Meer films door minder makers; Filmsubsidie en -beleid in Nederland en Denemarken

Waarom gaan Denen twee keer zo vaak naar de bioscoop als wij? Hoe komt het dat de Deense film meer succes heeft in het buitenland? Is het doordat er daar meer geld beschikbaar is? Tijdens de Nederlandse Film- dagen ontmoeten Nederlandse en Deense filmmakers en beleid- voerders elkaar om te spreken over verschillen en overeenkomsten tussen de twee landen. Minister d'Ancona liet het Nederlandse film- bedrijf onderzoeken en daarover verscheen onlangs het Rapport Driessen. De minister maakt echter pas volgende maand haar nieuwe plannen bekend.

Dossier Holland Denmark. An Introduction to the Situation of Danish and Dutch Film. Door Jos van den Burg. Nederlandse Filmdagen, Utrecht, 1991. De Filmfondsen in de Jaren Tachtig. Door F.M.H.M. Driessen en H. Boon. Bureau Driessen, Utrecht, 1991.

Deense films winnen internationale prijzen, waaronder de laatste vijf jaar twee Oscars en een Gouden Palm. De laatste Nederlandse speelfilm in competitie in Cannes dateert uit 1974 (Mariken van Nieumeghen van Jos Stelling). In Nederland worden iets meer lange speelfilms per jaar gemaakt - gemiddeld veertien in de jaren tachtig - dan in Denemarken - gemiddeld twaalf. Bij de Denen zijn die goed voor 17 tot 30 procent van het totale bioscoopbezoek. In Nederland is dat percentage wel eens twintig geweest, maar de laatste jaren ligt het ver beneden de vijf.

De problemen waar de filmproduktie mee kampt zijn in beide landen goed vergelijkbaar. Ook al telt Nederland drie keer zo veel inwoners als Denemarken, beide taalgebieden zijn te klein om de kosten van een gemiddelde speelfilm (ongeveer 2 miljoen gulden) terug te verdienen. Overal in Europa is het aandeel van de Amerikaanse films in het bioscoopaanbod in de afgelopen twintig jaar verdubbeld - van eenderde naar tweederde van de totale recette - ten koste van vooral de vertoning van films uit andere Europese landen. Ook neemt het bioscoopbezoek in zijn geheel snel af: in Denemarken van 34 miljoen (1965) naar 10 miljoen (1990), in Nederland in dezelfde periode van 36 naar 15 miljoen. Maar Denen gaan nog steeds twee keer per jaar naar de bioscoop, precies dubbel zo vaak als Hollanders.

Zonder overheidssteun zou in geen van beide landen een filmproduktie kunnen blijven bestaan. Bijna iedereen is het er over eens dat met de continuering van de filmproduktie niet alleen een kunstzinnig doel gediend wordt, maar ook een nationaal cultureel belang. De Deense overheid besteedt twee keer zoveel (46 miljoen gulden) aan film als de Nederlandse (23 miljoen), ofwel 1,27 procent van het kunstenbudget tegenover 1,15 procent bij ons. De totale rijkssteun aan de kunsten bedraagt 3,5 miljard gulden in Denemarken, en in Nederland, met een iets lager bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking, slechts 2 miljard.

Filmbrief

Het lijkt voor de hand te liggen de betere commerciële en artistieke resultaten van de Deense film toe te schrijven aan de meer genereuze politiek van de nationale overheid. Toen minister d'Ancona in januari haar zogenaamde filmbrief publiceerde, waarin de problemen van de Nederlandse filmproduktie aan de orde gesteld werden, reageerden belangenorganisaties van filmproducenten en regisseurs ook in eerste instantie met de kreet dat de minister dan maar meer subsidie op tafel moest leggen. Ook het hoge btw-tarief en de relatief geringe bijdragen van televisiezendgemachtigden werden uiteraard in de respons van "het veld' als negatieve invloeden genoemd. Het is allemaal waar, maar misschien spelen toch ook andere, meer kwalitatieve factoren een rol in de teleurstellende resultaten van de Nederlandse filmsubsidiepolitiek.

Deze zomer publiceerde het Bureau Driessen voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek en Advies een in opdracht van de minister geschreven evaluatierapport, getiteld "De Filmfondsen in de Jaren Tachtig'. Op detailpunten is heel wat kritiek mogelijk op de werkwijze van de onderzoekers, hetgeen Jan Blokker, voorzitter van het Productiefonds, al de uitspraak ontlokte dat het rapport al zijn vooroordelen over sociale wetenschappers bevestigt. De gedachte van drs. F.M.H.M. Driessen om een groot aantal "deskundigen' in zogenaamde "consensusgroepen' te laten brainstormen over de kwaliteit van Nederlandse films is inderdaad tamelijk onzinnig. De conclusie dat deze deskundigen met buitenlandse festivaldirecteuren en het Nederlandse publiek overeenstemmen in hun negatieve visie op de kwaliteiten van de Nederlandse film (slechts de filmcritici zijn, volgens de methode-Driessen, relatief mild in hun oordeel), overtuigt nauwelijks.

Als de minister met scherp zou willen schieten op de verdeling van de door haar aan het Productiefonds (7,2 miljoen gulden in 1990) en het Filmfonds (5,3 miljoen) ter beschikking gestelde gelden, dan reikt het onderzoeksrapport betere munitie aan in een paar simpele tabelletjes.

Hoeveel filmproducenten telt ons land eigenlijk? Tien, twintig, veertig? Het juiste antwoord luidt: meer dan honderd. Tussen 1981 en 1989 gingen 84 met steun van het Productiefonds tot stand gekomen lange speelfilms in première van in totaal 42 produktiemaatschappijen. Van die 42 maakten 24 maatschappijen slechts één film. Wie dit een verontrustend aantal vindt met het oog op de doelstelling van het Productiefonds, namelijk het bevorderen van de continuïteit in de Nederlandse speelfilmproduktie, moet eens tabel 4.2.31 opslaan in het rapport-Driessen: het Filmfonds, dat zich bezighoudt met de ondersteuning van lange kunstzinnige speelfilms, documentaires en korte films, begunstigde tussen 1984 en 1989 179 produkties van 97 maatschappijen; daarvan zagen er 66 slechts één enkel project gehonoreerd worden.

Minister d'Ancona drukte in haar filmbrief al beide fondsen op het hart eerdere prestaties van producenten en regisseurs meer in hun beslissingen te verdisconteren. Het zou zelfs denkbaar zijn dat bewezen verdiensten op artistiek of commercieel terrein automatisch beloond worden bij een volgende aanvrage.

Hoewel de brief nog geen beleidsvoornemens bevatte, werd duidelijk dat, als dit zo doorgaat, misschien beide fondsen wel eens tot fusering gedwongen zouden kunnen worden. Volgende maand krijgt de Tweede Kamer in het kader van het Kunstenplan een nieuwe brief van de minister, die wel beleidsvoornemens bevat.

Deemoed

Met angst en beven wachten de beide fondsen af, maar misschien hoeven zij niet meer voor hun leven te vrezen. Het Filmfonds kwam in een vorige maand gepubliceerd Werkplan 1993-96 al behoorlijk aan de bezwaren tegemoet. De maximale bijdrage zal worden verhoogd, het aantal bijdragen zal worden verminderd: “Het fonds wil daarom het oeuvre van de filmmaker en diens producent nog meer laten meewegen in de beoordeling.” Het lijkt niet waarschijnlijk na zoveel deemoed dat de minister alsnog een fusie af zou willen dwingen, met het risico van een volksopstand in filmland.

Terug naar Denemarken: daar functioneert, in tegenstelling tot Nederland, een Filmwet, aangenomen in 1972 en gewijzigd in 1989. Enkele aspecten van de Deense wetgeving moeten onze cultuurminister wel bijzonder aanspreken. Haar Deense collega geeft tweederde van het filmbudget aan het autonome Deense Film Instituut (DFI), dat het afgelopen jaar ongeveer 23 miljoen gulden aan filmprodukties besteedde. Tot voor twee jaar terug, gaf het bestuur van het DFI beslissingen over de subsidiëring van filmprojecten niet uit handen aan commissies, zoals bij ons, maar aan een of twee onafhankelijke, voor een bepaalde tijd door het DFI aangestelde adviseurs: je zou ze ook "rijksfilmmeesters' kunnen noemen.

Er werd natuurlijk op hun besluiten gemopperd, maar in grote lijnen functioneerden die Deense filmmeesters naar tevredenheid.

Gemiddeld nam het DFI zeventig tot tachtig procent van de produktiekosten voor zijn rekening. Dat kan alleen als het aantal films beperkt is en de budgets niet te hoog zijn. Sinds 1989 krijgt een producent echter de keuze of hij zijn project aan de adviseur wil voorleggen, of opteert voor het zogenaamde "fifty-fifty'-model. In dat geval draagt het Rijk vijftig procent van de kosten bij (met een maximum van ruim een miljoen gulden) en kijkt verder uitsluitend naar de commerciële kansen van het project en dus niet naar de artistieke merites. Dat begint te lijken op de officiële werkwijze van het Productiefonds, al vinden veel Nederlandse producenten (volgens het rapport-Driessen) dat het fondsbestuur te weinig verstand van film heeft en kwalitatieve argumenten nog een te groot gewicht geeft.

In Denemarken is de kritiek op het "fifty-fifty'-model juist vooral te horen uit een andere hoek; de instelling van zo'n min of meer automatisch fonds zou ten koste gaan van de voorheen exclusieve aandacht voor artistieke maatstaven.

Minder formeel

Een socioloog zou misschien iets zinnigs te berde kunnen brengen over de redenen dat zo'n rijksfilmmeesterschap in Denemarken gemakkelijker geaccepteerd wordt dan in Nederland, waar bijna iedereen toch de voorkeur geeft aan een democratische commissie. Het lijkt er ook op dat de Denen minder formele regels hanteren bij de toewijzing van gelden aan projecten, met één duidelijke uitzondering. Slechts iets meer dan de helft van het subsidiepotje van de DFI-adviseurs mag besteed worden aan speelfilms voor volwassenen; de rest is bestemd voor speciale genres, met name de kinderfilms, waarvoor ook een aparte adviseur aangesteld is.

De resultaten van die bijzondere aandacht voor de jeugdfilm zijn indrukwekkend: de kwaliteit van de Deense kinderfilm is uniek in de wereld. Uiteraard bestond die traditie al langer dan het DFI en valt zoiets niet door het aannemen van een filmwet te regelen. Maar het schenken van speciale aandacht aan een onderdeel van de nationale filmproduktie waar eer mee valt in te leggen, verdient navolging. Je zou in dat opzicht in Nederland kunnen denken aan de animatiefilm of, in mindere mate, de documentaire, het experimentele genre of ook de jeugdfilm.

Het ten voorbeeld stellen van het Deense model kent zijn beperkingen. Die twee Deense Oscarwinnaars (Pelle de Veroveraar en Babette's Feast) waren nu ook weer niet zo bijzonder dat je de mogelijkheid van een simpelweg betere lobby in Hollywood bij voorbaat uit kunt sluiten. In dat geval zou het bureau Holland Film Promotion te rade kunnen gaan bij het uitstekend functionerende gemeenschappelijke filmpromotiebureau van de Scandinavische landen. Op eigen kracht won ook De aanslag een Oscar, al had het Productiefonds om technische redenen nu net die film niet gesubsidieerd.

De grotere belangstelling van het Deense publiek voor film is ook niet van vandaag of gisteren; Denemarken was voor 1920 al een vooraanstaand filmland, dat Europa de eerste ster schonk (Asta Nielsen). Maar een vergelijking tussen de problemen in beide kleine filmlanden kan in ieder geval geen kwaad, al was het maar om te constateren dat in minstens één opzicht de klachten identiek zijn. Want ook in Denemarken wordt voortdurend gewezen op een gebrek aan goede scenario's.