Twee boeken van Georges Perec vertaald; Waar de Moezel de Rijn in stroomt

De letter "double V', ofwel W, is de spil waar de memoires van de schrijver Georges Perec om draaien, vandaar de titel die hij eraan gaf. Als kind verloor hij beide ouders, van wie de vader sneuvelde en de moeder naar Auschwitz werd gedeporteerd. Perec vervlecht eigen herinneringen met fictieve elementen omdat het geheugen toch niet betrouwbaar is. “Voor Perec is zijn jeugd niet dat verloren paradijs geweest dat het voor sommige andere schrijvers is.”

Ook onlangs verscheen het verhaal Een Kunstkabinet van Perec in vertaling. Het "Drosteblikeffect' dat hij daarin gebruikt, aldus Rudy Kousbroek, ontlokte een Franse criticus de volgende uitspraak: “bladzijden gevuld met mijnen en blindgangers”.

Georges Perec: W of de jeugdherinnering. Privé-domein. Uitg. De Arbeiderspers, 195 blz. Vert. Edu Borger. Prijs ƒ 49,90

De letter "double V', ofwel W, is de spil waar de memoires van de schrijver Georges Perec om draaien, vandaar de titel die hij eraan gaf. Als kind verloor hij beide ouders: zijn vader sneuvelde en zijn moeder werd naar Auschwitz gedeporteerd. Perec vervlecht eigen herinneringen met fictieve elementen omdat het geheugen toch niet betrouwbaar is. “Voor Perec is zijn jeugd niet dat verloren paradijs geweest dat het voor sommige andere schrijvers is.”

Behalve zijn memoires verscheen van Perec het verhaal Een Kunstkabinet van Perec in vertaling. Het "Drosteblikeffect' dat hij daarin gebruikt ontlokte een Franse criticus de volgende uitspraak: “tachtig bladzijden gevuld met mijnen en blindgangers”.

door Manet van Montfrans

In 1969 verscheen in het tijdschrift La Quinzaine littéraire onder de raadselachtige titel W de eerste aflevering van een feuilleton van Georges Perec. In een enthousiaste brief aan de redactie had Perec zijn feuilleton aangekondigd als een grote avonturenroman à la Jules Verne, een kruising tussen het verhaal van een ontdekkingsreis en een Bildungsroman. De redactie geloofde Perec op zijn woord, beloofde haar lezers “een mengeling van suspense, droom en humor” en beeldde, optimistisch vooruitlopend op de komende spanning en sensatie, naast de titel van het feuilleton een revolver af. Al na enkele afleveringen werd echter duidelijk dat de aldus gewekte verwachtingen nooit vervuld zouden worden.

Het feuilleton begint met de geschiedenis van een Franse deserteur, Gaspard Winckler, die zich in de jaren vijftig met valse identiteitspapieren in Duitsland schuilhoudt en daar van een geheimzinnige opdrachtgever het bevel krijgt om de oorspronkelijke eigenaar van zijn paspoort op te sporen, een achtjarig jongetje dat bij een schipbreuk in de buurt van Vuurland als vermist is opgegeven. Na zes hoofdstukken wordt dit verhaal echter bruusk afgebroken. “Vergeet wat u tot nu toe gelezen hebt”, zo schrijft Perec in een mededeling aan zijn lezers, “het was een andere geschiedenis, op zijn hoogst een proloog, of een vage herinnering die in het niet zal vallen bij alles wat nu komen gaat, want nu begint het verhaal pas echt, nu begint de zoektocht.” Met deze woorden bezegelt Perec het lot van zijn beide Wincklers: ze verdwijnen definitief uit het verhaal en hun geschiedenis maakt plaats voor de beschrijving van W, een eilandje ten zuiden van Vuurland dat een viertal Olympische dorpen herbergt waar het leven beheerst wordt door een maniakale vorm van sportbeoefening. Na nog twaalf hoofdstukken gewijd te hebben aan een pijnlijk nauwkeurige beschrijving van de sadistische sportpraktijken waartoe de bewoners van W door een waar schrikbewind worden gedwongen, onthult Perec in de laatste aflevering dat zijn feuilleton bedoeld is als een allegorie van de vernietigingskampen van de nazi's.

Onvoldaan over deze tekst die zich misschien nog het best laat omschrijven als een mislukte variatie op Kafka's Strafkolonie, vat Perec het plan op zijn feuilleton op te nemen in een tweeluik waarin hij de geschiedenis van Winckler en het eiland W parallel laat lopen met het verhaal van zijn eigen jeugd. In de aldus ingrijpend gewijzigde versie die Perec in 1975 onder de titel W ou le souvenir d'enfance, publiceert en die onlangs in een zorgvuldige vertaling van Edu Borger bij De Arbeiderspers is verschenen, worden de hoofdstukken van het feuilleton systematisch afgewisseld door eenzelfde aantal hoofdstukken met Perecs herinneringen aan zijn kindertijd.

Familiekring

Deze om-en-om constructie komt in eerste instantie de samenhang van de afzonderlijke verhalen niet ten goede, maar benadrukt wel hun onderlinge verband. Gaspard Winckler die op zoek gaat naar zijn naamgenoot, is de fictieve dubbelganger van de in 1936 in Parijs uit joodse ouders geboren Georges Perec die een beeld probeert op te roepen van het kind dat hij geweest is, van zijn ouders en van de familiekring waarin hij zijn eerste levensjaren heeft doorgebracht. Een onderneming die om meerdere redenen buitengewoon lastig blijkt. Perecs herinneringen zijn pijnlijk en schaars. Zijn vader is in juni 1940 gesneuveld; zijn moeder werd samen met haar zuster bij een razzia opgepakt en is waarschijnlijk in 1943 in Auschwitz omgekomen.

Het eerste deel van deze merkwaardige autobiografie eindigt met het vertrek van Winckler naar Vuurland en met het vertrek in 1942 van de zesjarige Perec naar familieleden in Villard-de-Lans in de Vercors waar hij meer kans heeft om aan deportatie te ontkomen dan in Parijs. Het tweede deel beschrijft afwisselend het leven op W en de belevenissen van Perec op een internaat in de Vercors.

De plaats van de niet-bestaande herinneringen aan de moeder die hij na zijn vertrek van het gare de Lyon in 1942 niet meer heeft teruggezien en wier verdwijning door zijn omgeving hardnekkig wordt doodgezwegen, wordt er ingenomen door het verhaal over de verschrikkingen van de totalitaire samenleving op W. Dit verhaal is, zoals Perec in het begin van zijn boek schrijft, een reconstructie van een in zijn jeugd gekoesterde fantasievoorstelling over de omstandigheden waaronder zijn moeder overleden is en in zekere zin zo niet de geschiedenis dan toch een geschiedenis van zijn kinderjaren.

Een van de kenmerken die van W ou le souvenir d'enfance een wel zeer onorthodoxe autobiografie maken, is de vervlechting van die fantasievoorstelling en de herinneringen aan de werkelijkheid. De essentie van Perecs tekst ligt besloten in de kruisverbanden tussen de twee afzonderlijke verhalen die eigenlijk niet onafhankelijk van elkaar gelezen kunnen worden. Zonder de jeugdherinneringen is W onbegrijpelijk, zonder W vertonen de fragmentarische, schijnbaar willekeurig gekozen jeugdherinneringen, maar weinig samenhang. Zo biedt het feuilletonverhaal een simpele verklaring voor de raadselachtige naam van het Olympisch eiland W (of double V zoals de Fransen zeggen): “volgens de overlevering was het eiland ontdekt door een zekere Wilson.” Dit is een magere uitleg voor een teken dat in alle mogelijke vormen door de tekst woekert - als letter (W, maar ook V, M. en E), en als figuur (driehoeken en ruiten). Als je de jeugdherinneringen bekijkt, blijkt de oorsprong van de naam van het eiland veel minder onschuldig.

Davidsster

In die herinneringen beschrijft Perec de letter X: “samengesteld uit twee met de punten tegen elkaar geplaatste V's” als uitgangspunt van de belangrijkste symbolen van de geschiedenis van zijn kindertijd. Perec: “Door de armen van de X met gelijke en loodrecht eropstaande segmenten te verlengen verkrijgt men een hakenkruis dat zelf weer makkelijk te ontbinden is... in een SS-teken, het boven op elkaar, kop aan staart, plaatsen van twee V's levert een figuur op waarvan je de armen maar horizontaal hoeft te verbinden om een davidsster te verkrijgen.”

Ook de W lijkt, als double V, via een omweg langs de X, nauw geassocieerd met de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

Wie, eenmaal opmerkzaam gemaakt op deze connotatie van de W. het verhaal van de zich in Duitsland schuilhoudende deserteur Winckler nog eens leest, kan zich afvragen of het helemaal toevallig is dat deze door zijn geheimzinnige opdrachtgever in de stad Koblenz (C. in de tekst) wordt ontboden. En hoewel Perecs verwijzingen op dit punt erg discreet zijn, voert het niet te ver om te memoreren dat op het zogenaamde Deutsches Eck in Koblenz - de V-vormige landtong op het punt waar Rijn en Moezel samenvloeien - een uit somber graniet opgetrokken bouwwerk staat dat daar door de Rijnprovincie in 1897 is opgericht ter nagedachtenis aan keizer Wilhelm I onder wiens bewind de Duitse eenheid tot stand kwam. In 1953 werd dit bouwwerk uitgeroepen tot gedenkteken van de verloren eenheid. Waar voorheen het in 1945 door een voltreffer van de geallieerde artillerie getroffen ruiterstandbeeld van de keizer troonde, wappert nu de Duitse vlag.

Behalve een flinke populatie Pruisische adelaars herbergt het monument ook een overdaad aan W's. Achter de sokkel staat een halfronde muur met de wapens van de deelstaten en boven die wapens is de keizerskroon met daaronder een W in het graniet uitgehouwen. Wat de associatie met de X al deed vermoeden, wordt hier bevestigd: de W - niet alleen van Wilson maar ook van Wilhelm - fungeert in Perecs autobiografie onder meer als symbool van de excessen van het Duitse nationalisme en de sporen die dat nationalisme in zijn eigen leven heeft achtergelaten.

Klinische blik

Behalve in deze subtiel bewerkstelligde osmose tussen een fantasievoorstelling enerzijds en een reconstructie van de werkelijkheid anderzijds, onderscheidt W zich nog in een ander opzicht van de doorsnee-autobiografie. Voor Perec is zijn jeugd uiteraard niet dat verloren paradijs geweest dat het voor sommige andere schrijvers is, maar zelfs de zeldzame herinneringen die tot nostalgie aanleiding zouden kunnen geven, bekijkt hij met een afstandelijke, klinische blik. De vader, de moeder, het eerste fietsje, het eerste ontcijferde woord: het zijn bijna allemaal tweedehands herinneringen die hij uit de mond van niet altijd even geïnteresseerde familieleden heeft vernomen, herinneringen die vertekend zijn door de stereotiepe voorstellingen op dit gebied, talloze malen vruchteloos door hem zijn bestudeerd en geen enkele affectieve lading hebben.

Perec somt die herinneringen in chronologische volgorde op. Hij vermeldt zijn bronnen - een tante, een nicht, een klasgenoot - en probeert de dwaalsporen van zijn geheugen te ontrafelen. Zo laat hij een al in 1959 geschreven portret van zijn ouders volgen door een serie noten waarin hij de eerder gedane beweringen in twijfel trekt en corrigeert zonder tot een alternatief te komen dat meer tot zijn verbeelding spreekt.

Welke herinnering hij ook onder de loupe neemt, zijn kindertijd is en blijft hermetisch afgesloten en als hij zo op de deur van het verleden blijft bonzen, is dat tegen beter weten in: “Ik weet niet of ik niets te zeggen heb, maar ik weet dat ik niets zeg... ik weet dat wat ik zeg, blanco is, neutraal is, een definitief teken is van een definitieve vernietiging.”

Perec schrijft niet met de hoop de verloren tijd terug te vinden, maar in de zekerheid dat die tijd voorgoed verloren is. Het is deze weigering om zichzelf zand in de ogen te strooien, deze steeds zonder enig pathos herhaalde constatering van het onvermogen om het verleden te doen herleven die, meer nog dan de tragische achtergrond, van W ou le souvenir d'enfance zo'n aangrijpend boek maken.