Jhr. Mr. E. Michiels van Kessenich, consul-generaal "Je geweten volgen, dat is het belangrijkste'

Voor de een is hij het lichtend voorbeeld van de moderne ambtenaar. Voor de ander is hij de prettig gestoorde, elitaire jonkheer die in het verkeerde tijdperk bij de dienst werkt. Eduard Michiels van Kessenich (60), het "enfant terrible' van Buitenlandse Zaken, consul-generaal te München, staat in een rood vest met een parmantig vlinderdasje bij zijn bordeaux-rode busje, dat dienst doet als slaapplaats, vergaderruimte, denktank en kantoor. Wanneer hij in Beieren met zijn overheidsnummerbord rijdt, plaatst hij een bordje tegen de achterruit waarop staat dat het hier gaat om het rijdend bureau van de consul-generaal van Nederland. Zit hij wel "gewoon' op kantoor, dan loopt hij regelmatig de wachtkamer binnen om met de aanwezigen van gedachten te wisselen. Beleefdheidsbezoekjes legt hij niet af. Hij vindt dat je daarmee Hare Majesteit niet dient. Hij vindt nog wel meer dingen die zijn collegae hem niet altijd in dank afnemen.

Eduard Michiels van Kessenich is de oudste van 14 kinderen. Van zijn vader die burgemeester was van Maastricht (“en de eerste Ehrenritter wider den Tierischen Ernst” (zoals hij er altijd trots bij vermeldt) leerde hij een niets ontziend gevoel voor rechtvaardigheid. Een op het eerste gezicht mooie eigenschap, maar bij BZ zet deze instelling in zijn geval weinig zoden aan de dijk. Hij is nu al 21 jaar consul-generaal, onder meer in Antwerpen en Hong Kong waar hij Nederland hoogst actief heeft "verkocht' en een ambassadeurschap had er wel ingezeten. Maar niet als je Michiels van Kessenich bent. In de eerste plaats omdat hij altijd heeft geroepen dat het ambassadeurschap hem op zich niet interesseert, aangezien hij als consul-generaal veel dichter bij de mensen kan staan. En in de tweede plaats omdat je niet beloond wordt wanneer je vrijwel permanent missieven stuurt naar de minister of diens secretaris-generaal. Hem wordt verweten dat hij zijn prioriteiten niet kent en dat hij de regels van het departement overtreedt.

En inderdaad heeft Michiels van Kessenich de invulling van zijn diplomatieke werk origineel gestalte gegeven.

“Er zijn drie cruciale momenten in mijn leven geweest. De ontmoeting met mijn vrouw was het eerste. Het tweede was toen mijn chef in Londen, Huydecoper van Nigtevecht, mij bij zich liet komen en zei: Eduard hoe komt het dat je geen brief kunt schrijven? Komt het omdat je niet kunt denken? Ik schrok me dood. Ik dacht dat het allemaal heel goed ging. We leefden in 1972 en ik was eerste secretaris. Hij zei: laten we het zo, of gaan we er wat aan doen? Ik mocht zelf kiezen. Wat hij bedoelde was: blijf je een apparatsjik of ga je nou eens zelf wat bedenken... Sindsdien ben ik onafhankelijk gaan denken.

“De derde ontmoeting was met een dominee. We woonden toen in Canada. Ik zat met het gewetensconflict hoe je onafhankelijk kon denken zonder tegen je superieuren in te gaan. Deze dominee legde mij uit dat het eigenlijk heel simpel is. Christus is niet gekruisigd door het joodse volk, maar door de joodse bureaucratie. Door een groep mensen die met kleine regeltjes het volk probeerde naar het paradijs te helpen. En toen Christus aan het kruis hing riep hij: Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen. Het waren immers apparatsjiks die zijn vonnis geveld hadden, lieden die over woorden twistten, maar de geest misten. Die kun je niets kwalijk nemen. Toen had ik voor het eerst vrede met het verschijnsel bureaucratie. Voor het eerst vond ik het niet meer erg, want ik begreep hoe het zat.”

In plaats van uit de dienst te stappen werd Michiels van Kessenich de luis in de pels van BZ. In zijn eentje tegen het systeem, de bureaucratie, de vastgeroeste normen. Hij ontwikkelde een eigen stijl, die sommigen waarderen, en de meesten afschrikt. In Hong Kong was hij de bekendste - en meest bezochte - consul. Hij regelde ontmoetingen met de gouverneur, diners met bankiers, wandelingen met politici. Diplomatie is het de ondernemer gemakkelijk maken, luidt zijn standpunt. Dat kan ook betekenen dat er een afspraak wordt gemaakt in een massage-parlour, waar, noblesse oblige, de klanten nog geheel in streepjespak door oudere dames werden behandeld tegen spierpijnen of toekomstige klachten. Bezoekers werden niet alleen naar restaurants met traditioneel Chinees eten gebracht, maar ook naar markten met waarzeggers en gokkers. Een kijkje achter de schermen nemen om het land beter te leren begrijpen, leek Michiels van Kessenich een betere introductie dan een diner in een ruimte met air-conditioning. Irritant gedrag, vinden ze dat in Den Haag, maar Michiels houdt vol.

“Ik denk er niet aan de bureaucraten in Den Haag te behagen door weg te gaan. Toen ik consul-generaal in Antwerpen was kreeg ik de kandidaat-diplomaten die het zogeheten klasje volgden op bezoek. Zij vroegen mij wat het belangrijkste was in het diplomatieke werk. Ik heb toen geantwoord: je geweten volgen. Maar, zeiden de dames en heren toen, dan krijgen we toch een conflict met het ministerie? Ja, antwoordde ik, maar dat moet ook.”

Michiels van Kessenich vindt dat teveel ambtenaren conflict vermijden. Zij zakken weg in de anonimiteit, ter meerdere eer en glorie van de bazen. Is dat productief? Als hij ergens een post overnam, bleek hem steeds dat het personeel geen echte rol vervulde en geen initiatieven nam. Het eerste dat hij zei was: “Jullie moeten het werk zelf leren doen. Maak maar fouten, durf eens wat.” Soms werd dat geïnterpreteerd als eigen luiheid of een vorm van incompetentie. Daarover zijn nogal eens woorden gewisseld en vooral brieven geschreven. De drang naar vrijheid, naar eigen mening heeft zich bij Michiels overigens zelf ook pas later gemanifesteerd, als kind van een zeer aanwezige vader, tegen wie hij opkeek en over wie hij het nog veel heeft. Is zijn kritiek op de werking van onze maatschappij niet eerder een vorm van zelfkritiek?

“Ik geef toe dat het mij allemaal zeer bezighoudt. Mijn vader en ik hadden in elk geval een relatie die van wederzijds respect getuigde. Ik heb veel van hem geleerd. Ook dat ik regelmatig onverwachte wegen moest inslaan. Hij kleineerde mij niet. En juist die kleineringsdrang kenmerkt de bestuurders tegen wie ik ten strijde trek. En die komt natuurlijk eigenlijk voort uit middelmatigheid. Daar moet je mee leren leven, zeggen mijn vrienden dan. Bovendien kunnen middelmatige mensen er niets aan doen dat ze zo zijn. Is dat zo? En vormen ze in groten getale geen bedreiging? Vanuit negatief gedrag komen uiteindelijk de verkeerde mensen aan de macht. Ja, ik geloof in herders en schapen en ik geloof niet dat het de bedoeling is dat de schapen het van de herders overnemen. Maar met middelmatige leiders krijg je dat. Noem mij een regent. Ik schaam mij daar niet voor.”

Verbaast het u niet dat uw opstelling in uw directe werkomgeving als elitair en arrogant wordt ervaren?

“Dit soort reacties verbazen mij allang niet meer. Mijn Sovjet-collega in Antwerpen zei eens tegen me: je weet toch waarom we vrienden zijn? In jouw systeem moet je net zo goed een keuze maken tussen carrière en vrijheid als in het onze. Beslissingen nemen, risico's lopen, voor je mening uitkomen, zwakke broeders helpen in nood. Als dat elitair is, mij best.

Oud-staatssecretaris Van Houten heeft eens gezegd: je gaat je gang maar, Eduard, als je aarzelt dan kom je maar bij mij. Maar de regel is dat superieuren zich zo niet opstellen. Ze verwachten eerbiedig geknik van hun mensen. Duitsers karakteriseren het als volgt: "Gedankenaustausch ist wenn der Untergebene nach zwei Stunden mit der Meinung seines Vorgesetzten zurückkehrt.' Daardoor ontstaat een verkeerd soort loyaliteit, de bevoegdheid wordt bepalend. Er ontstaat een ambtelijk geweten dat met behulp van hiërarchisch denken en ambtelijke taal een eigen wereld in stand houdt.''

In Toronto zorgde Michiels ervoor dat er een Nederlandstalig tv-programma kwam; in Antwerpen zette hij de organisatie "word je eigen werkgever' op; in Hong Kong kwam hij met het plan van het Delta-comité, om de samenwerking tussen China, Hong Kong en Macao te verbeteren met behulp van Delta-kenners bij uitstek, in Nederland. En in München, waar hij overigens in een huis woont dat ontworpen is door Albert Speer, compleet met bierkelder en bioscoopzaal, heeft hij EYE opgezet, European Young Employers.

“Een club van jonge ondernemers, die nou eens niet uitsluitend aan geld maar ook aan de werkomstandigheden wenst te denken. Want er is wel degelijk een post-materialistische generatie. Minder gericht op winst alléén en meer op de klant, de service. Dat is wat het Europa van morgen nodig heeft. Ik word fantastisch gesteund door de Beierse autoriteiten, maar in Den Haag zullen ze het allemaal wel weer irrelevant vinden.”

U leidt een eenzaam bestaan binnen BZ. Hoe gaat u door?

“Eenzaam maar niet alleen. Van Franz-Josef Strauss heb ik mijn motto: dankbaar achteruit, moedig vooruit, gelovig naar boven en liefdevol opzij. Is dat niet prachtig? Strauss, een originele geest, door weinigen begrepen. Het niveau van De Gaulle, maar omdat zijn vorm niet beviel, ontging velen diens inhoud.”