Acteur Simon Beale: "Ik wil niet zo Engels zijn'

Jonge toneelschrijvers vallen nauwelijks op in Engeland, maar jonge acteurs des te meer. Simon Russell Beale is een van hen. Hij speelde drie opmerkelijke rollen bij de Royal Shakespeare Company. J.J. Peereboom sprak met hem. “Ik ga altijd in bad om mij voor te bereiden”

Door de eeuwen heen is er gemopperd, in de politiek, de sport en de kunsten, dat de plaatsen van de reuzen van de vorige generatie werden ingenomen door niets dan middelmatige nieuwelingen. Soms was er reden voor; anders gebeurt het vaak in het wilde weg, uit ontevredenheid over het leven. Neem het Engelse toneel in de tweede helft van de twintigste eeuw. Waar zijn de nieuwe Laurence Oliviers, en de Gielguds en Richardsons en Peggy Ashcrofts? En waar zijn de opvolgers van Osborne en Pinter en Stoppard die stukken voor hen zouden moeten schrijven?

Op de laatste vraag is geen geruststellend antwoord te geven. Er zijn nog steeds veel toneelschrijvers, maar anders dan vijfentwintig jaar geleden onderscheiden de jongsten zich niet. Misschien zitten de reuzen nog op school, of besteden zij hun talent aan andere literaire vormen. Over nieuwe acteurs daarentegen hoeft niet te worden geklaagd. Nauwelijks had Simon Callow de aandacht op zich gevestigd met zijn Mozart volgens Peter Shaffer of daar was Anthony Sher met Richard III als atletische invalide. Nu is er weer Simon Russell Beale, met Edward II van Marlowe, Thersites in Troilus and Cressida en Konstantin in Tsjechovs The Seagull; alle drie in één seizoen bij de Royal Shakespeare Company.

Beale is een acteur om in het oog te houden voor wie de kans krijgt; er zal nog veel aan hem te beleven zijn. Tot nog toe heeft hij zich bijna alleen in Londen en Stratford vertoond. Nadat hij als student in Cambridge had geacteerd en in Londen enkele beginnersrollen had vervuld, is hij in de afgelopen drie jaar tot aanzien gekomen bij de RSC; daarbuiten heeft hij een keer een televisierol gespeeld.

Ik heb drie zomers geleden zijn karikaturen van zeventiende-eeuwse society-figuren bewonderd in de Restoration comedies die hij in de Swan in Stratford speelde. Vorig jaar zag ik dat hij nog heel andere dingen kan dan satirische lachlust opwekken. Toen beeldde hij voor het eerst Edward II uit: de opgejaagde en eigengereide homoseksuele koning in de veertiende eeuw die gruwelijk wordt vermoord door zijn edelen.

“De opzet was om een spel te spelen met de toeschouwers”, zei hij toen ik onlangs een ontmoeting met hem had in het kantoorlabyrint van het Barbican Theatre in Londen. “In de eerste helft wilde ik de indruk wekken dat we te maken hebben met een poseur; in de tweede helft word je dan overvallen door het begrip voor zijn nood.”

In die opzet slaagde hij. Ik had nooit met zo'n gekwelde koning meegeleefd, in zo'n donker middeleeuws paleis. Het leek toen of Beale zelf ook meer als een gekwelde dan als een satirische man moest worden gezien. Die indruk was onlangs bevestigd toen hij in een interview met Paul Taylor van The Independent zei dat hij zichzelf met tegenzin in de spiegel ziet en dat acteren voor hem een middel is om aan zijn lichaam te ontkomen.

Ik zei dat ik hem met verwondering aanzag na dat gelezen te hebben. Hij is niet zo mooi als Olivier en Gielgud in hun jonge dagen, maar hij doet zich innemend voor, met een korte stevige gestalte en een heldere glimlach. “Het valt wel mee”, antwoordde hij en verder kwamen wij niet met het onderwerp van zijn lelijkheid, alsof het bij dat vorige gesprek was afgehandeld.

Het leek mij (maar weinig inzichten worden honderd procent zeker in een gesprek van drie kwartier) dat Beale er plezier in heeft om ook in interviews rollen te spelen: dat wil zeggen dat hij dan bepaalde van zijn ondervindingen vergroot ten koste van de rest. Tegen mij zei hij dat hij altijd moeite heeft gehad met het uitdrukken van zijn gevoelens en dat het een waarde van acteren voor hem is dat hij dan wel moet. “Eigenlijk vind ik dat je anders hoort te zijn”, zei hij. “Niet zo Engels; niet dat ingehoudene, waar ik geen respect voor heb. Daarom is de Konstantin van Tsjechov een van de zwaarste rollen die ik ken, want dat is zo'n man die het inhoudt. Ik voel mij er soms akelig van na afloop. Zo moet je niet zijn; daarom is het ook Konstantins ondergang. Ik weet hoe het voelt. Ik zou bij voorbeeld nooit tegen iemand zeggen I love you. Nee: dat heb ik nooit gezegd en zou ik niet over mijn lippen krijgen.” Maar maakt het geen verschil dat hij nu als acteur een man van aanzien is geworden: helpt dat hem niet om zich meer te laten gaan? “Nee, dat maakt niets uit; ik ben nog net zo,” zei hij.

Hij zag er uit als de openhartigheid in persoon, niet in het minst geremd. Achteraf kwam de gedachte op dat hij misschien eigenschappen uit zichzelf naar voren haalt die de aanblik van zijn interviewer bij hem wakker roept. Was het de zwaar peinzende Hollandse kop tegenover hem die hem aan remming en onmacht deed denken?

Daar hebben wij het niet over gehad. Wel spraken wij over Thersites, de schooierige moralist van Shakespeare die hij op het ogenblik speelt. In die rol ziet hij er zo ongunstig uit dat er toch inderdaad een bijzondere relatie tussen hem en lelijkheid lijkt te bestaan: gekleed in lompen en een groezelig kapje over zijn schedel, scheef lopend en scheef pratend met vuile tanden en zelfs zijn oren besmeurd. Ook die gedaante weet hij waar te maken, dat wil zeggen te laten passen op de persoonlijkheid die hij vertolkt. “Ik vond het niet makkelijk om mijn opvatting van hem vast te stellen. Je kan hem van een kant zien als een cynicus van wie je moet begrijpen dat hij erg teleurgesteld is doordat de mensen zich niet houden aan hun eigen moraal; en van een andere kant als een lafaard die zich nergens toe verplicht. Mijn opvatting verschuift nog steeds wanneer ik hem speel,” zei hij. In ieder geval is hij hiermee opnieuw goed ontvangen door de kritiek, als de voornaamste aanwezigheid in het stuk. “Yes, the critics have been kind. Very kind.”

En wat wil hij verder: bij de RSC weg om andere ervaringen op te doen, zoals de meeste acteurs na enkele jaren; of juist blijven om al de grote rollen te spelen die bij zijn leeftijd passen, inclusief natuurlijk Hamlet? “Ik heb een uitnodiging gehad voor een Hamlet, dat was niet hier in het theater. Ik had te weinig vertrouwen in wat voor produktie het zou worden om er alles voor te laten lopen. De RSG is erg goed voor mij geweest en als ze mij Hamlet aanbieden, dan...”

Zover heeft Simon Russell Beale het gebracht op zijn dertigste: tot het grensgebied tussen Edward II en Hamlet. Wij begonnen nog over andere rollen waar hij door aangetrokken zou worden, maar kwamen niet ver want hij nam een half-afwezige gelaatsuitdrukking aan en ik begreep hoe laat het was: kwart over zes, vijf kwartier voor het begin van The Seagull. “Ik ga altijd in bad om mij voor te bereiden.”

Wel begeleidde hij mij nog naar de foyer, uit het kantorencomplex van de Barbican dat zo onoverzichtelijk is als een negentiende-eeuwse achterbuurt, hoewel van beton gebouwd. Hij wist de weg ook niet en moest een paar maal raad vragen aan voorbijkomende secretaressen. Toen wij de foyer hadden bereikt viel de deur achter hem dicht en het was er een die van buiten niet geopend kon worden zodat hij een eind om zou moeten lopen.

“Ik zie uit naar die Hamlet”, zei ik om iets goed te maken. Beale haastte zich weg, met zijn gedachten elders; maar dat van Hamlet blijft waar. Als hij in die rol verschijnt zal de verleiding moeilijk weerstaanbaar zijn om meteen naar Londen te reizen en toneelgeschiedenis te zien maken.