Antonina Lesjtsjova (80) gelooft nog in het communisme; "Toen Lenin stierf hebben we allemaal gehuild'

Het communisme heeft in de Sovjet-Unie zijn definitieve nederlaag geleden, maar communisten zijn er nog volop. Sommigen zijn verbitterd, anderen teleurgesteld, weer anderen wenden zich snel van de partij af. Voor sommigen stort een wereld in, anderen zien het als de zoveelste koerswijziging in de veelbewogen geschiedenis van de partij.

Antonina Lesjtsjova, mijningenieur, is bijna een halve eeuw lid van de partij. Haar geloof in het communisme is ongeschokt. Fouten maken we allemaal, vindt Lesjtsjova, en de partijleiding moet er voor boeten. Maar de partij heeft haar de kans gegeven zich uit de bittere armoe te verheffen en hogerop te komen. Het verhaal van een doorsnee-communist.

Zon, zacht wuivende boomtoppen, een goed verzorgde moestuin en de stilte van een dorp. Het houten huis van Antonina Nikolajevna ligt aan de Leninstraat. Piepend gaat het tuinhek open en achterkleinzoon Dima - sprekend zijn vader - springt vrolijk naar buiten. Hij trekt me de kamer in waar hij net zijn mouwen had opgestroopt om een chirurgische ingreep te plegen op Mickey Mouse. Zijn overgrootmoeder zit in bloemetjesjurk aan de tafel, die met een plastic tafelkleed is bedekt. Zij is verlegen, want haar kunstgebit heeft het begeven, waardoor de sisklanken, waar het Russisch zo rijk aan is, nogal onduidelijk naar buiten komen.

Tachtig jaar is Antonina Nikolajevna Lesjtsjova en ze werd geboren in het mijnwerkersstadje Anzjero-Soedzjensk, tussen Tomsk en Kemerovo, diep in Siberië. Van de revolutie herinnert zij zich niet veel. Alleen dat alle mijnen een hele dag lang hun sirenes lieten loeien. Zij was doodsbang en kroop bij haar moeder weg.

De familie Lesjtsjov (Van Brasem) stamt uit Archangelsk in het hoge noorden. Antonina's voorvaderen bevisten de Witte Zee. Van moeders kant telt de familie kachelsmeden uit de provincie Kirov, 500 kilometer ten oosten van Moskou. Vader zat zeven jaar op de wilde vaart, maar streek toen, om God weet wat voor reden, neer in het smerige mijnstadje, dat uit louter barakken bestond. Hij was verantwoordelijk voor de liften die in de mijn afdaalden. Het was armoe troef. Het ene kind na het andere diende zich aan, na het achtste, in 1915, stierf vader Lesjtsjov. De waterleiding in de mijn was gesprongen, hij raakte doorweekt, liep longontsteking op en legde het loodje. Antonina was toen vier jaar oud.

De mijnen waren van de Duitse miljonair Michelson, die in Moskou woonde. Barakken, barakken en het kantoor van Michelson, zo herinnert Antonina zich haar jeugd. De dood van vader was een ramp. Geen geld en negen monden te voeden. Moeder was wanhopig. ""Mijn moeder moest werk vinden, want we hadden geen rooie cent. Ze namen haar aan als stookster op het kantoor van Michelson. We woonden met z'n allen in de kelder, waar de stookinstallatie stond. We waren allemaal om de beurt ziek. Ik herinner me vooral dat ik steeds last had van mijn tanden.''

Er was nooit genoeg te eten thuis. Antonina's oudste broer werkte als wielensmeerder op het spoorwegemplacement, een andere broer was koetsier en de elfjarige Grisja verdiende een grijpstuiver door de vloer aan te vegen op de werkplaats. Speelgoed hadden de kinderen niet, van oude lappen maakten ze zelf poppen.

tk Revolutie

Toen kwam de revolutie en alles werd anders. ""We kregen een echte één-kamerwoning in een barak'', vertelt Antonina opgetogen. De mijnen werden genationaliseerd, de mensen van Michelson vertrokken, revolutionaire commissarissen betrokken het kantoor. ""De eerste kleuterschool in heel Siberië werd geopend. De oude kleuterjuf leeft nog, ze is 95 jaar en ik schrijf nog steeds met haar.''

In 1918 kwam de burgeroorlog naar Siberië. Eerst trokken de Tsjechische legioenen door de streek. Ze vochten aan de kant van de witte generaal Koltsjak. De monarchistische generaal kwam eind 1918 aan het hoofd te staan van een Siberische regering in ballingschap. De regering was geen lang leven beschoren en de generaal werd in 1920 in Irkoetsk door de bolsjewieken geëxecuteerd.

Gevochten is er niet in Anzjero-Soedzjensk. De familie Lesjtsjov kreeg twee weken een gewonde witgardist ingekwartierd. ""Ik herinner me de Koltsjak-sleden, die voorbijgleden door de sneeuw. Mijn moeder bakte pannekoeken voor de soldaten. Koltsjak kwam en ging en toen kwamen de Roden terug.''

Voor de kinderen Lesjtsjov brak een gelukkige tijd aan. Aan de eeuwige verveling in de kelder kwam een einde, er waren kinderclubs, voorleesavonden en zangverenigingen. Antonina was tien toen ze Pionierleidster werd. Onder leiding van een frisse Komsomoller gingen de bleekneusjes op kinderkamp. In plaats van diefje met verlos speelden ze Roden en Witten. ""Als het Sovjet-regime er niet was geweest, waren we te gronde gegaan'', zegt Antonina beslist. ""Toen Lenin stierf, hebben we allemaal gehuild. Het leven was spannend, we waren georganiseerd, je kon ergens heen na school. Voor ons was er maar één ideaal: onze toekomst was de partij.''

Lenins adagium "leren, leren, leren' werd voor Antonina de leidraad van haar hele leven. ""We wilden allemaal hogerop. Mijn moeder kon niet lezen of schrijven, wij hebben het haar geleerd. We lazen sprookjes en het tijdschrift Pionier. Zonder de Pioniersorganisatie zou ons leven heel eenzaam zijn geweest. De communisten waren onze leermeesters.''

Antonina's oudste broer studeerde in Leningrad op de militaire academie en haar drie laatste schooljaren woonde zij bij hem. Dat was een feest, het was de eerste keer dat ze een grote stad zag. Voor het eerst ging zij naar toneel, voor het eerst zag zij trams, de Nevski prospekt. Helaas moest zij terug naar Siberië, het land schreeuwde om "kaders'. Het was Antonina's hartewens bioloog te worden, maar de partij besliste anders. Zij moest de mijnen in.

""Er kwamen agitatoren die ons opriepen geologie te gaan studeren. Het land had steenkool nodig. Het was het begin van de industrialisatie. Men zei ons dat we het nieuwe leven moesten opbouwen. Nee, verzet daartegen was er niet. Er waren in die dagen geen stakingen of demonstraties. Wij dachten dat het ergens goed voor was.''

Kinderen van arbeiders hadden allerlei privileges. Zo werden zij op alle instituten toegelaten zonder examen te hoeven doen. ""De dictatuur van het proletariaat brak aan. Er was in die dagen een liedje "Geef mij in plaats van al mijn centen maar een vader aan de werkbank'. Een proletarische afstamming werd een groot voordeel. We keken neer op intellectuelen, die verachtten we.'' Zo kwam Antonina in 1929 met gemak op het geologisch instituut in Tomsk. Het was een zware tijd, het begin van de industrialisatie. ""Oh, het was veel erger dan nu. We leefden uitsluitend van zwart brood. Alles was op de bon. Ik kreeg 400 gram brood per dag en een paar aardappelen. Het waren hongerige jaren.''

Matheid

Intussen dekt Antonina's dochter de tafel. Radijs, sla, vis, kool, paddestoelen, tomaten en een grote pan dampende aardappelen. We moeten ons gesprek even onderbreken voor de maaltijd. Kleindochter Nadja heeft net een dorp in de buurt van Archangelsk bezocht. Zij vertelt over de matheid van de mensen, de volstrekt dodelijke monotonie van het leven. ""Ik had het gevoel dat alles bevroren en verstild was. Mensen plegen automatische handelingen. De mannen werken in de houtkap, voor meisjes is er geen werk. Zij vertrekken uit het dorp. Over politiek wordt niet gesproken. Waar mensen van leven weet ik niet. Vlees hebben ze al in geen jaren gezien, ze plukken bessen in de bossen'', vertelt Nadja. Nadja is verbaasd, zij rebelleert tegen zo veel berusting. Zij is van de perestrojka-generatie. Grootmoeder luistert zwijgend. Zij kijkt nergens van op. Hoeveel van die verhalen heeft zij in haar leven al gehoord?

Grootmoeder en kleindochter hebben een vreemde verhouding met elkaar. Nadja, anti-communist in hart en nieren, heeft menige ruzie met oma gehad. Oma was vroeger harder, vertelt zij, zij is met het klimmen der jaren milder geworden. Ook aan haar zijn de laatste jaren niet ongemerkt voorbijgegaan. Maar zij blijft bij haar communistische idealen. Nadja is zelf ook meer verzoeningsgezind geworden naarmate zij meer te weten kwam over het harde leven dat haar grootmoeder achter de rug heeft.

Raadselachtige dingen vertelt Antonina Nikolajevna over de jaren dertig. Mengsels van waarheid en leugen, propaganda en eigen herinneringen. Van de terreur zegt zij zich niet veel te herinneren, maar meteen daarop komt zij met verhalen. ""De dekoelakiseringscampagne tegen de boeren werd doorgevoerd en ook Komsomollers werden zomaar, van de ene dag op de andere opgepakt. Het was niet juist dat ze de boeren deporteerden. Maar de oude intelligentsia, de ingenieurs, pleegden sabotage in de mijnen. Er waren ontploffingen en instortingen. Ze werden allemaal opgepakt.'' Nee, in haar mijn herinnert zij zich geen ontploffingen, maar ook daar werden de oude specialisten, de spetsy opgeruimd. ""Wij geloofden die verhalen, wij geloofden dat ze de bouw van het communisme wilden verhinderen. De oude intelligentsia hinderde ons bij het werk. Ze moesten weg.''

De liquidatie van de totale ingenieursstand schiep een enorme werkgelegenheid. Antonina was 27 jaar toen ze de plaats van zo'n gestudeerde spets moest innemen. Wat er met hem gebeurd is en of hij wel ergens schuldig aan was, lijkt zij zich nooit te hebben afgevraagd. Zij heeft die mensen niet gekend. De partij wikte en beschikte en zij deed wat haar gevraagd werd. ""Daar sprak je niet over. Toen de eerste arrestaties begonnen, hulde iedereen zich in stilzwijgen. Stalin was voor ons ver weg. We geloofden dat hij onze redder was.'' De Stalin-tijd herinnert zij zich voornamelijk als lichamelijk heel zwaar. De discipline was dodelijk. De mijnwerkers werkten tot zij erbij neervielen. Vijf minuten te laat op je werk verschijnen kon vreselijke gevolgen hebben. ""Het was de tijd van de "strijd met het werkverzuim'. De steenkoolindustrie was van groot belang voor de opbouw van het land, werd ons steeds maar weer voorgehouden.'' In feite werkten de mijnwerkers als dwangarbeiders. Ontslag nemen was niet toegestaan, zij waren voor het leven aan hun mijn vastgeklonken. ""Ik vond het werk vreselijk. Het was zo zwaar, steeds maar weer naar boven en naar beneden in die mijnschacht. Soms droom ik er nog van dat de steenkoollaag op is en dat ik verzuimd heb op tijd een nieuwe aan te boren.''

Lyrisch

Ondanks haar arbeidersafkeer van intellectuelen werd Antonina verliefd op Anatoli Vasiljevitsj, die gymnasium had. Antonina is terughoudend in haar uitspraken, maar over Anatoli Vasiljevitsj spreekt zij uitsluitend in lyrische bewoordingen. Anatoli was mijnbouwingenieur. Hij kwam uit Oefa, zijn vader had gestudeerd en werkte als econoom in de Doema, het voorrevolutionaire parlement. Zijn moeder was telg van een koopmansfamilie. Een heel ander milieu.

Antonina en Anatoli trouwden in 1937. ""Hij was een heel intelligente man. De arbeiders om haar heen waren allemaal lomperikken. Er was heel wat ploertengedrag. Maar Anatoli was een uitzonderlijk mens, hij dronk niet, leefde heel bescheiden. Hij is twintig jaar geleden gestorven, maar ik bid nog steeds tot hem.''

In tegenstelling tot Antonina liet Anatoli zich in de jaren dertig wel met ironie over de partij uit. Die rijen voor de winkels, die hadden we vóór 1917 niet, zei hij vaak. Hij wond zich op over de dodelijke werkdruk. ""We stonden om vijf uur op en werkten tot 's avonds laat in de mijn, vaak twee ploegendiensten achter elkaar. Er was een grapje in die dagen: je werkt totdat Stalin is ingeslapen. Je kon je mond niet opendoen. Beria was toen de baas van de steenkoolindustrie en die stuurde maar telegrammen voor een hogere produktie. Mijn man leed daaronder. Hij zei dat we onder het staatskapitalisme leefden.''

Zo'n opmerking maken was gevaarlijk in die dagen. Later vertelt Nadja me wat oma verzweeg: Anatoli werd opgepakt en zat een jaar in de gevangenis. Toen hij vrijkwam, wendden alle vrienden zich uit angst van het gezin af. Voor oma, denkt Nadja, is het gezin het allerbelangrijkste in haar leven geweest. Zij had zich maar één taak gesteld: haar gezin ongeschonden door de moeilijke jaren heen te slepen. De partij kwam voor haar op de tweede plaats en was slechts een middel tot dat doel. Toen Nadja dat begrepen had, veranderde haar ergernis langzamerhand in respect.

Antonina's werk in de mijnen bestond uit het opsporen van de steenkoollagen. Zij was een van de weinige vrouwelijke ingenieurs in een ruwe mannenwereld. ""Mijn karakter is daar wel gehard geraakt. Ik had moed nodig. Schelden deed ik niet, de mannen daarentegen des te meer. Mijn man schold nooit. Zijn ergste vloek was: O heldere zee!''

Toen de oorlog uitbrak moest Anatoli naar het front, vechten tegen de Finnen, maar hij kreeg een maagzweer en hij mocht terug naar huis. Hij kwam thuis met een grote pop en een grote vis, het was een feestdag voor Antonina en haar twee kinderen. In 1944 werden Antonina en Anatoli lid van de partij. ""Ik deed het met graagte. Ik dacht: zo moet het zijn. Bovendien kreeg je door je partijlidmaatschap automatisch meer gezag op je werk.''

Zij werd agitator en moest na de ploegendienst de arme mijnwerkers nog de les lezen. Partijvoorlichting heette dat en zij behandelde de biografie van Stalin, het marxisme-leninisme en iets dat "het actuele moment' werd genoemd. Verhoging van de "partijwaakzaamheid' was het parool. Zij deed het niet uit vrije wil, weigeren was onmogelijk. Geld kreeg je er niet voor. ""Ik was doodop na de ploegendienst, maar elke maandag moest ik optreden. De mijnwerkers waren niet erg ontwikkeld. Ze zaten er doodmoe bij na hun nachtdienst, de bijl nog in de hand. Het was zwaar. We stonden er een beetje ironisch tegenover, maar in het socialisme geloofden we heilig. Het socialisme leeft. Het is als een godsdienst, alleen geloven wij in het paradijs op aarde.''

Het enige voordeel dat het agitatorschap haar opleverde, was dat zij en haar man een koetsier met een wagen tot hun beschikking hadden, waarmee zij zich van vergadering naar vergadering lieten rijden.

Argwaan

Voor Gorbatsjov heeft Antonina achting, al bevalt het haar maar half dat iedereen de laatste jaren zo veel zwetst. In haar tijd hield je je tong achter je kiezen. Jeltsin roept haar argwaan op. Hij kan Gorbatsjov niet vervangen. ""Jeltsin is een onderontwikkelde man. Als kind was hij al een vechtersbaas. Hij heeft het maar over volleybal en sport, ik ken dat soort lui. Geef hem de vrijheid en hij wordt als Stalin. Hij kan niet tegen loftuitingen. Gorbatsjov heeft nooit ingestemd met persoonsverheerlijking of medailles.''

Toen Antonina de persconferentie van de acht samenzweerders zag, begreep zij meteen dat dat een heilloos avontuur was dat op een mislukking moest uitlopen. Tanks tegenover mensen met blote handen is een misdaad. ""En als ze nou nog intelligent waren geweest, maar je zag zo dat die mensen elkaar haatten. Met Chroesjtsjov hebben ze dat destijds slimmer aangepakt. Ook Stalin omgaf zich met verraders als Beria. Kennelijk is dat onvermijdelijk in de grote politiek. Overal zijn verborgen vijanden. Gorbatsjov is te goed van vertrouwen geweest.''

In mensen als Jakovlev en Sjevardnadze ziet Antonina niets. Zij geloven niet meer in het socialisme. ""Waarom hebben ze ons dan al die jaren de les gelezen? Ze zijn wel opeens verdacht snel teleurgesteld geraakt in het socialisme. Volgens mij hebben ze gewoon ruzie met Gorbatsjov gekregen. Hun onderlinge verhoudingen zijn verdorven.''

Antonina is niet teleurgesteld in het communisme. Je mag de partijtop niet verwarren met de basis, vindt zij. De partij heeft veel gedaan voor Rusland, heeft het land op poten gezet. Het Centraal Comité moet ontbonden worden en er zal een nieuwe partij ontstaan. ""Ze zal niet meer de leidende partij zijn, maar nog wel een invloedrijke rol spelen'', denkt grootmoeder, die verrukt is dat haar Pravda na een kortstondig verbod weer verschenen is. De krant is er overigens niet beter op geworden, de laatste tijd. ""Vroeger gaf de krant duidelijkheid. Op de voorpagina stond altijd over twee kolommen het hoofdartikel, zodat je altijd meteen wist wat de mening van de krant was. Voor ons, agitatoren, was dat heel prettig.''

Communisten hebben altijd aan kritiek blootgestaan, ook vroeger was er oppositie en hoe! Antonina herinnert zich de vreselijke trotskistische oppositie. Daarbij vergeleken is de kritiek van vandaag maar kinderspel! Maar dat er huiszoekingen zijn en communisten worden gearresteerd, dat keurt zij niet goed. Zelf is Antonina nooit bang geweest voor arrestatie. ""Ik ben een dochter van het proletariaat, arbeiders werden met rust gelaten.'' Van Lenins standbeelden moeten de mensen afblijven. ""Wat een opportunisten overal! Als je een standbeeld weg wilt halen, moet je eerst met het volk overleggen. Dit is net zo'n overhaaste reactie als tijdens de revolutie!'' Overigens ziet Antonina niets in Lenins mausoleum. ""Een kerkhof bij de Kremlinmuur, dat is niet juist.''

Spion

Nadja begrijpt onze partij niet, zegt grootmoeder, we hebben vroeger veel ruzie gemaakt. ""Nadja is onze ideologische tegenstander, maar zij heeft niet meegemaakt wat ik heb meegemaakt. We waren straatarm! Ik weet hoe mijn hele familie uit het niets is opgeklommen. Ik ben boos op Nadja dat ze geen Engels leert. Een mens moet vooruit in zijn leven.''

Antonina is overigens niet tegen privé-bezit. Het huis waar zij nu al dertig jaar woont, heeft zij van haar eigen spaarcenten gekocht en daar is zij maar wat trots op. ""Maar het kapitalisme is een conservatieve leer, het zal zichzelf overbodig maken, al duurt dat misschien nog eeuwen'', zegt oma koppig. Zij voegt er plotseling aan toe: ""Ben jij eigenlijk miljonair?'' Als ik in de lach schiet, zegt zij: ""Je ziet er zo gewoon uit, je had best een Russische kunnen zijn.'' Zij zegt het een beetje vertederd, alsof het haar verbaast. Toen Nadja de eerste buitenlander mee naar huis bracht, een Amerikaan, was Antonina wel even achterdochtig: zou hij een spion zijn?

""Nadja verwijt me dat ik zo weinig glimlach, maar weet je, lachen lukt me niet meer. Ik heb in mijn leven te veel gezien.'' Toch vindt grootmoeder dat zij wel geluk gekend heeft. En zij lacht haar ontbrekende tanden bloot als zij over haar man en kinderen begint. Haar gezin, dat was de gelukkigste tijd van haar leven. ""Dat is toch iets om blij over te zijn. Ik, uit zo'n arm gezin, ben zo goed terecht gekomen! Mijn man en ik hebben nooit steekpenningen aangenomen, we leefden van onze eerlijke arbeid. Mijn man was geen spitsburger, maar een echte familieman. We hadden nooit ruzie. Voor mij was hij God. Als er toegangskaartjes voor het communisme bestaan, dan is hij de allereerste die daarvoor in aanmerking komt.''