Hoe Twin Peaks alle televisiewetten ontsuikt; Veel visjes, maar geen kabeljauw

Telefoongesprekken en geluidsbandjes, stoere mannen en meisjes met twinsets: de Amerikaanse televisieserie Twin Peaks houdt velen in haar greep. Welk ingewikkeld netwerk van vriend- en vijandschappen in het stadje Twin Peaks leidde tot de moord op Laura Palmer? Het mysterie wordt geopenbaard op charmante, pesterige wijze die spot met alle televisiewetten. Onze toneelredacteur bekeek de hele serie: “De acteurs lopen gewoon het beeld uit, scènes lang ontbreekt iedere actie, en soms wordt er op die actieloze momenten ook nog eens nadrukkelijk gezwegen.”

Het is een godswonder dat aan het begin Laura Palmer de enige is die het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld heeft. Vanaf het moment dat haar beeldschone lijk gevonden wordt, blijkt zo ongeveer iedereen in de serie en het stadje Twin Peaks met revolvers rond te lopen of op zijn minst met moordplannen. In aflevering negen, evenzoveel dagen na de dramatische vondst, zijn er twee doden en twee in coma verkerende inwoners bijgekomen, in cumulatieve zin dan. En aan een verkeersongeluk hebben de slachtoffers hun nieuwe hoedanigheid niet te danken.

Het is een godswonder dat het stadje met de inmiddels legendarische naam ook maar enigszins is (zoals dat heet in dit soort gevallen) opgeschrikt door de moord op Laura Palmer. Er blijken immers evenveel revolvers als moordplannen voorradig. Later, na aflevering negen, reageren de inwoners gelatener of in het geheel niet. Het blijft soms zelfs een tijdlang ongewis of een doelwit de aanslag overleefd heeft of niet - en zo ja, hoe. Het stadje Twin Peaks is dan eindelijk net zo geperverteerd als de individuele inwoner altijd al geweest is. Hoewel, altijd?

Was ik producent, ik gaf de bedenkers en deels ook makers van Twin Peaks, filmer David Lynch en scenarist Mark Frost, opdracht een dertigdelige serie te maken over Twin Peaks vóór de moord op Laura Palmer. Want als de dertig afleveringen na die moord één vraag onbeantwoord laten, dan is het hoe de kruik zolang te water heeft kunnen gaan zonder te barsten. Nog een godswonder, bedenk ik nu. De moord op Palmer is het startsein voor slechtigheid, daarvoor heersten provincialisme en deugdzaamheid. Maar hoe heeft dan die moord plaats kunnen hebben, welk startpistool heeft de pleger daarvan dan horen afgaan? Dát wil ik weten. Hoewel Twin Peaks heel veel andere vragen evenzeer onbeantwoord laat.

Hysterisch

Twin Peaks is natuurlijk fantastisch, ongekend en een superieure les in zowel televisiemaken als -kijken. I ß6 TP, zo te zeggen. Sinds de serie bij RTL 4 van start ging en ik, wegens onbedwingbare nieuwsgierigheid, de nog uit te zenden delen op video vooruitzag, leef ik, net als FBI-agent Dale Cooper, op donuts en zwarte koffie. Dat is vanzelfsprekend en toevallig ook nog salonfähig. Op mijn coffeetable liggen The secret diary of Laura Palmer (“Iedereen die geïnteresseerd is in het wel en wee in Twin Peaks, moet mijn zieleroerselen maar gauw lezen!!”), The autobiography of F.B.I. Special Agent Dale Cooper - My Life, my tapes, Welcome to Twin Peaks - acces guide to the town en drie edities van de Twin Peaks Gazette. Alles voor nog geen honderdtwintig gulden, een futiel bedrag voor de liefhebber.

De relikwieën verhouden zich tot de serie als het winkeltje van Sijtje Boes tot de eeuwenoude cultuur van Marken. De boeken zijn in een erbarmelijke stijl geschreven, de kranten zijn een te ver doorgevoerde grap. Typisch Amerikaanse cultvorming, hysterisch, leuk voor journaille om verslag van te doen. De 06-lijnen, de actiegroepen tot behoud en voortzetting van de serie, de exegese-bijeenkomsten, de collectieve cinematografische archeologie, het groepsgewijze kijken en herkijken: het zijn, zoals rondom ieder nieuw idool, uitingen van de onbedwingbare hang naar religie en apostolisch hokken, van het verlangen naar het wij-gevoel. Het is de merk-obsessie van de kids van vandaag de dag en de angst zich te onderscheiden van de jeugd van altijd al.

Ik doe er niet aan mee, de kwaliteit van het aanbedene is immers juist dat het zich wel onderscheidt. TP is anders, horen we al sinds het ontstaan, en spot met de traditionale televisiewetten. De acteurs lopen gewoon het beeld uit, scènes lang ontbreekt iedere actie, en soms wordt er op die actieloze momenten ook nog eens nadrukkelijk gezwegen. Daarbij hanteren Frost en Lynch (die de regie trouwens vaak aan anderen uitbesteed heeft) visuele en dramatische Leitmotive, zoals de ruisende boomtoppen en de sleutelrol die geluidsbandjes iedere keer weer lijken te spelen.

En amusant is de wisselende gedaante van de vertellende instantie. De ene keer is de camera almachtig, -wetend, -horend, en -ziend en alom-aanwezig, de andere keer trekt zij aan het kortste eind. Als psychiater Jacobi een bandje van zijn patiënte Laura Palmer afluistert, is de kijker op vanzelfsprekende wijze in zijn huis aanwezig, maar als Jacobi op het cruciale moment de koptelefoon opzet, laat de binnengedrongen camera het afweten. Telefoongesprekken kan de kijker de ene keer tweezijdig volgen, de andere keer niet. En zo wemelt het van de inconsequenties, charmant, pesterig.

Bovendien zijn de acteurs zonder uitzondering mooi. Niet op de aan messing en PC Hoofstraat herinnerende manier van Dallas en Dynasty (die nouveau riche-werelden waar heel linksig Nederland als bij afspraak al eens verliefd op werd) maar echt mooi. De mannen zijn stoer en jongensachtig en vertederend in hun lieve schuchterheid en de meisjes hebben spitse jaren vijftig-cups onder hun twinset, wash and go-haar dat we allemaal wel zouden willen hebben en gezichten waarmee ze zo op de cover van de Burda kunnen. Nou ja, móói dus.

Pulp

Toch is TP, meer nog dan opmerkelijk en oorspronkelijk televisiedrama, een gefnuikte gooi naar onsterfelijkheid. Na het bekijken van een steeds moeizamer afkalvend stapeltje videotapes ben ik ernstig aan mijn dieet van donuts en koffie gaan twijfelen. TP is tot kunst verheven pulp, zegt iedereen en, zeker, dat is waar. En behalve waar is het gemakkelijk te beamen want op zichzelf volkomen nietszeggend. We zijn toch nog niet zo geperverteerd, dat we een poging tot kwaliteit al met de kwaliteit zelf verwarren? We stellen ons toch niet al bij voorbaat tevreden met alles wat afwijkt van pulp? Pulp is de standaard toch niet, al lijkt de vooruitgang daar wel op te wijzen?

Nee, de vraag is simpelweg of TP geslaagd is of niet. De voortdurend op de achtergrond zeurende muziek van Angelo Badalamenti in elk geval wel, die maakt zelfs het roeren in een kopje thee tot een ijzingwekkende bezigheid. Tegelijkertijd beseft de kijker hoe gemakkelijk hij van zijn stuk te brengen is. Een regisseur hoeft zo'n deuntje maar in te zetten en, erger nog, de volumeknop iets open te draaien of de spanning neemt ondraaglijke vormen aan. En dat terwijl ik, door toedoen van een loslippige vriend, vanaf het begin geweten heb who dunnit.

Ik had mijn vriend niet zo hard moeten vallen. De zwakte van TP is dat het er in het geheel niet toe doet of men weet wie de moord gepleegd heeft. En zelfs doet het er niet toe wie de moord gepleegd heeft. Men zou dat een kwaliteit kunnen noemen, een superieure knipoog, maar zo'n standpunt is natuurlijk ontoelaatbare nieuwlichterij. De moord op Laura Palmer verwordt gaandeweg tot een excuus, een aanleiding tot een potje virtuoos jongleren met genreclichés, visuele grapjes en brutale wendingen. (Daarbij moet trouwens meteen worden opgemerkt dat TP eigen clichés in het leven roept, meer dan dertig afleveringen zijn immers voldoende om een genre op zichzelf te worden. Zo ronden de makers vrijwel alle gesprekken en veel andersoortige scènes af met het gerinkel van een telefoon-, school-, brandweer- of deurbel. Alleen fanatici noemen dat soort gemakzucht een stijlkenmerk.)

Het probleem is: Laura Palmer wordt niet serieus genomen. En dat kan niet. De kapstok Palmer begeeft het onder een teveel aan jassen. Lynch en Frost gebruiken haar dood om maar liefst veertig of meer subplots tot ontwikkeling te brengen, in een verrassend magisch-realistische wereld, vol superieure kwinkslagen, geestige dialogen, smakelijke pastiche. En prachtig gefilmd bovendien. Zij zijn haar kortom heel wat verschuldigd. Maar wat doen ze, als dank? Ze verwaarlozen haar. In postmoderne oppervlakkigheid of eclecticisme of eigentijdse hebberigheid gooien zij ontelbare visjes uit - zonder ooit een kabeljauw te vangen. Ze willen alles en krijgen niks.

Met dezelfde stilistische gretigheid maakte Lynch in 1987 de moderne klassieker Blue Velvet, maar dat was een speelfilm en TP is een serie. (De speelfilm TP die nog gemaakt moet worden, vind ik bij voorbaat beter.) De lange adem behoeft eenvoud, een zekere eenduidigheid. Wat liefhebbers prijzen - de veelzijdigheid, het gemak waarmee zijpaden worden bewandeld - is in werkelijkheid onmacht. Onmacht om een doortimmerd scenario over een groot aantal episodes uit te smeren en aan het slot toch alle stukjes van de puzzel op hun plek te laten vallen. Niemand, op closeviewers na, als we die ten minste geloven kunnen, kan op den duur de plots en De Plot nog volgen. Wellicht kloppen ze als een bus, maar dat is niet van belang. Als niemand dat in de gaten heeft.

Laura Palmer wordt niet serieus genomen. Haar schitterend geschminkte lijk wordt ons voorgehouden als een fopspeen - het beeld is gewaagd maar gerechtvaardigd. Daarom kan de dader in, ik meen, aflevering zestien al bekend worden, en gaat de serie nog gezellig een tijdje door. Lynch en Frost overspelen hun hand door zich niet te houden aan Hamlets wijsheid. Evenals het toneel is hun kunst de spiegel van de natuur en die eigenschap laat zich tot op grote hoogte maar niet geheel ontkennen.

Gaandeweg, vanaf aflevering drie ongeveer, wordt de kijker gewaar, dat Twin Peaks bevolkt is door gekken. De ene vrouw zou haar leven willen geven voor een geruisloze gordijnrail, de andere sjouwt een houtblok rond. Psychiater Jacobi scharrelt rond in veelkleurige Hawaï-kleding en met wattenstaafjes in zijn oren en Leo Johnsons is een levensgevaarlijke, brute truckdriver. Sarah Palmer, Laura's moeder, is op z'n minst zonderling en Audrey Horne een onwaarschijnlijk onvervalst prototype van een verwend treiternest.

Zij allen zijn blijken van Lynch' haarscherpe observatie van de menselijke soort, maar tegelijkertijd zijn zij, en masse opstomend, onaanvaardbare hyperbolen. Evenals de hallucinaties, de dromen en de magische spelletjes van agent Dale Cooper. Alle wetten van het genre mogen met voeten getreden worden, maar aan één moet gehoorzaamd worden: eenmaal onthuld moet het geheim controleerbaar, mogelijk zijn, desnoods met enige moeite. Voor ongrijpbare magie en al te grote gekte kopen we dan niks, dat is een te gemakkelijk middel om de gaten in het scenario, de geïmiteerde werkelijkheid, te dichten. Wie kiest voor magie, moet niets meer willen verklaren. En het geheim bewaren.