Het testbeeld

Als niet de minister voor de kunsten zelf was begonnen over een Monument voor de Democratie dan zou de nieuwbouw van de Tweede Kamer nu geruisloos voltooid worden met wat aardig straatmeubilair er omheen. Maar nu het idee eenmaal gelanceerd is en er een geweldige publieke discussie ontstond, kan men daarmee niet volstaan, zoals nu de bedoeling schijnt te zijn. Daarvoor is blijkbaar het idee ook te belangrijk.

Tot nu toe is er niet de minste poging gedaan om het artistieke potentieel van dit land met het plan voor zo'n monument uit te dagen. In plaats daarvan heeft men zich vol overgave maar zonder overtuiging gestort in het onzichtbare geritsel binnen de hogere bestuurlijke marges - niemand werd publiekelijk uitgenodigd, geen belangengroep degelijk voorbereid. En met antieke arrogantie werd op een kwade dag de goegemeente overvallen met een kant en klaar "ontwerp', dat bestond uit een krabbeltje met een paar horizontale en verticale lijntjes, waarin men verzocht werd een heuse kolenmand op een echte plaatstalen sokkel te zien. Toen dit, om een assortiment van de verkeerde redenen, door de Kamer werd afgewezen besloten de gekwetste reputaties dat er dan maar helemaal niets moest komen.

De minister had zich laten adviseren door de directeur van het Haagse Gemeentemuseum, door Rudi Fuchs. Deze verklaarde dat hij geen Nederlandse kunstenaars had gevraagd omdat die geen talent voor het monumentale zouden bezitten. Toen het plan werd afgewezen bestond hij het om diezelfde Nederlandse kunstenaars op te roepen het hele project besmet te verklaren en te boycotten! De directeur van het Haagse Gemeentemusuem gedroeg zich kortom als een verwend balletje. Nu mag hij twee van onze Picasso's gaan verkopen - het zoveelste bewijs van zijn meesterschap in het orchestreren van pr-campagnes. Maar getuigt het ook van artistiek inzicht?

De ontwerper van de Kolenkit (inmiddels aangekocht door een kolenfirma), de Griekse beeldhouwer Kounellis, werd door Fuchs bij het publiek geïntroduceerd met een grote overzichtstentoonstelling in het Gemeentemuseum, en met de decors voor maar liefst drie opera's (van Schoenberg, Feldman en Loevendie). Komrij had al gewaarschuwd dat Kounellis' werk, als het menens wordt, te zwaar is om mee te nemen. Evenals de Kolenkit waren die decors gemaakt van echt plaatstaal uit de groothandel. Net op het moment dat in Oosteuropa het IJzeren Gordijn werd opgetrokken, liet Kounellis het in de Stopera weer zakken. Het was zo zwaar dat men de extra aangebrachte lieren boven de muziek uit hoorde gieren. Het materiaal voor de beeldtaal van het theater is doorgaans hout of piepschuim, maar het was de toneeltechnici door de Meester zelfs verboden een maquette te maken van zijn ontwerp.

Aan dit plaatstalinisme ligt namelijk een bepaalde filosofie ten grondslag die in het museumjargon "conceptualisme' genoemd wordt: niet de symbolische (beeld)taal, maar het ding zèlf moet de boodschap uitdragen. (In de muziek is John Cage een aanhanger van deze richting - als hij een concert wil geven opent hij de ramen van zijn Newyorkse appartement voor het straatlawaai.) Als godfather van deze kunsthatende kunstleer geldt de Duchamps-epigoon Manzoni (1932-1965). Op de BBC kon men onlangs zien hoe een hoogaangeschreven kunsthandelaar in New York drie blikjes stront van de Meester aanbood voor 95.000 dollar elk. Enige jaren geleden trok een Amsterdamse dorpsidioot voor de zoveelste maal de uiterste consequentie uit deze leer door zichzelf in het Stedelijk voor 2500 gulden subsidie tentoon te stellen onder het motto l'art c'est moi!

Dit conceptualisme wilde Rudi Fuchs ons nog eens als het laatste van het nieuwste met kolen en staal in de maag splitsen. Op nationaal niveau, als een geschenk! Fuchs moet z'n Picasso's niet verkopen, hij moet er iets van leren. Een grondregel uit de hogeschool van deze grootmeester luidt immers dat een geslaagd kunstwerk het resultaat is van verworpen ideeën. Bij Kounellis is het precies andersom: de Kolenkit is een verworpen "kunstwerk' als resultaat van een "geslaagd' idee. Geslaagd in de zin van established: op het paard getild door de opiniepriesters van de musea, die, zoals wij sinds kort weten, van hun baas hun neus niet dichter dan 2½ meter bij een omstreden kunstwerk mogen houden, en die onderling denken uit te kunnen maken hoe een beeld voor de democratie er uit moet zien.

Je zou het niet zeggen, maar het gaat hier inderdaad om ons hoogste goed. Want na de leegloop van kerk en politburo is de democratie nog het enige idee dat ons samenbindt, onze enige strohalm. Dit heeft niets triomfalistisch à la Thatcher. (In Brussel schijnt men nu als beeld voor de democratie twee dertig meter hoge gouden engelen op ons neer te willen laten kijken - de gruwel!) Maar een Teken op te richten voor een idee waar wij al zo lang van profiteren is geen kleine zaak.

In de (nog) niet uitgeschreven wedstrijd heb ik voorgesteld een stemvork op te richten, een metershoge, langbenige, blinkende stemvork, staande op een groot brok natuursteen, op een "rots in de branding', een "toetssteen'. In de voet zou alleen de eerste zin van onze grondwet gebeiteld staan, die neerkomt op: hier wordt niet gediscrimineerd. Want dat is sinds Willem van Oranje de kern van onze nationale ervaring, dat is onze grondtoon. Associaties te over: met "stemmen', met "zuiverheid in de politiek', die "toonaangevend' moet zijn; of met het V-teken van de democratische bewegingen in de wereld; met de "oppositionele polen' van het staatkundig systseem. In tegenstelling tot die Kolenkit hoeft men bij dit teken niets uit te leggen, het verklaart zichzelf - zonder dat het een cliché is, want in de openbare beeldtaal komt het verder niet voor, in die zin is het "origineel'. Ik wil dit idee kunnen inbrengen in een ideeënwedstrijd - ik heb begrepen dat er meer ontwerpen zijn. Voor de draad ermee, een beeld voor de democratie moet democratisch tot stand komen, het is een testcase.

Niet alleen als democraat en als Nederlander, maar ook als een kunstenaar met beelden in z'n hoofd (die overigens niet pretendeert zelf beeldend kunstenaar te zijn - ook in het theater werk ik altijd met vakmensen op dit gebied samen) is het voor mij dan ook onaanvaardbaar dat de zaak nu eenvoudig van de tafel geveegd schijnt te zijn. In de krant van 10 september lees ik: “Straatmeubilair in plaats van beeld Kounellis”. Er komen nu “mangaanbruine straattegels met na elke drie meter een messing streep” (wow! mangaanbruin), afgewisseld met “dertig doorzichtige glazen straattegels met daaronder een lampje dat 's avonds brandt” (zoals lampjes, als zij braaf zijn, 's avonds doen), plus een “vijftig meter lange zitbank bestaande uit twee treden” (een dubbeldikke stoeprand?), en tot slot “een serie anti-parkeer bollen van beton of messing” (dat wordt dus beton).

Dit strooigoed uit kabouterland kon letterlijk niet laag-bij-de-grondser verzonnen zijn! In plaats van een Monument voor de Democratie zouden wij dan nu worden afgescheept met het zoveelste Teken van ons Derde Betekenisloze Tijdperk. Wil de Kamer dit, of is ze al in slaap gemanipuleerd met al die prachtige aanbiedingen?

Terwijl ik deze bittere woorden over mijn lauwe land uitspuug staar ik met brand in m'n ogen naar een beeld dat eveneens vandaag in de krant stond - een Beeld voor de Democratie uit de echte grotemensenwereld. Het is een foto van de geniale musicus Mstislav Rostropovich, genomen in de beslissende nacht van 20 op 21 augustus, in het Witte Huis van het Russische parlement. Op een bank in de hoek zit hij daar, wachtend op het onvermijdelijke einde. Zijn rechterarm houdt hij beschermend om een dikke jongen met gymschoenen, die op zijn schouder in slaap is gedommeld. Met een oneindige droevige blik in de ogen, maar met een vastberaden trek om de mond, heeft de doodvermoeide oude meester in zijn linkerhand, alsof het de hals van zijn goddelijke cello is, een machinegeweer...