Je beste vriend

Vroeger hadden veel tandartsen in hun wachtkamer een soort wandbord aan de muur hangen.

Daar stond op: ”De tandarts is je beste vriend'. Misschien heb je ze nog wel, maar ik zie ze nooit meer. De bedoeling ervan was duidelijk. Wees maar niet bang, probeerde dat wandbord te zeggen. Maar ik wist wel beter. En ik was vast niet de enige. Een mooie vriend die jou elk half jaar flink mag pijnigen, maar jij mag nooit wat terugdoen. Het was voor je eigen bestwil, zeiden ze.

Hij heette Stik, de tandarts, en zo noemde ik hem ook graag. Stik. Hij was niet wat je noemt een gezellige man. Hij zei eigenlijk nooit wat. Als ik binnenkwam dan mompelde hij: ”Goeiedag hoe heet je ook weer'. En als ik weg ging, dan zei hij alleen maar: ”Over een half jaar terugkomen'. Mijn naam was hij dan allang weer vergeten. Eén keer zei hij tussendoor een hele zin. Hij zei: ”Volgende keer moet je een beugel'. Ik kreeg de schrik van mijn leven, want beugels waren toen nog niet zo in de mode. Daar werd je om uitgelachen, als je pech had. Ik heb een half jaar in angst gezeten, maar de volgende keer was hij het gelukkig vergeten, die beugel. Misschien vond hij mijn tanden bij nader inzien toch niet zo scheef. Of hij had gewoon haast. Mijn tandarts was een haastig mannetje, want de wachtkamer puilde altijd uit, ook al was je er al om 7 uur 's ochtends.

Ik mocht hem niet zo, de tandarts, en ik heb hem wel eens iets akeligs toegewenst. Een zenuwbehandeling bijvoorbeeld, zonder verdoving. Maar later - ik had toen allang een tandarts met een veel betere naam: Goedhart - hoorde ik wel eens iets over hem. ”Slecht huwelijk', fluisterden ze. ”Een kind dat niet wil deugen'. En: ”Schulden. Tot over zijn oren.'

Of het allemaal waar was weet ik niet. Maar één keer heb ik zelf iets over hem gelezen, in de krant. Hij wilde op een avond naar de bioscoop. Misschien had hij teveel patiënten gehad die dag, en moest hij nog op het laatste nippertje eten. In elk geval had hij haast. Met 200 kilometer per uur vloog hij uit de bocht. Het is niet goed met hem afgelopen.

“Als er nog eens een Nobelprijs voor de literatuur wordt gegeven aan een Nederlander, dan lijkt mij dat een dichter die zou moeten krijgen. Ik heb er niet speciaal een op het oog, hoor.”