naar een politiestaat in zijn nadagen, en voor de een telt dat zwaarder dan voor de ander.

Ik zal nog meer ten voordele van de politieverzorgingsstaat zeggen. In de omgeving van de grote hotels voor de buitenlanders word je nergens aangeklampt door bedelaars of mensen die je hasj, heroïne of crack willen verkopen. Hoogstens houdt iemand je staande om te vragen hoe laat het is en daarna: Where do you come from? In andere grote steden van Latijnsamerikaanse landen kun je de bedelaars niet van je afslaan en loopt de kans op beroving na zonsondergang op van twintig tot honderd procent. Een op de drie Newyorkers is weleens gemugged; meer dan tweeduizend hebben dat vorig jaar niet kunnen navertellen. Caracas heeft achterbuurten waar zelfs de politie niet durft te komen.

In Havana zijn helemaal geen bedelaars; niemand slaapt op straat, er zijn geen daklozen die in supermarktwagentjes met plastic zakken hun hebben en houen vervoeren, niemand is openbaar dronken, er zijn geen manifeste gekken die je hun onverstaanbaar protest toeschreeuwen. Kom je langs een school en het is speelkwartier dan is het plein vol met kinderen in keurige uniformpjes. Er wordt gezegd dat Cuba geen analfabeten heeft en ik geloof het. De gezondheidszorg is voorbeeldig; de apotheken zijn veruit de mooiste winkels van de oude stad; ze blinken van reinheid.

De gedepolitiseerde toerist die zich heeft voorgenomen dat te blijven, de reiziger die destijds de Duitse autobanen apprecieerde, gaat naar huis met de overtuiging dat het op Cuba zo gek nog niet is. Hij wijst op de niet één, maar drie splinternieuwe stadions die even buiten de stad ten behoeve van de Panamerikaanse spelen zijn gebouwd: een voor het wielrennen, een voor het voetballen en een voor het zwemmen. Granma, het dagblad van de partij, heeft een maand lang stijf gestaan van de sportverslagen en de vriendschap der volken die door de ontmoetingen in die stadions wordt bevorderd. Het waterhoofd van de sport: het ware kenmerk van de dictatuur.

Werkelijkheid

Veel verder dan de gedepolitiseerde neus hoeft men niet te kijken om te zien wat de werkelijkheid is. Eerst komen de tekenen van de verwaarlozing: de rafelige gevels als die van Leipzig of Oost-Berlijn, de achterstraten waar geen gaaf huis meer te vinden is, de rijen voor alle levensmiddelenwinkels en de cafetaria's van de overheid, het onmiskenbaar panorama van de volksdemocratische verwaarlozing. Het dringt door tot de internationale hotels: zelfs de lobby van het Habana Libre, vroeger Hilton, vorig jaar nog redelijk onderhouden, draagt het volksdemocratisch waarmerk: die onnavolgbare bestofte rafeligheid.

Toen dacht ik: de oplossing voor Cuba is de volgende: men maakt van het land een groot openluchtmuseum, gefinancierd door alle wetenschappelijke instituten ter wereld, de historische, economische, politieke en sociologische, om te laten zien hoe het hier gepraktiseerde collectieve systeem ontspoort. Tot in lengte van dagen zal het zijn aanschouwelijke, afschrikwekkende leerzaamheid houden.

Dit voorstel gaat uit van de onmogelijke premisse dat een maatschappij in haar ontwikkeling kan worden bevroren. Na een jaar zag ik hoe snel het verval was gevorderd, zelfs nog terwijl de Sovjet-Unie met een paar miljard dollar was bijgesprongen. Cuba lijkt niet alleen in iedere momentopname sprekend en niet-sprekend op het type volksdemocratie dat in Midden-Europa het loodje heeft gelegd; hieruit volgt dat het ook in zijn verval de Middeneuropese ontwikkeling volgt. Eerst komt de economische stagnatie. Die leidt in het binnenland tot schaarste aan consumptiegoederen en tast de buitenlandse handel aan waardoor een gebrek aan harde valuta ontstaat. Het machinepark veroudert, er komt gebrek aan reserve-onderdelen, de nationale produktie raakt in de spiraal van de neergang. Gelijktijdig neemt de inflatie toe, de zwarte markt ontwikkelt zich en de dollar wordt het magische betaalmiddel.

Nog niet zo lang geleden was er voor de buitenlanders het gesloten dollarcircuit. Dat is doorbroken. Niet dat de bezoeker veel aan zijn pesos zou hebben, maar de Cubanen des te meer aan zijn dollar. Op dat ogenblik is de take-off van de corruptie voltooid. Het zekere teken daarvan is de prostitutie; jaren lang op het laagst mogelijk niveau gehandhaafd maar nu gestaag groeiend. De corruptie tast de hogere niveaus aan, hier en daar komt een schandaaltje aan het licht, de betrokkenen worden berecht, maar voor de grote lijn van de ontwikkeling heeft dat niets te betekenen. De verleidingen van de corruptie worden onweerstaanbaar voor degenen die in de positie zijn zich te laten corrumperen, de inflatie maakt de afstand tot het "gewone volk' groter. Zo beleeft een steeds minder weerbare economie zijn sluipende ontwrichting. In grote trekken is het in Midden-Europa en de Sovjet-Unie niet anders gegaan.

Geen oppositie

In één opzicht volgt Cuba dit Europese model niet. Er is, voorzover we kunnen zien, nog geen begin van een gestructureerde oppositie: niets dat vergelijkbaar is met Solidariteit in Polen, Charta in Tsjechoslowakije, de Samizdat in de Sovjet-Unie. "Men' zegt dat de Cubanen murw zijn. Wie is men? De verslaggever is niet in staat, de temperatuur van het weerstandsvuur in tien miljoen Cubanen op te nemen. "Men' is in dit geval een aantal schrijvers, degenen die men tegen het lijf loopt, plaatselijke zakenmensen die tot wat minder voorzichtigheid bereid zijn, een paar westerlingen die langere ervaring met het land hebben. Ze klinken geloofwaardig. In de rij staan, in afgeladen openbaar vervoer dagelijks van huis naar werk en terug rijden, de hele dag het hoofd moeten bieden aan toenemende schaarste, kweekt gelatenheid. Ik sprak een fabrieksdirecteur. Onze lunchpauze is teruggebracht tot een kwartier, zei hij. Zeker om de produktiviteit op te voeren? vroeg ik. Nee, omdat er geen lunch is. Zelfs in de hotelwinkels waar men alleen met dollars terecht kan, neemt de schaarste toe. Wasmiddelen, chocola zijn vaak uitverkocht.

Hoe moet dat aflopen? Niemand weet het. Vorige week zaterdag heb ik in deze krant zeven "scenario's' genoemd, gedestilleerd uit wat ik in Havana had opgestoken. Het ene is even waarschijnlijk als de andere zes. Zeker is alleen dat niemand een deugdelijk plan heeft voor Cuba post-Castro.

In de Herald Tribune van 7 september staat een kleine, veelzeggende bijdrage van Ernesto F. Betancourt, vroeger hoofd van Radio Marti, de vrije Cubaanse zender in Florida, die door het regime gehaat en gestoord wordt. Betancourt vestigt de aandacht op een vergadering van de Cuban American National Foundation die beheerst wordt door geestverwanten van het vroegere Batista-bewind. Deze stichting stelt plannen op voor de economische wederopbouw. Een vergadering waarop een en ander ter tafel kwam, werd bijgewoond door Ronald Reagan en Jeb Bush, de zoon van de president. ""De stichting heeft kopers die bereid zijn, vijftien miljard dollar te betalen voor zestig procent van het land en wat er op staat'', aldus Betancourt. ""Niemand heeft de stichting het recht gegeven, het eiland te verkopen. Als gevolg van de Amerikaanse politiek zijn er heel wat Cubanen die de verwijdering van Castro als een groter gevaar beschouwen dan nog een paar jaar zijn bewind. Cuba kan geen miniatuur Sovjet-Unie blijven: het mag ook geen Amerikaanse kolonie worden. Het is hoog tijd dat Cuba weer Cuba wordt.''

De verslaggever laat zijn persoonlijk gevoel spreken. Havana is een prachtige stad, zo-een waar je telkens terug wilt komen. Het geheel is arm, vervallen, maar de charme en het mooie, oude, nieuwe, onverwachte, het grillige, levendige, wat heb je verder, is er niet door aangetast. Hoe verschrikkelijk zou het zijn als hier de heren Bush jr. en Reagan met hun stichting het indirect voor het zeggen kregen, de stad in een toeristenkermis veranderden, de kust volgebouwd met gigantische hotels en verderop de gokhuizen, bordelen, en die andere corruptie waar men 160 kilometer over zee, in Miami, alles van weet.

Bij alle verschillen is er één overeenkomst tussen het Cubaanse probleem en het Joegoslavische. Iedereen met gezond verstand die niet in het land woont, ziet dat het misloopt, dat zelfs bij een matige betrachting van de redelijkheid alle partijen zouden winnen, en dat juist deze, zo voor de hand liggende redelijkheid onverkoopbaar is. Fidel Castro, zegt men, is op de hoogte van alles wat in zijn land gebeurt, en hij is degene die er de laatste verantwoordelijkheid voor draagt. Hem zou duidelijk moeten worden gemaakt dat het Middeneuropese model onvermijdelijk is. De revolutie van bovanaf is per slot van rekening ook in Moskou gepraktizeerd en zonder bloedvergieten verlopen. Een verlichte glasnost-Fidel zou ertoe kunnen bijdragen dat dit proces in Havana behoorlijk verloopt.

Het Westen en Moskou hebben samen misschien de politieke middelen om hem daartoe te bewegen. Aan de terugtrekking van de Sovjet-strijdkrachten en adviseurs is een zwakke voorwaarde verbonden - zwak omdat de Sovjet-Unie geen middelen meer heeft de naleving ervan af te dwingen. Moskou zal zich van Cuba onthechten als de Verenigde Staten zich verplichten tot niet-inmenging, met uitzondering van economische hulp op voorwaarde van politieke liberalisering. Binnen een dergelijk systeem van voorwaarden zouden de Cubanen kunnen bewerken dat Cuba voor de Cubanen blijft.

Vrome wensen.