Toen onze mop een mopje was

Een vooraanstaand columniste van de Margriet stelde in het laatste nummer van dit educatieve blad de op zichzelf niet oninteressante vraag waarom zij het wel acceptabel achtte dat haar zoontje een mop vertelde over een Belg, maar het verwierp dat hij er eentje vertelde over een Turk.

Ik moet er wel meteen bij zeggen dat de schrijfster het onderscheid in geen enkel opzicht raadselachtig vond. Integendeel, het leek haar een vanzelfsprekendheid. Haar probleem was eerder hoe zij dit aan haar kinderen zou kunnen duidelijk maken. De vraag waarom dit onderscheid geldig is en eventueel zelfs getuigt van fatsoen, werd dus niet beantwoord. Want de geldigheid en het fatsoen zijn verondersteld. De schrijfster ging er ook vanuit dat wij deze pedagogische ervaring met haar delen. Een universeel opvoedingsprobleem, waar ook de familie Bolkestein mee heeft gekampt.

Zelf vind ik de tijd dat kinderen moppen gaan vertellen een gruwelijke episode uit hun ontwikkeling en ik betreur het zeer dat die kennelijk onvermijdelijk is. Ik wou dat het niet hoefde te gebeuren. Ik ben niet zo wreed dat ik de mop niet wil aanhoren, maar het moet aan mij te zien zijn dat ik het verhaal gelaten uitzit en hoop dat het spoedig weer voorbij is. Ik heb het intens ongelukkige gevoel dat het moppenvertellende kind voor goed van mij vervreemd is en dat ik getuige moet zijn van een definitieve onttakeling van de kindertijd. Wie mij kwaad wil doen moet een kind met een mop sturen; dat is erger dan een Jehovagetuige. Ik gun het een kind kennelijk niet dat het zich origineel en geestig waant. Dat moet wel een bijzonder slecht trekje van mij zijn. Volwassenen die een mop vertellen, ken ik niet. Ik heb weleens gehoord dat psychoanalytici en huisartsen ter illustratie van hun advies een mop vertellen, maar ik wil met die huisartsen en psychoanalytici niets te maken hebben. In eerste instantie zou het probleem van de Margriet dus langs mij heen gaan omdat ik liever helemaal niet heb dat kinderen moppen vertellen, ongeacht over wie die moppen gaan.

Misschien is het een groot goed dat een gemeenschap een mop weet te verzinnen, want de mop schijnt vaak de enige manier om pregnant onder woorden te brengen wat niet gezegd mag worden. Maar eenmaal verzonnen, hoeft de mop voor mij niet eindeloos te worden herhaald, zeker niet onder de aanname dat de verteller daardoor zelf geestig is, want de faam van geestigheid heeft hij zich in dit geval schaamteloos toegeëigend. Vandaar dat ik kinderen deze miserabele rol niet gun, maar kennelijk is het niet mogelijk zelf geestig te worden zonder eerst de publieke geestigheid te imiteren. De huisleraar Hegel moet aan zoiets gedacht hebben toen hij zijn dialectiek ontwierp.

Maar waarom zou een mop over een Belg aanvaardbaarder zijn dan een mop over een Turk. Het is niet omdat wij denken dat een Belg onze minachting verdient en dus genadeloos kan worden uitgeleverd aan onze collectieve joligheid, want wat heeft de Belg, die zoals uit de kranten blijkt, gelaten onze wekelijkse dronkenschap in Antwerpen en Gent verdraagt, ons in vredesnaam misdaan. Het is - denk ik - ook niet omdat wij weten dat de Belg zijn eigen moppen over ons heeft en dus krachtens het principe van reciprociteit niet mag klagen. Turken zullen ook wel hun grappen over ons hebben. Zouden Belgen ongevoelig zijn en hun denigrerende behandeling met een korreltje zout nemen of zelfs niet opmerken. Ik denk niet dat die mogelijkheid door ons in overweging genomen wordt. Naar mijn vermoeden wordt een mop over een Belg acceptabeler geacht dan een mop over een Turk (of een Marokkaan of een Surinamer), omdat wij denken dat een Belg er tegen kan, omdat hij op ons lijkt en een Belgenmop dus bijna een mop ten koste van ons zelf is. En een volk dat om zichzelf kan lachen is een groot volk. De Belgen bemiddelen in de verwerving van dat prestige. Een mop over een Turk brengt ons angstige vermoeden tot uitdrukking dat hij inderdaad op de onderste plaats staat in de hiërarchie van onze appreciatie. Deze moppen onthullen een goed bewaard publiek geheim.

De mop over allochtonen onthult een ambivalentie. De lichte huiver die mensen er bij voelen, ligt niet aan de aard van de mop (want zij zijn vaak niet onsmakelijker dan de mop over een Belg) maar aan de opkomst van een vaag vermoeden dat wij in de mop erkennen wat wij publiekelijk niet durven zeggen, namelijk dat wij allochtonen niet helemaal au sérieux kunnen nemen. Ik denk dat de redactie van de Margriet hoogst verbaasd zou staan wanneer haar een ingezonden brief bereikt van een allochtone lezeres die zich verbaasd afvraagt waarom een mop over haar man moet worden afgeleerd. Misschien gaat zo'n lezeres wel zo ver, de redactie de vraag voor te leggen of een kind dat een mop over een Turk moet leren na te laten, niet eigenlijk wordt geleerd zich te gewennen aan onze endemische ambivalentie.

In dit licht bezien kan ik wat Frits Bolkestein in Luzern te berde bracht wel waarderen. Zijn lezing is mij niet onder ogen gekomen, maar ik baseer mij op het verhelderende interview dat hij in deze krant met Derk-Jan Eppink had, naar aanleiding van die lezing. Het is volkomen juist dat Nederland de discussie met de hier wonende allochtonen aan moet gaan over alle kwesties die wij in onze rechtsstaat de moeite van het verdedigen waard vinden. Hetzelfde geldt voor de details in de sociale omgang: het veel besproken probleem van het gemeenschappelijke trappenhuis, dat kennelijk door de autochtone bevolking met meer plichtsbetrachting wordt schoongehouden. Waarom mag daar niet over gesproken worden?

Interessanter dan de ideeën van Bolkestein zijn in dit verband - in wezen het verband dat in de Margriet tot uitdrukking komt - de reacties die Bolkestein heeft opgeroepen. Men acht de tijd er niet rijp voor, men is bang voor vervreemding, stigmatisering, stemmingmakerij, ineenstorting van de kennelijk zeer begeerde multiculturele samenleving, enzovoort. Een woordvoerder van de socialisten gaf als commentaar dat het verwerpelijke aan Bolkestein is dat hij tegenover de allochtone bevolking gaat staan in plaats van er achter. Hoe het is wanneer wij massaal achter iemand gaan staan is treffend onder woorden gebracht door Stanley Menzo, de keeper van Ajax. In het Zaterdags Bijvoegsel vertelt hij aan Frènk van der Linden: “Kankerneger, hoerenjong, pleurisnikker, baviaan, vuile jood, dat is zo ongeveer waarvoor ze me op de tribunes uitmaken.... Tot voor kort kreeg ik ook hele fruitmanden aan exotische vruchten in mijn nek gegooid. En pinda's, ladingen pinda's.”

Informatie als deze onthult dat het juist de hoogste tijd wordt om met welke allochtoon dan ook de discussie aan te gaan over de onvervreemdbaar geachte verworvenheden van onze beschaving. Zeggen dat het tijdstip door Bolkestein ongelukkig gekozen is, duidt er volgens mij uitsluitend op dat wij voor onze ambivalentie niet uit durven komen en liever in de illusie leven dat wij elke discussie met een Marokkaan, een Turk of een Surinamer moeiteloos zullen winnen en dat kun je hen in hun zielige situatie toch eigenlijk niet aandoen. Maar in principe is elk debat over de kwaliteit van culturele waarden open. En het is volstrekt onbelangrijk wie wint of verliest, als diegene die wint maar wint op argumenten en niet omdat hij zo goed moppen kan vertellen.