India ontwaakt en ontdekt de wereld om zich heen

India volhardde lange tijd in de starre ideologie van zelfredzaamheid. Aan buitenlandse investeerders had het land geen boodschap. Het afgelopen jaar heeft premier Narasumha Roa het roer omgegooid.

Ongeveer een jaar geleden stond in het populaire blad India Today een politieke prent waarop de toenmalige premier Chandra Shekhar in een papieren bootje stond met in zijn hand een plakkaat: "Wegwezen!'. Die boodschap was gericht aan enorme vrachtschepen die elkaar ver op zee voorbij voeren, met de opschriften "EG', "Japan' en "USA'.

De prent schetste treffend de situatie van India, dat in de wereldhandel niet meer dan een papieren bootje is vergeleken met de economische mammoets in de wereld. Maar de clou van de cartoon was dat de tragikomische figuur van premier Chandra Shekhar die grote handelsblokken, die niet eens voor anker gingen maar enkel voorbij voeren, wegbonjourde.

De boodschap was duidelijk: terwijl de wereldeconomie India links liet liggen, bleef de regering maar volharden in haar starre ideologie van zelfredzaamheid ("self-reliance') en wees ze buitenlandse investeerders af die allang elders hadden aangemeerd - in landen als Indonesië, Maleisië en Thailand.

Binnen een jaar is er echter heel wat veranderd. Als de cartoon nu zou worden getekend, zouden we Narasumha Rao, Chandra Shekhars opvolger, verwoed de oceaan op zien peddelen in de hoop de aandacht van de grote zeeschepen te trekken.

Onlangs bezocht de Indiase premier Duitsland, en de reden waarom hij Bonn uitkoos als eerste aanlegplaats sinds zijn ambtsaanvaarding in juni is niet in de eerste plaats de belangrijke politieke rol die Duitsland in de wereld speelt. Het is veeleer een poging om de regering en het bedrijfsleven van de grootste EG-lidstaat duidelijk te maken dat India buitenlandse investeringen nodig heeft en zal verwelkomen, en dat de Indiase regering een reeks beleidslijnen heeft uitgegooid die snelle realisering van projecten en winsten moeten verzekeren.

Wat is er in dat ene jaar in India gebeurd? In absolute zin niet zoveel, behalve dat de financiële graadmeters in de economie hun neerwaartse gang voortzetten tot op de rand van het bankroet. Eind 1990 had de buitenlandse schuld, na in een jaar zes miljard dollar te zijn gegroeid, de zeventig miljard dollar overschreden. Aan rente en aflossing op die schuld moest India zeven miljard dollar betalen, de tegenwaarde van 29 procent van alle export.

Tot overmaat van ramp had de binnenlandse schuld een stadium bereikt waarin de minister van financiën zijn rente-verplichtingen alleen kon aflossen door de begrotingstekorten steeds hoger te laten oplopen. Dat tekort bereikte op de balans van vorig jaar de 8,6 procent van het bruto binnenlands produkt (BBP) en wakkerde een inflatie aan die weldra in de dubbele cijfers belandde en nu op veertien procent staat.

Hoewel de industrie en de agrarische sector het met respectievelijk 8,4 procent en 4,5 procent groei goed blijven doen hebben de internationale krediet-instellingen India's kredietwaardigheid gedegradeerd tot de "laagste investerings'-klasse of zelfs de categorie "oppassen' ("credit watch'). Hierdoor is het voor het land moeilijk zo niet onmogelijk om geld te lenen op de internationale markten, en zal de kapitaal-instroom van particuliere binnenlandse banken dit jaar abrupt slinken, van 1,5 miljard dollar in 1990 tot 0,2 miljard per ultimo van dit financiële jaar, aldus het International Institute of Finance (IIF) in Washington.

In mei dit jaar moest het land kleine hoeveelheden van zijn - aanzienlijke - goudreserves verkopen, en als niet het IMF een kortlopend krediet uit de CCFF-pot had aangeboden, zou India voor de financiële ineenstorting hebben gestaan.

Pag 14:

India kan niet langer leven in fantasiewereld van isolement

Het siert Narasimha Rao dat hij direct saneringsmaatregelen heeft getroffen, hoewel zijn verkiezing volgde op een traumatische campagne die was geculmineerd in de moord op Rajiv Gandhi. Daarbij kwam dat hij als compromis-keus uit de bus was gekomen: de leider van een partij die niet eens een enkelvoudige meerderheid in het parlement had. Maar binnen een week na zijn aantreden had Rao niet alleen de rupee twee keer gedevalueerd, maar had hij een nieuw handels-beleidsplan aangeboden, dat korte tijd later werd gevolgd door een nieuw industrie-beleidsplan.

Het Leitmotiv in beide documenten was de erkenning van drie wrange waarheden: ten eerste dat India niet langer kon blijven leven in de fantasiewereld van zijn economische solipsisme - dat de naam selfreliance droeg - maar voor zijn voortbestaan was aangewezen op internationale transacties. Ten tweede dat het land niet over de middelen beschikte om de vereiste economische groei te realiseren en daarom een beroep moest doen op het investeringspotentieel van de particuliere sector - zowel in eigen land als daarbuiten. En ten derde dat het land het mes moest zetten in zijn verkwistende staatsuitgaven, met name in de subsidies aan rijke boeren, in de constante aanzuivering van verliezen bij de staatsindustrie en in de zware last van het niet-produktieve ambtenarenapparaat. Het nieuwe handelsbeleid haalde fors de bezem door het ingewikkelde web van regelingen die achtereenvolgende kabinetten hadden ingesteld om de import te beperken. Diverse "kanaliserings-bureaus', een aantal importprocedures en een inefficiënte financiële sector vertraagden het goederenverkeer en verschaften de corruptie een vruchtbare voedingsbodem. In combinatie met 's werelds hoogste invoerrecht (gewogen gemiddelde: 112 procent) vormden ze bovendien een barrière waarachter het binnenlandse bedrijfsleven zich kon indekken tegen buitenlandse concurrentie. En in plaats van de concurrentiepositie tot de hoeksteen van haar exportbeleid te maken, had de regering gekozen voor exportsubsidies - opnieuw in overtreding van de GATT-regels, en met als gevolg een nieuwe papierwinkel met corruptie-verhogende werking.

Met één vlugge pennestreek schafte minister Chidambaran van handel de meeste ingewikkelde importbepalingen af, evenals een deel van de exportsubsidies, door een financieel instrument in het leven te roepen dat Exim-bewijs ("Exim scrip') heet. Exim-bewijzen zijn vergunningen die exporteurs het recht geven te importeren voor de tegenwaarde van hun verdiensten in buitenlandse valuta. De bewijzen zijn vrij verhandelbaar en bedrijven kunnen ze sparen om goederen in het buitenland te kunnen kopen. Het doel is de economie op eigen kracht aan de broodnodige deviezen te laten komen.

De bewijzen doen op het ogenblik veertig procent meer dan hun nominale waarde. Daarmee vormen ze een krachtige prikkel voor exporteurs en werken ze remmend op geldverspillende import. Afgezien van bepaalde categorieën goederen kan nu alles op deze manier worden geïmporteerd. Voorlopig echter wordt de wurggreep van de fiscale tarieven niet losgelaten, want die vormen de voornaamste bron van inkomsten voor de schatkist.

In de interim-begroting die minister van financiën Manmohan Singh op 25 juli presenteerde, deed hij één "belangrijke concessie': hij stelde een plafond voor de invoerrechten vast: 150 procent...

Op dezelfde dag publiceerde de regering ook haar nieuwe industriebeleidsplan, alsof ze het effect daarvan bij het ritueel en de dramatiek rondom de presentatie van de "miljoenennota' in de schaduw wilde stellen. Het radicale van het beleidsplan zit hem in daarin dat de regering eigenlijk voor het eerst in de Indiase geschiedenis niet uitgaat van de stelling dat ze economische processen kan manipuleren. En voor het eerst stelt ze ook dat overheidsingrijpen niet regel maar uitzondering dient te zijn: in principe is economische activiteit "vergunning-vrij' - een onderneming mag zich vestigen, besluiten wat waar en hoeveel ze gaat produceren, ze mag uitbreiden, andere ondernemingen overnemen en haar eigen bestuursorganen samenstellen. Wat ze nog altijd niet mag is naar believen in liquidatie gaan, omdat het land geen modern stelsel van sociale zekerheid kent.

Om de concurrentiepositie van het Indiase bedrijfsleven in eigen land te versterken, mogen buitenlandse ondernemingen nu een meerderheidsbelang verwerven in bepaalde bedrijfstakken zoals de fabricage van machines voor metaalbewerking, energieopwekking en -transport, elektrische en elektronische machines, telecommunicatie, gereedschapsmachines, landbouwmachines, chemicaliën - behalve geneesmiddelen - en landbouwchemicaliën.

Om internationaal sterker te kunnen concurreren mogen ondernemingen nu vrijelijk akkoorden sluiten voor de invoer van technologie, waarvoor ze "automatische vergunningen' krijgen.

Binnen India's socialistische nationale stramien betekenen deze maatregelen bepaald een radicale stap in de richting van een markteconomie. Of ze ver genoeg gaan is een andere kwestie. In het oude systeem waren voor het opzetten van een bedrijf rond 35 verschillende vergunningen nodig. En ook al is dat aantal nu gehalveerd, vergunningen blijven een ernstige hinderpaal voor produktieve investeringen. De frase "automatische vergunning' is pure bureaucratentaal - en een innerlijke tegenstrijdigheid. Maar de term laat zien dat de regering nog altijd op de hoogte wenst te worden gehouden van wat er gebeurt.

Het reusachtige legioen ambtenaren, dat nu beleid moet doorvoeren dat de eigen werkgelegenheid in gevaar brengt, weet zich onnavolgbaar aan te passen aan veranderende omstandigheden. Neem bij voorbeeld het "Directoraat-Generaal Technische Onwikkeling' (DGTO), een leger van 6.000 functionarissen dat door de jaren heen elk bedrijfsproject van alle kanten heeft doorgelicht voordat het naar de volgende afdeling mocht. Een notitie van de regering kondigde op 6 september “een drastische reorganisatie van het DGTO” aan, “waarbij het aantal bureaus van 26 zal worden teruggebracht tot 12”.

Maar in één adem voegt de notitie daaraan toe: “Het aantal bureaus voor promotie-activiteiten is verdubbeld tot twintig.” Deze bureaus zullen “leiding geven aan nieuwe ondernemers” - alsof ze worden bemand door een gepokt en gemazeld stel doorgewinterde zakenlui. Het DGTO blijft dus een nobele rol vervullen: “Het zal trachten de Indiase technologie een gezonde basis te geven en adviezen verstrekken over manieren om die internationaal concurrerend te maken.” Hoe gaat het dat doen? Door achttien comités in te stellen...

Het verbaast dan ook nauwelijks te horen hoe een zegsman zijn collega's verzekert dat “het niet tot inkrimping van het personeelsbestand zal komen”. Vorige week heeft het DGTO zijn fiat gegeven aan een aantal projecten van multinationale ondernemingen uit de USA (IBM, Du Pont, Ford), het Verenigd Koninkrijk (British Gas) en Japan (Mitsubishi, Asahi Glass). Bij wijze van bijzonder gebaar naar Duitsland, waar premier Rao thans op bezoek is, heeft de overheid alle belangrijke aanvragen voor investeringsprojecten van Duitse bedrijven goedgekeurd, waaronder een joint venture van BMW en Escorts Ltd. voor de bouw van motorfietsen.

Na drie maanden zijn de meeste waarnemers het erover eens dat de nieuwe regering van aanpakken weet. Het probleem is dan ook niet zozeer een gebrek aan goede wil bij premier Rao om zijn boot de oceaan van de internationale handel op te sturen, maar het feit dat die boot overbeladen is met 850 miljoen mensen aan boord, en daarnaast een aantal lobby's die graag een gat in de bodem zouden boren.