Symposium over cultuurbeleid; Gemeenten willen meer invloed op de kunst

GRONINGEN, 20 SEPT. De decentralisatie van de overheidsuitgaven voor kunst beantwoordt aan haar doel. Hoewel cultuurwethouders in het gemeentebestuur het vaak moeilijk hebben, worden de naar de gemeenten overgehevelde Rijksgelden in het algemeen aan kunst en niet aan lantaarnpalen besteed. Dat was de belangrijkste conclusie van een gisteren in Groningen gehouden symposium.

Ruim honderd ambtenaren en wethouders uit het hele land discussieerden daar over de kansen en de belemmeringen van het gemeentelijk cultuurbeleid.

Op het symposium presenteerde onderzoeker R. Julien van de Faculteit Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen een rapport dat hij samen met zijn collega L. Rozema samenstelde. De onderzoekers inventariseerden de culturele inspanningen van 27 grote en middelgrote gemeenten en concludeerden dat die gemeenten in 1988 ruim 637 miljoen gulden aan de kunsten uitgaven. Heel wat meer dan de 379 miljoen die het Rijk en de 100 miljoen die de provincies in dat jaar besteedden.

In het licht van die bedragen is het merkwaardig dat het publieke debat zo door de rijksuitgaven wordt gedomineerd, meende Julien in een toelichting op zijn rapport. Dat waren de symposiumgangers van harte met de onderzoeker eens. En Julien wilde nog wel een stap verder gaan. Als de gemeenten bijna twee keer zoveel geld als het Rijk uitgeven, wordt het hoog tijd dat ze zich ook eens wat meer in inhoudelijke zin met de kunst en cultuur gaan bemoeien. Het door het rijk gepropageerde model van de centraal gefinancierde produktie van kunst en de periferie die dan maar voor de afname moeten zorgen betitelde hij als "arrogant'. Het zou goed zijn, vond hij, als de gemeenten ook produktiefaciliteiten zouden krijgen, want zij weten beter waaraan behoefte bestaat.

Behalve door de hoogte van de culturele inspanningen was Julien gefrappeerd door de diversiteit ervan. In Rotterdam wordt per hoofd van de bevolking 193 gulden aan kunst uitgegeven, in Leiden, 76 gulden. Koploper Amsterdam geeft per hoofd 196 gulden uit, Hilversum (72 gulden) en Apeldoorn (71 gulden) sluiten de rijen. Bij deze bedragen moet wel bedacht worden, waarschuwde Julien, dat ze lang niet altijd de eigen bevolking ten goede komen. Op het aanbod in de grote steden komen immers ook veel inwoners van randgemeenten af. De grote steden willen dat "kunstforensisme' wel eens ter sprake brengen in het overleg met de regio, maar de bereidheid van de randgemeenten om mee te betalen is bijzonder gering.

Groningen bevindt zich in de ranglijst van kunstgemeenten met 113 gulden per inwoner in de middenmoot, maar dat was aan het zojuist vernieuwde en van veel kunstwerken voorziene Oosterpoortcomplex in ieder geval niet af te zien. Groningen geldt voor cultuurambtenaren en wethouders sinds enige jaren als een lichtend voorbeeld. Alle gemeente-instellingen en voorzieningen op het gebied van kunst en cultuur zijn daar ondergebracht in een "Dienst Cultuur' die in betrekkelijke zelfstandigheid kan functioneren. Dat werkt veel beter dan het gebruikelijke secretariemodel, hield Pim van Klink, directeur van deze dienst de ambtenaren en wethouders voor.

“Voor ambitieuze doelstellingen is zo'n dienst een veel geschikter voertuig en je kunt er een heel direkte invloed op het kunstleven mee uitoefenen.” Versterking van het ambtelijk apparaat stimuleert de kunstontwikkeling, meent Van Klink. “De besluitvorming vindt nu meestal plaats in het schimmige circuit van de adviesraden. Het is beter als deskundige ambtenaren de inhoudelijke beoordeling overnemen.”

Voor de meeste deelnemers aan het symposium waren dat verre toekomstdromen. “Kunst is bij ons vaak een non-issue”, vertelde de wethouder kunst en cultuur van Utrecht, mevrouw N.G. van 't Riet. “Ik voel me vaak een zendelinge.” Daarmee werd de paradox die het symposium in zijn greep hield aardig zichtbaar. Gezamenlijk zijn de gemeenten dan wel een factor van betekenis, aan het thuisfront moeten de ambtenaren en wethouders vaak een bitter gevecht leveren om de renovatie van de schouwburg te verdedigen tegenover de geplande nieuwbouwwijk en het tropisch zwemparadijs. Van ex-wethouder en ex-voorzitter van de Raad voor de Kunst Vierssen kwam het advies de cultuurportefeuille daarom altijd te combineren met een andere, zware portefeuille. “In Rotterdam is Cultuur altijd gecombineerd met Financiën of Havenzaken en dat werkt heel goed.”