C. SMIT 1899-1991; Historicus van het buitenlands beleid en de dekolonisatie

Op 92-jarige leeftijd overleed vorige week zaterdag mr. dr. C. Smit. Hij laat een omvangrijk historisch-wetenschappelijk oeuvre na, dat in hoofdzaak tussen 1945 en 1975 tot stand is gekomen. De Nederlandse buitenlandse politiek, vooral die van de negentiende en twintigste eeuw staat in zijn werk centraal, terwijl ook over het aanpalende terrein van de dekolonisatie van Indonesië studies van zijn hand verschenen.

Na Smits promotie bij Sneller aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam in 1923 op De handelspolitieke betrekkingen tussen Nederland en Frankrijk 1814-1914 vestigde hij zich als advocaat in Soerabaja. Hij bouwde een goedlopende praktijk op, die echter door de economische crisis van de jaren dertig op zijn retour raakte. Smit was in 1928 een van de vier initiatiefnemers van de conservatieve Vaderlandse Club, maar door zijn vertrek naar Nederland kwam het niet tot politieke activiteiten. Hoewel hij zich in Nederland als advocaat en procureur vestigde, vond hij tijd voor historisch onderzoek. In 1945 verscheen zijn De buitenlandse politiek van Nederland, dat de periode van de Republiek en het koninkrijk behandelde. Vijf jaar later zag Diplomatieke geschiedenis van Nederland, inzonderheid sedert de vestiging van het Koninkrijk het licht. In deze beide overzichtswerken behandelde Smit op basis van de bestaande literatuur de geschiedenis van de Nederlandse buitenlandse politiek in traditionele diplomatieke zin. Het door de Nederlandse autoriteiten gevoerde beleid stond centraal, vraagstukken werden door de Nederlandse bril bekeken en buitenlandse politiek was "hoge politiek' die zich in een beperkte kring van direct betrokkenen afspeelde en weinig invloed leek te ondergaan van economische, sociale of binnenlandspolitieke factoren.

In latere studies zette Smit deze lijn voort. Hoogtij der neutraliteitspolitiek. De buitenlandse politiek van Nederland 1899-1919 (1959) en Nederland in de eerste wereldoorlog (1899-1919) (1971-1973) waren vooral gebaseerd op zijn documentenuitgave over de Nederlandse buitenlandse politiek 1899-1919. Beide studies kregen in de kring van academische vakhistorici een welwillende ontvangst vanwege de nieuwe gegevens, maar de beperking tot in hoofdzaak officiële documenten als voornaamste bron riep ernstige kritiek op. Zijn critici zagen in zijn aanpak een minder geslaagd voorbeeld van de achterhaalde diplomatieke geschiedschrijving. De kracht van Smit als historicus lag dan ook niet in zijn monografieën. In het algemeen bleven deze te uitsluitend bij de inhoud van de documenten en ontbrak een kritische distantie en analyse, terwijl de diplomatieke en buitenlands-politieke ontwikkelingen niet geplaatst werden in het bredere kader van internationale ontwikkelingen, economische achtergronden en binnenlandspolitieke omstandigheden. Toch blijft het feit dat zijn Diplomatieke Geschiedenis ondanks de gedateerdheid die Smits studies soms al bij hun verschijnen hadden, bij ontstentenis van een overzichtswerk over de Nederlandse buitenlandse politiek na 1813 nog veelvuldig wordt geraadpleegd en gebruikt.

Deze bezwaren gelden in mindere mate voor de studies over de dekolonisatie. Al in De Indonesische kwestie (1952) demonstreerde Smit zijn vermogen tot een zakelijke en objectiverende beschrijving van dit met zoveel emoties beladen onderwerp. Van Het Akkoord van Linggadjati (1959) en De liquidatie van een imperium. Nederland en Indonesië 1945-1962 (1962) kan eveneens worden gezegd, dat hij de feitelijke ontwikkelingen onopgesmukt voor het voetlucht bracht, terwijl andere publikaties nog bol stonden van de partijschap van de auteur.

Zijn grote bijdrage aan de Nederlandse historiografie vormt zijn documentenuitgave Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1848-1919. Derde periode: 1899-1919, waarvan hij tussen 1955 en 1974 in opdracht van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis (RCVG) acht delen in tien banden bezorgde. Smit werkte snel; het toezichthoudend lid van de RCVG, de Utrechtse hoogleraar C.D.J. Brandt sprak liever, en niet zonder zorgelijke ondertoon, van "haastig'. In de opzet van de documentenuitgave ging Smit zijn eigen weg. In afwijking van de inzichten van de meeste leden van de RCVG beperkte hij zich bij de selectie niet tot de archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar raadpleegde hij ook archieven van andere ministeries en nalatenschappen van ministers en diplomaten. Smit beperkte zich welbewust tot onderwerpen van buitenlands beleid, waarbij een lichte voorkeur voor handelspolitieke en internationaal juridische kwesties in zijn selectie tot uitdrukking kwam. Algemene diplomatieke rapportage liet hij buiten beschouwing. Zijn voorstel tot uitbreiding van het onderzoek tot archieven in het buitenland was de RCVG in 1955 te revolutionair, maar overeenkomstig zijn karakter hield Smit vol: na voltooiing van zijn opdracht bewilligde de RCVG in 1966 alsnog de uitvoering van dit plan. Met deze tweeledige verbreding van de grondslag van de documentenuitgave heeft hij een koers uitgezet, die uitgangspunt is geworden voor de vervolgserie voor de jaren 1919-1945. Vanuit het internationale perspectief gezien waren het belangrijke vernieuwingen. De bredere archiefbasis verschafte de gebruiker inzicht in het besluitvormingsproces, terwijl het verzamelen van documenten in buitenlandse archieven informatie opleverde, die in het kleine Nederlandse ambtelijke apparaat geen schriftelijke neerslag had gevonden.

Na voltooiing van de Bescheiden publiceerde Smit in 1970 het Dagboek van Schermerhorn als voorzitter van de commissie-generaal voor Nederlands-Indië, die tussen september 1946 en oktober 1947 de onderhandelingen met Republiek Indonesië voerde over het akkoord van Linggadjati voerde. Inmiddels had de RCVG hem in 1968 belast met de voltooiing van de opdracht aan dr. M. Boon voor de verzameling van materiaal over de geschiedenis van Indonesië tussen 1945 en 1950. Het betrof naast de verzameling van documenten vooral het interviewen van politici en andere hoofdrolspelers. Sommigen meenden, dat in de vragen die hij hen stelde zijn eigen "linkse' visie al te prominent aanwezig was. Smit voltooide deze opdracht in 1968. Tot zijn teleurstelling was hij niet belast met de uitgave van de Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1949. Zijn leeftijd maar vooral onvoldoende crediet dat hij bij Buitenlandse Zaken genoot waren daaraan debet.

Mr. dr. C. Smit was een gedreven en voortvarend mens, die zich volledig inzette zaken overeenkomstig zijn eigen inzichten te regelen. Met name bij de totstandbrenging van de Bescheiden moest de RCVG ervaren dat dit hinderlijk kon zijn. Een echte crisissituatie dreigde te ontstaan bij de publikatie van Hoogtij der neutraliteitspolitiek. Smit citeerde zonder enig overleg documenten over het huwelijk van koningin Wilhelmina in het eerste deel van de Bescheiden, waarvan de publikatie pas na het overlijden van prinses Wilhelmina mocht plaatsvinden. Om ongewenste publiciteit te voorkomen - de RCVG en het ministerie van OKW waren blijkbaar beducht voor een artikel van de met Smit bevriende journalist E. van Raalte - kwam Smit ervan af met een ernstige berisping en bleef intrekking van de opdracht achterwege. Achteraf zeker een wijs besluit, want Smit kon daardoor zijn magnum opus voltooien, dat zijn belangrijkste bijdrage is aan de Nederlandse geschiedschrijving.