Hoedt u voor deze groepering!

Ach ja, dacht ik, nu ik toch in Den Haag ben kan ik net zo goed even bij de minister-president langsgaan. Het was nog een hele klim. Ik kreeg een hartelijke hand. “Maar trekt u toch uw jas uit”, zei hij en begaf zich naar het podium. Ook ik ging zitten, temidden van zo'n vijftig collega-journalisten. Officieel is de toelichting op de Troonrede alleen toegankelijk voor hoofdredacteuren, maar die hebben, omdat zij de hele dag declaraties moeten controleren, allang geen verstand meer van politiek. Vandaar dat de minister-president officieus heeft goedgevonden dat de hoofdredacteuren door hun politieke specialisten worden gechaperonneerd.

“Welkom, dames en heren”, zei de minister-president. Hij zat aan een langwerpige, strontkleurig beklede tafel, in de rug gedekt door rustieke landschappen en romantische wolkenpartijen. Pas op voor die Rudi Fuchs, EmPee, hij verkoopt die handel onder je kont weg aan de meestbiedende.

Met de Troonrede op schoot luisterden wij naar de inleidende woorden. Voor zover zij te volgen waren, want ook op de akoestiek van de Rolzaal is drastisch bezuinigd. Na tien minuten mochten wij onze vragen stellen. De minister-president ging er getraind op in. Zijn glimmend gepoetste linkerschoen wiebelde onderwijl ritmisch op de cadans van het gesprokene.

“De Troonrede spreekt over de wenselijkheid van zorgvuldig overleg”, sprak Den Haag Vandaag. “Zegt de regering dit eigenlijk tegen zichzelf?”

“Bent u het eens met minister Van den Broek, dat de rol van Kroatië in het Joegoslavische conflict...?” vroeg de Osnabrücker Morgenpost.

“Mij valt op dat het begrip sociale vernieuwing in deze Troonrede eigenlijk nauwelijks voorkomt, terwijl vorig jaar...”, opperde het NOS-Journaal.

De minister-president schudde het hoofd. “Eensdeels moet ik beklemtonen, dat.. terwijl op de tweede lijn... zoals dat buiten de territoriale terreinen doorwerkt... dichter bij de burger... dichter bij het bestuur... want de kern van de sociale vernieuwing... Dus daar is het laatste woord nog niet over gesproken.” Hij had inmiddels een vuistje in zijn mond gestoken, wat de verstaanbaarheid niet ten goede kwam, net zomin als de collectieve blafhoest waarvan de zaal inmiddels was bevangen.

De vragen verlegden zich naar de onderwerpen die onsècht interesseerden. De WAO. En de positie van de sociaal-democratische regeringspartner. Nu klonk alles, vraag en antwoord, plotseling helder en klaar.

“Is het eigenlijk niet idioot”, sprak het dagblad Trouw, enigszins heftig, “dat de toekomst van dit kabinet volledig afhankelijk is van een toevallige bijeenkomst van een partijcongres en niet van een uitspraak van het parlement?”

“Zo gaat het nu eenmaal”, zei de minister-president. “Als er iets belangrijk is, dan houdt men een partijcongres. Dat is een kwestie van democratie. Als mijn partij voor moeilijke beslissingen staat...”

“Maar als zo'n congres afstand neemt van het regeringsbesluit, zit u met een aardig probleem...”

“Als dat gaat gebeuren”, antwoordde de minister-president. “Als. Dat is óók democratie. Zoiets kan inderdaad tot politieke problemen leiden. Dat kun je niet bij voorbaat uitsluiten.”

“Is dit punt hiermee voldoende besproken?” informeerde de woordvoerder van de minister-president.

“Nee natuurlijk, man!

“Twee jaar geleden was de VVD te instabiel om langer mee te regeren”, sprak het Nieuwsblad voor de Bommelerwaard. “Hoe zit het eigenlijk nu met de stabiliteit van de PvdA”

Stilte. Wikken en wegen. Eén verkeerd antwoord en op de Nacht van Voorhoeve volgt de Nacht van Brinkman.

“Met de VVD hebben wij zeven jaar in de regering gezeten”, hernam de minister-president. “Toen brak het draadje. Als u nu de vraag herhaalt... Hoe is de verhouding tussen PvdA en CDA? Met de PvdA zitten wij nog geen zeven jaar in de regering. Wij staan pas aan het begin. En wij staan er fris voor.”

Buiten klonk het getimmer aan de publieke tribune waarlangs vierentwintig uur later H.M. de Koningin langs zou strompelen. “Leden van de Staten-Generaal. Nu zowel mijn man als ik in de ziektewet lopen...”

De volgende vragensteller ging er speciaal voor staan. Hij wapperde met de Vorstelijke Woorden en las de passage voor over de scholingskansen der migranten. Hoe zag de minister-president in dit verband de opmerkingen van de heer Bolkestein, die immers...?

Weer was het even stil. De minister-president nam de denkhouding aan. Hoe viel de liberale fractiechef, met wie hij een gespannen verhouding heeft, zo effectief mogelijk af te branden?

“Tja, Bolkestein...”, sprak hij eindelijk. Tevreden incasseerde hij het gelach. Soms lijkt het alsof Bolkestein alleen maar door Toneel Teatraal en de linkse weekbladen serieus genomen wordt. “Tja, Bolkestein... Hij wil hierover graag een gesprek. Nee, niet met mij. Ik vind dat hij bepaalde gebeurtenissen elders in de wereld te gemakkelijk vertaalt in: Dat is dus de opvatting van onze landgenoten in andere landen... Dit lijkt mij niet juist. Ik zou niet graag het Nederlandse liberalisme willen bestrijden door bepaalde liberale excessen elders in de wereld... Daar heb ik bezwaar tegen. Ik zeg toch óók niet: Hoedt u voor deze groepering, omdat...”

“Wat bedoelt u met liberale excessen?” vroeg Met het Oog op Morgen. “Ik kan mij daar niets bij voorstellen.”

“Nou, ik wel: de onversneden vorm van het kapitalisme”, zei de minister-president.

Even werd er nog gesproken over de vakbondsacties op Prinsjesdag. Iemand liet het woord Europa vallen, waarna er prompt weer oorverdovend werd gehoest, gerocheld en gekucht. Toen was de bijeenkomst afgelopen. Wij borgen ons schrijfgerei op, collegiaal babbelend: “Hoedt u voor deze groepering... Wat is die gooser toch gehaaid!” Bij de uitgang stond een bewaker, hand in de zij, pistool op de heup. Maar omdat geen onzer een onbeleefde vraag had gesteld, werden wij dit keer niet neergeschoten.