Op een keer (1)

OP EEN OCHTEND SCHREEF DE EEKHOORN EEN BRIEF AAN DE MIER. Mier, Ik wil je iets zeggen. Maar ik denk dat ik het je beter kan schrijven. Daarom schrijf ik je. Maar achteraf denk ik toch dat ik het je beter kan zeggen.

Eekhoorn. De wind blies de brief naar de mier. Het was een mooie dag en niet lang daarna stapte de mier de kamer van de eekhoorn in.

“Hallo eekhoorn,” zei hij.

“Hallo mier,” zei de eekhoorn en wreef in zijn handen. Even later aten zij honing, versuikerde beukenoten en zoet wilgehout, en hadden ze het over dingen die de mier wist en die de eekhoorn nog niet wist of vergeten had.

In de verte zong de lijster.

De zon scheen door het open raam.

Ten slotte schraapte de mier zijn keel en vroeg: “Wat wil je mij eigenlijk zeggen?”

De eekhoorn dacht diep na, keek naar de vloer en naar het plafond, zuchtte diep en zei: “Ik denk dat ik je toch beter kan schrijven.”

“Goed,” zei de mier.

Die avond schreef de eekhoorn een nieuwe brief aan de mier. Hij schreef dat hij het uiteindelijk toch beter kon zeggen wat hij wilde schrijven, maar dat het in elk geval niets bijzonders was.

Toen de mier die brief kreeg werd hij pas echt nieuwsgierig.