Bolkestein monopoliseert de liberale "beginselen'

Met een spreekbeurt voor de Liberale Internationale te Luzern heeft VVD-fractieleider Bolkestein zich een geharnast verdediger van de basisprincipes van onze democratische rechtsstaat getoond.

Zijn rede is verschillend ontvangen: van voorzichtige instemming tot scherpe afwijzing. In het laatste geval werd enige demagogie niet geschuwd en het spookbeeld van discriminatie en onrecht ten tonele gevoerd. Ten onrechte. Wie de woorden van Bolkestein nog eens goed naleest, ziet dat hij volkomen te goeder trouw is en een probleem heeft aangesneden waarover te lang het stilzwijgen is bewaard.

Men kan Bolkestein echter wel verwijten dat hij zijn onderwerp te oppervlakkig heeft behandeld. De zaak is veel gecompliceerder dan hij voorstelt, niet alleen in de praktijk, maar ook theoretisch. Bolkestein heeft de basisprincipes van onze constitutie te veel als een uitsluitend liberaal erfgoed voorgesteld (tenzij hij "liberaal' zeer breed opvat, als het algemene vrijheidsprincipe van onze staatsvorm) en heeft verzuimd hun paradoxale en asymmetrische karakter te belichten.

Als inderdaad vrijheid het draagvlak vormt van de principes van onze democratische rechtsstaat, dan is zoiets als leerplicht niet een vanzelfsprekende consequentie van dat principe, maar een ingrijpende modificatie van vrijheid uit het oogpunt van gelijke kansen voor alle ingezetenen van Nederland. Hier komt vrijheid op gespannen voet te staan met gelijkheid. Doorgaans probeert men dit probleem te ontlopen door te spreken van "gelijke vrijheid voor allen', maar daarmee is de paradox niet opgeheven, die hierin bestaat dat enerzijds vrijheid niet kan worden afgedwongen, maar anderzijds gelijke vrijheid enige drang (en soms dwang) veronderstelt. Vanuit alleen het vrijheidspincipe kun je niet bewijzen dat minderheden (groepen mensen met opvattingen die door de meerderheid niet worden gedragen, wat hun etnische afkomst ook is) zich aan de algemene leerplicht moeten houden. Om dat aan te tonen is heel wat meer nodig. Bolkestein zag dat zelf in, toen hij in KRO's Brandpunt verklaarde (zondagavond 15 september) dat hij handelde in het belang van de etnische minderheden zelf. Dat draagt weer het gevaar in zich van paternalisme: de ene bevolkingsgroep maakt uit wat goed is voor de andere. Dat is zeker in strijd met de liberale beginselen!

Er zit niet alleen een zekere paradoxaliteit in de basisprincipes van onze constitutie, ook een flinke dosis asymmetrie.

Het valt niet te loochenen dat tolerantie een basisprincipe van onze democratische rechtsstaat is. We moeten echter de historische achtergrond van dit principe niet veronachtzamen. Het heeft eeuwen en eeuwen geduurd voordat in Nederland het tolerantiebeginsel vorm had gekregen en algemeen was geaccepteerd. Het is niet zo dat Nederlanders in een verleden dat ver achter ons ligt al tolerant waren en dat andere volken dat nu nog moeten worden. Het is een geschiedenis van ups en downs geweest. Ten tijde van de Contra-Reformatie zeiden de protestanten "liever Turks dan paaps'. Daarmee bedoelden ze niet dat ze liever islamiet werden dan terug te keren in de moederschoot van de kerk van Rome, maar dat het voor hen onder een islamitisch bewind draaglijker was dan onder een katholiek. Dat gold ook voor de joden. Nog in de vorige eeuw maakten de liberalen het de gereformeerden lastig en de protestanten de katholieken. Nederlanders hebben zo hun problemen gehad met het accepteren van het tolerantiebeginsel. In het licht van de geschiedenis valt de etnische minderheden in Nederland niets te verwijten.

Tolerantie bestaat als deugd, als principe en als praktijk.

Tolerantie als deugd staat het dichtst bij de oorspronkelijke passieve betekenis van het latijnse werkwoord tolerare: verdragen, verduren, uithouden. "Tolerare paupertatem' betekent bijvoorbeeld: de armoede verdragen, respectievelijk: dragelijk houden. H.J. Mispelblom Beyer, die in 1948 een studie over verdraagzaamheid het licht deed zien, kwam tot de conclusie dat tolerantie tot ongeveer 1500 de betekenis had van "het vermogen tot dragen' (van een last of onrecht), in de zestiende eeuw "gedogen', "toestaan' ging betekenen en pas veel later "het betonen van verdraagzaamheid'. De deugd van tolerantie is oorspronkelijk niet dat de meerderheid aan minderheden iets toestaat, maar dat je een zekere mate van onrecht die jou is aangedaan, kan verdragen. Wie dat kan, bewijst de deugd van de tolerantie te hebben begrepen en te kunnen toepassen.

Tolerantie als een principe voor de samenleving gaat uit van de actieve betekenis van tolerantie en niet van de passieve. De meerderheid staat een minderheid iets toe dat ze zelf verwerpt. Iets tolereren dat deel uitmaakt van de eigen waarden en normen is een leeg gebaar. Principieel gaat het er niet om wàt er wordt getolereerd, maar dàt er wordt getolereerd. Bolkestein heeft zich vooral beziggehouden met het wat van de tolerantie, niet met het dat. Het gaat echter om het dat van het tolerantieprincipe.

Het tolerantieprincipe houdt in dat datgene wordt getolereerd dat wezenlijk afwijkt van de norm van degene die tolereert. Vroeger werd linkshandigheid niet geduld, tegenwoordig wel. Nú is wezenlijk of men een afwijkende leefwijze verdraagt die voor de betrokkenen deel uitmaakt van hun identiteitsbeleving en dan niet alleen in hun privé-leven, ook in het publieke leven. Bolkestein verwees in de genoemde TV-uitzending te gemakkelijk naar het privéleven.

Degene die tolereert keurt wat hij tolereert af, desnoods op morele gronden. Mein Kampf is een verderfelijk boek; als men het tolereert stemt men niet in met de inhoud, maar geeft men aan tolerantie de voorrang boven de eigen morele afschuw. Een ander voorbeeld: Vanuit hún begrip van vrijheid van meningsuiting begrijpen Nederlanders niet zo gemakkelijk waarom sommige moslims in Nederland zo fel reageerden op De Duivelsverzen van Rushdie. Vanuit een moslimcultuur kan men echter die felle reactie beschouwen als een vorm van meningsuiting. Waarom kan hun de vrijheid om zich zo te uiten niet worden gegund? Er vielen toch geen doden? Waarom mag Piet Grijs wel Ruding met Eichmann vergelijken en waarom mogen moslims niet op emotionele wijze hun boosheid uiten in bewoordingen die inhoudelijk met de weloverwogen woordkeuze van Grijs te vergelijken zijn? Wie als dominante groepering aan minderheden het tolerantieprincipe voorhoudt, heeft de morele plicht zich te verdiepen in de cultuur van die minderheden.

Degene die tolereert heeft de mogelijkheid om niet te tolereren; hij maakt principieel geen gebruik van zijn macht om iets te verbieden dat hem niet aanstaat. Dit punt is van belang om de hedendaagse inflatie van het begrip "tolerantie' tegen te gaan. Als bijvoorbeeld een gemeentebestuur zegt dat het bepaalde ongewenste toestanden "tolereert', bedoelt het meestal dat het niet over de mogelijkheden beschikt om aan die toestanden een einde te maken. Onmacht wordt op die manier verdoezeld.

Als tolerantie positief wordt gewaardeerd, dan gebeurt dat niet om wat er wordt getolereerd, maar om het blote feit dat er wordt getolereerd. Tolerantie is een principe dat op zichzelf waardevol is, onafhankelijk van het al of niet waardevolle dat wordt getolereerd.

In de praktijk van alledag is tolerantie echter niet zaligmakend. Er is ook nog het recht om zich niet alles te hoeven laten welgevallen en dat recht dient door de overheid te worden beschermd. Maar het is niet mogelijk om in naam van het tolerantiebeginsel grenzen te stellen aan de tolerantiepraktijk. Naar haar ideaalvoorstelling is het tolereren van de intolerantie de hoogste vorm van tolerantie. In de praktijk is dat zelden haalbaar. Maar het erkennen van dat ideaal betekent accepteren dat er tussen tolerantie en intolerantie een asymmetrische verhouding bestaat. De intolerante persoon heeft tegenover de tolerante persoon een moreel nadeel, maar een maatschappelijk voordeel: hij kan zich veroorloven binnen ruime grenzen intolerant te zijn, zolang anderen hem blijven tolereren. Het morele nadeel van intolerant te zijn heeft voor hem geen betekenis. Per slot van rekening is tolerantie een vorm van eenrichtingsverkeer, zowel van een meerderheid ten opzichte van een minderheid als van een tolerante gezindheid jegens een intolerante. Met die eenzijdigheid te leren leven is een vorm van tolerantie.