PvdA en CDA verdeeld over spoedopname

DEN HAAG. 20 SEPT. De coalitiepartners PvdA en CDA verschillen van mening over het standpunt van het kabinet dat de burgemeester moet blijven beslissen over de onvrijwillige opname van mensen in psychiatrische ziekenhuizen.

De opvatting van het kabinet is vastgelegd in het (in zijn oorspronkelijk versie twintig jaar oude) wetsvoorstel Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) waarover de Tweede Kamer gisteren met staatssecretaris Simons (volksgezondheid) en minister Hirsch Ballin (justitie) sprak. De taak van de burgemeester moet volgens het CDA worden overgedragen aan de officier van Justitie. D66 deelt de mening van de PvdA dat de burgemeester zijn huidige bevoegdheid moet behouden. De VVD heeft nog geen keuze gemaakt, maar neigt naar het CDA-standpunt. Nu is de praktijk nog zo dat een psychiater voor een dwangopname de toestemming nodig heeft van de burgemeester.

Het Tweede-Kamerlid Van der Heijden (CDA) noemde de rol van de burgemeester bij de inbewaringstelling "volstrekt achterhaald". Volgens hem is er vooral in de grote steden een onwerkbare situatie ontstaan. "De burgemeester moet eigenlijk tekenen met de pistool op de borst, omdat de praktijk is dat er nauwelijks gelegenheid is over de noodzaak van opname van gedachten te wisselen." Van der Heijden diende een wijziging op het wetsvoorstel in om de taak van de burgemeester over te dragen aan de officier van justitie. Dit sluit volgens hem aan "bij de in praktijk gegroeide situatie waarin de betrokkenheid van de burgemeester steeds minder geworden is".

PvdA en D66 schaarden zich echter achter de opvatting van het kabinet dat de burgemeester de aangewezen functionaris is om een beslissing over een onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis te nemen. Het Kamerlid Achttienribbe (PvdA) wees er op dat de burgemeester te allen tijde de hulp van "welke deskundige dan ook" kan inroepen. Het Kamerlid Kohnstamm (D66) zei de rol van de burgemeester te willen handhaven omdat het bij spoedopname "om een maatregel ter afwending van direct gevaar voor de patient zelf of anderen gaat, dus om een zaak van openbare orde en veiligheid". De burgemeester is verantwoordelijk voor de openbare orde in zijn gemeente.

Hirsch Ballin en Simons zullen de Kamer nog voor de algemene beschouwingen in oktober antwoorden. De rol van de burgemeester bij de inbewaringstelling staat sinds de zomer van 1989 ter discussie, toen bekend werd dat burgemeester Peper van Rotterdam door hem vooraf getekende formulieren verstrekte aan psychiaters van het RIAGG. Ook een aantal collega's van Peper bleek deze methode te hanteren. Deze werkwijze had het 'voordeel' dat de burgemeester niet lastig gevallen hoefde te worden door een psychiater die het nodig vond een patient onvrijwillig op te nemen die een direct gevaar was voor zichzelf, anderen of de openbare orde. Maar het was in strijd met de Krankzinnigenwet. Peper voorkwam een kort geding door te beloven dat hij of zijn plaatsvervangers (de wethouders) telefonisch bereikbaar zijn voor de psychiater. In Rotterdam gaat het om 200 inbewaringstellingen per jaar landelijk betreft het ruim 3.800 gevallen.